24 april 1944 tot 15 mei 1945
Een periode om nooit te vergeten

Achlum
September 1998.

Een woord vooraf, voor de duidelijkheid

1940.
Het is vrijdagmorgen 10 mei, tussen 7 en 8 uur.
Mijn vader zit voor de radio en hoort dat het oorlog is. Hij zegt tegen mijn moeder : Ik ga naar Leeuwarden, naar de veemarkt.
Mijn vader had er twee beesten van anderhalf jaar oud die verkocht moesten worden door de overheid. Mijn vader had een proces-verbaal gekregen omdat hij de veeteeltbeperkingen ontliep. Hij heeft nooit betaald omdat de Duitsers hier de baas werden.
Toen mijn vader zei dat hij naar Leeuwarden, naar de veemarkt ging, zei mijn moeder dat dat toch niet kon nu het oorlog was, maar hij ging toch.
Ze waren om 1 uur weer thuis.

We woonden toen aan de Tanjabuurt 4 en molken de koeien daar buiten in het land. ’s Middags tussen 4 en 5 uur kwamen de Nederlandse soldaten door Achlum rijden, op weg naar de Afsluitdijk.
Ze werden opgedreven door de Duitsers, die waren hier de volgende dag, zaterdagochtend om half negen. De Duitsers bleven in Achlum, omdat de weg naar Arum was opengebroken.
Zo gingen de eerste oorlogsjaren voorbij. Zo nu en dan werden jongemannen die hier gemist konden worden, opgeroepen om in Duitsland te gaan werken.

In april 1943 moesten oud-militairen zich melden, want ze waren niet krijgsgevangene gemaakt zoals bijvoorbeeld Franse militairen. Eind april 1943 was er in Nederland de grote staking, die duurde een week.

In juni 1943 kregen we het bericht dat we ons in Leeuwarden moesten melden om in Duitsland te gaan werken. Dit gold voor alle jongemannen die geboren waren in 1922, 1923 en 1924. Mijn broer en ik gingen daarheen in de hoop dat we vrijgesteld zouden worden, maar dat lukte niet. De meesten die dat overkwam doken onder, mijn broer en ik dus ook.


Drie augustus 1943 dook ik onder in Sexbierum bij N.J. Janzen, mijn broer Bote in Oosterbierum bij J. Jukema.
Het was een heel ander leven dan we gewend waren, we werkten daar in de aardappelen en in het graan, ik soms zelfs in de tabak. Ik ben 9 weken in Sexbierum gebleven, tot begin october. Toen moest er thuis weer in de stal gewerkt worden en daar kon mijn vader niet tegen door zijn astma kwaal.
Ik ben toen ergens anders ondergedoken, bij J.J. van de Pol, De Wiske 1a in Achlum. Twee weken later kwam Bote ook thuis om in de stal te werken.
We veranderden weer van onderduikadres en gingen naar R. Helfrich in de Dorpstraat 18.
Overdag waren we op de boerderij aan het werk en ’s nachts sliepen we in de Dorpstraat. Dat ging maanden op die manier door, tot april 1944. Toen kregen we bericht dat het zo niet meer kon, en we verhuisden weer naar De Wiske 1a.
Dat was wat verder van huis, maar we bleven overdag op de boerderij aan het werk.

Iemand heeft toen zijn mond voorbij gepraat en op 24 april werden we opgepakt door de Duitsers. Politie


Het verhaal van

A.P de Vries,
geboren 9 augustus 1923,
wonende Tanjabuurt 4 te Achlum,
Kampnummer 10819, doorgangslager Amersfoort,
Broer B. de Vries, kampnummer 10822.

We waren allen ondergedoken bij Jorke J. van der Pol, aan De Wiske 1a. Jorke was melkontvanger op de zuivelfabriek. We lagen met vijf man te slapen op stro in een hok bij het molenhuisje aan de vaart. Daar konden oorspronkelijk vier koeien staan

Opgepakt en ontvoerd om 11 uur ’s nachts op 24 april 1944.

Het waren Atze J. van der Pol, Atze H. van der Pol, Wim Wijk en Arjen en Bote de Vries. Wim Wijk was student chirurg.

Vijf politieagenten waren het. De politieagent, Maus van Wommels, was het hoofd van de groep. Onze politieagent Bijlsma was erbij en dan nog Kerkhof, van Dijk en nog een.

Er werd op de deur van het hok geslagen. Ze stonden voor ons met een zaklamp en er werd door Maus gezegd: “Een ontvluchtingspoging is niet meer mogelijk, want er wordt onverbiddelijk geschoten.”
De kleren aan. We werden dadelijk in de boeien geslagen.
Toen gingen we lopend naar het huis van de politie in Achlum, Monnikenweg 48. De Atze’s waren aan elkaar vastgeboeid. Arjen en Bote waren ook geboeid en Wim liep bij een politie aan kettingen geboeid.

Atze J. van der Pol had nog zwarte voedselbonnen bij zich in zijn zak die at hij lopenderwijs op.

Vanaf Monnikenweg 48 werd er gebeld om ons te vervoeren naar Franeker maar niemand wou dit doen.
“Dan maar rinne”, zei Maus.
In Hitzum aangekomen hadden ze er weer een van het bed gelicht: Jappie Reinsma te Hitzum. Nummer twee was Johannes Beert van Dijk, wonende even buiten Hitzum aan de Franekerweg 5, daar was ik bij. Zo met zo’n zeven man zijn we lopend naar Franeker gegaan, naar het politiebureau. Dat stond toen ongeveer bij de Rabobank aan de Eisingastraat.

Nadat we vijf of zes uren op het politiebureau vastgezeten hadden werden we onder geleide naar de trein gebracht waar ook de bekende N.S.B-er Maus bij was. Zo gingen we met de trein naar Leeuwarden naar het Huis van Bewaring.
In de trein zei Maus nog: “Verdomd nog toe, de ene kon ook nog wel een Jood wezen”, want hij was zwart van uiterlijk, maar dat bleek later niet zo te zijn. Het was Wim Wijk, de student die voor dokter/chirurg leerde. Hij had Spaanse voorouders. Hij werd in de gevangenis direct apart gehouden.

We zaten met zijn tienen in een cel, waar anders plaats was voor vier man. Eenmaal hebben we bezoek gehad van mijn ouders. Ze waren met de Zuivelfabrieksauto uit Achlum gekomen. Deze auto bracht de kaas en boter naar Leeuwarden. Directeur Van der Ploeg kreeg dit voor elkaar. Ze hadden wat eten en vooral melk meegebracht. Dat was een heerlijk hapje. Dat was het afscheid.

Daar lag ook een dambord waar op de achterkant stond geschreven: “Herman Schansema gevlucht uit Amersfoort, concentratiekamp en weer opgepakt door een aap van een jongen.


Amersfoort “Doorgangslager”.

Nadat we drie of vier dagen in het huis van bewaring in Leeuwarden hadden doorgebracht moesten we in de trein naar Amersfoort. In kolonne met politiebegeleiding naar de trein. Want er waren er nogal wat. In Zwaagwesteinde waren er wel 25 man opgepakt. De deuren van de trein waren allemaal afgesloten.
In Amersfoort eruit, daarna twee uur in kolonne door de bossen lopen, het kamp lag midden in de bossen.
We kwamen daar in de “Rozentuin” ( dit is de straftuin ) terecht. Dat was een smalle strook met prikkeldraad, ongeveer 100 meter lang en 4 meter breed.
Daarvandaan gingen we met zijn allen naar de douches. Een voor een. De kleren moesten allemaal uit en werden opgeborgen met de koffers.

We zijn allemaal onder de douche geweest, na een half uur gingen we helemaal naakt naar een andere ruimte. Daar kregen we andere kleren aan, “Kampkleren”. Een hemd, een onderbroek, een jasje en een bovenbroek, een paar voetlappen en een paar klompen. Dat was alles. Dat was nog niet het laatste, want even later werden we helemaal kaal geknipt.

Daarna moesten we naar onze barak, nummer 7, daar had je je slaapplaats en benodigdheden zoals een eetpannetje en lepel en vork.
Eerst had je vooraan barakken met hout nummer 1, 2, 3 en 4 en daarachter in het verlengde nummer 5, 6, 7, 8 en 9. Deze laatsten waren van beton.
Het kamp was met de appelplaats meer dan 1 hectare groot.

Als er weer een kolonne aankwam dan keken we stiekem even of er ook bekenden bij waren.


De grote baas van het kamp Amersfoort was de duitser Kotella, een van de “drie van Breda”. De andere twee van de drie van Breda waren Aus der Funten en Fischer.
Grote Jan had veelal de leiding in het kamp. Als er iemand niet op het appel was, dan wist hij meestal wel een oplossing te vinden.

In het kamp zongen we meestal het bekende lied ” Droomland”, maar ook wel het volgende:

Eenmaal zal de tijd weer komen
Het uur der vrijheid zal weer slaan
Vervult zijn mijn liefste dromen
Dan hoop ik dat je aan de poort zult staan.

Het Rode Kruis bracht ons zo nu en dan voedselpakketten met drie vrachtwagens vol in het kamp. Dan was er op dat moment volop voedsel, maar velen raakten daardoor aan de diarree, want het waren allemaal boerenpakketten. Deze voedselpakketten waren toch een opluchting, alleen de WC’s, dertig op een rij, zaten soms onder de poep.


De onderduikers kregen daarna een nummer links op de borst van het jasje en een nummer op de rechterpijp van de broek.
De anderen kregen ook een nummer, maar ook een aanduiding waarvoor ze zaten. Politiek had een rood lapje op de rug en een rood lapje op de broek. Een helper van de Joden had een ster op zijn jasje, een zwarthandelaar had een zwart lapje op zijn jas.

Je had allemaal commando’s, Houtcommando ( hout zagen), Schietcommando ( schietbaan), Schillencommando (aardappels schillen ) en Buitencommando. Het buitencommando ging met de tram om ergens buiten het kamp te werken.

Ik zat zelf buiten het kamp, in de tuinbouw en de aardappelteelt. We waren aan het wieden. Ons commando werd geleid door iemand die al lang in het kamp zat. Hierboven stond dan nog een Duitse soldaat die aan het front gewond was geraakt. Hij had een stijve voet of een houten voet.
We hadden ook een soldaat met een zwart lapje over het ene oor dat met een bandje over zijn hoofd vastzat. Hij miste een oorschelp.

Wij praatten veel in het Fries met elkaar en mensen uit Zwaagwesteinde.
Op een bepaald moment zei de Duitse soldaat in het Fries tegen ons: ” Ik versta jullie wel”. Wij schrokken daar van maar vroegen hem waar hij vandaan kwam.
Hij kwam uit Witmarsum. Hij was in 1926 naar Duitsland vertrokken en was Rijksduitser geworden en moest daarom nu in het leger dienen.
Zijn achternaam was Faber. Hij was een hele goede man, mijn broer Bote kreeg zo nu en dan zijn middageten. Dat was voor mijn broer een stimulans.
Het was een lekker extra hapje, want verder kregen we veel te weinig.


In het kamp had je ook van die zogenaamde knuppelaars. Die stonden dan op de hoek van de barak, waar je langs moest. Nummer 1 kreeg een harde tik, nummer 2 weer niet en zo ging dat maar door.
De onderduiker Wim Wijk kwam later op dezelfde manier als wij in Amersfoort aan. Andere bekenden waren onze potenbehandelman voor koeien, J. v. d. Eems, Philippus Bakker uit Sexbierum, P. Hengst, Petrus Bosma, en Marten Weidema uit Kimswerd.
Zij hebben daar drie weken gezeten, van 28 april tot 18 mei, en toen naar Duitsland.


Duitsland No 7 Hamborn.

We hadden weinig te eten en we kregen weinig slaap omdat we ’s nachts vaak wakker werden van het alarm voor vliegtuigen. Dan moesten we het bed uit en naar de kelder.
Daardoor werd je stijver. We kregen ook geen schone kleren, je hield alles maar aan. Wat was het smerig, alles zat ook onder de luizen. Soms kon je niet eens slapen door de luizen en dan trok je alles maar uit.
Als je op de WC zat veegden de meesten zich maar af met hun overal.

Op een nacht moesten we allemaal ontluist worden, daarvoor moesten we twee uur heen lopen en twee uur weer terug. En de volgende morgen weer twee uur lopen naar het werk. Dat was op de uiterwaarden van de Rijn. Sommigen vielen van ellende om, ze konden niet meer lopen.
We dachten allemaal dat we het beter zouden krijgen, maar dat kwam anders uit. Het was daar slecht. We kwamen daar tenslotte in een strafkamp. Die 18e mei hebben we de hele nacht gewacht en gezongen, maar niet geslapen.

Tenslotte, om twee of drie uur ’s nacht werden we op transport gesteld, 2 uur lopen door de bossen, sommigen, zoals ik, met twee koffers.
Vier man op een rij en aan beide kanten een duitse soldaat en om de 10 meter een zwaar bewapende soldaat. Als je viel werd je vertrapt, en was je dood.
We zijn drie weken in Amersfoort geweest.

De reis naar Duitsland was zwaar. Ik verloor op het perron van Amersfoort mijn adres van de koffer, maar mijn neef W. Oosterbaan heeft dit op het perron, waar hij perronchef was, teruggevonden.


Op de transportbrief stond Essen, maar op station Duisburg moesten wij eruit en werd onze groep in tweeen gedeeld. Wij gingen eerst naar het kleine plaatsje Beecherweert.
Het kamp lag een heel eind buiten het dorp, vlakbij Duisburg in het Ruhrgebied. Nadat we daar een week waren geweest gingen we naar het Stadionlager in Hamborn, aan de weg naar Dinslaken.
We waren altijd onder geleide van twee oude mannen met ieder een geweer. Deze mannen waren meer dan 70 jaar oud. Het eten in dit kamp was slecht. Vier sneetjes brood met kaas, jam of stukjes worst. Het middageten was altijd koolsoep, met zondagmiddag een paar aardappelen. Dan kon je de zondag er mee uit, want we werkten elke dag, dus zondags ook.
’s Morgens om 6 uur opstaan en dan wat koffie. Steeds twee uur lopen naar het werk, langs de uiterwaarden van de Rijn. Die was hier heel breed, je kon de boerderijen aan de overkant net zien. We werkten aan een weg bij een fabriek, midden in het veld. Onze wegmeester was erg streng.
Bij de Duitsers had een Nederlander meestal de voorkeur boven andere buitenlanders, maar deze man was precies andersom.
Soms gingen we samen met Italianen naar het werk. Ze kwamen uit Bologna en waren er slecht aan toe.

Op een zondagmorgen moest ik de lorries met ijzerslakken die we – daar gebruikten, om de zoveel meter stoppen door er iets voor te leggen. Doordat ik niet meer goed reageerde door het slechte eten en de stijfheid die je daar kreeg, mislukte dat en kreeg ik enkele stokslagen.

Dan liepen we door een klein korenveldje. Je kwam niet aan de aren, hoeveel honger je ook had. Als je dat deed werd er misschien wel geschoten.

De WC was ook wat. Er was een gat gegraven van 6 bij 2 meter en 1,5 meter diep. Daar tegen stond een houten schot en daarover kon je je behoefte doen.


Schrijven naar huis kon je niet, laat staan telefoneren. Je wist helemaal niks, er was ook geen krant.

Sommigen kregen pakketten van thuis toegestuurd, maar wij kregen niets. Een keer was er voor ons een doos, met kruimels. Die hadden ze verder helemaal leeggegeten.

Sommigen kregen erwten en bonen en rijst van huis toegestuurd. Dan moesten ze mijn pannetje gebruiken, mijn moeder had ons ieder een kookpannetje meegegeven. We kookten buiten de barak op een paar stenen met daar de pan op en een houtvuurtje eronder.
Soms ging het fout, als de Lagerfuhrer het zag schopte hij de pan om. Soms kon je dan nog wat krijgen als hij de pan gebruikt had om eten te koken.

We werkten aan een weg bij een fabriek. De weg werd gemaakt van sintels, een afvalproduct van een andere fabriek. Die moesten we dan verdelen met lorries en slechten met de schop.

Tussen 10 en 15 juni zagen we een goederentrein met oorlogsmateriaal over de grote Rijnbrug naar het zuiden, richting Frankrijk rijden. We dachten al dat er iets aan de hand was, maar we hoorden er verder niets over.

Zo ging het dag na dag door en we verzwakten allemaal steeds meer, de een wel meer dan de ander. Tenslotte zaten we allemaal onder de luizen en hadden we geen schone kleren meer.


Een grote eter verzwakte meer dan een kleine eter. Ik ruilde eerst sigaretten tegen eten, maar er werd veel gestolen waardoor ik veel pakjes shag kwijtraakte.
Na 4 of 5 weken werden we in kleine groepjes van Hamborn naar Beechersweert overgebracht. Dat viel niet mee, want de Lagerfuhrer van Beechersweert was veel strenger dan die van Hamborn. Als er iets aan de hand was gooide hij alle kasten met suiker, jam, kaas en dat soort dingen om.
Op een morgen zei mijn broer dat hij zo niet meer kon werken, zoveel spierpijn had hij.
’s Avonds na het werken kwam ik terug in de barak en hoorde ik dat hij in het ziekenhuis lag. Die heeft geluk, zeiden de makkers, en dat was ook zo, want dan had je tenminste eten.
Ik zocht mijn heil bij iemand anders en ging naar Petrus Bosma. Die zat wat te lezen op het bed en ik ging bij hem zitten. Na een poosje kwam de Lagerfuhrer binnen en die zei dat dat niet mocht. Hij was zo streng dat we direct in een cel gegooid werden, waar ook onze koffers waren.
Maar we lachten er allebei om, zo waren we.

Als we naar het werk liepen raapten sommige jongens de peuken van de sigaretten op die daar lagen. Later konden ze daar 1 sigaret van draaien, beukshag noemden wij dat.

Een week later gingen we weer terug naar Hamborn, het eerste kamp. Mijn broer kwam na 4 weken terug uit het ziekenhuis. Ze hadden vlekken op zijn longen geconstateerd. Ik zat toen niet meer in Beecherweert, maar in Hamborn.


Je raakte het idee over de datum kwijt, maar ongeveer op 15 augustus 1944 kwam ik ook weer terug naar Beecherweert en toen konden we weer samen optrekken. Mijn broer zag er wel goed uit, maar met mij was het minder. Ik woog ongeveer 100 pond. Ik zei ‘Hier moeten we onder de grond”. Bote zei toen: “Kop op”.

Op 30 augustus kwamen we allemaal vrij, maar er bleef wel controle. Je kon dus niet vluchten, hoewel sommigen dat wel probeerden tijdens een luchtalarm ’s nachts, dan moest je allemaal je bed uit. Ze werden toch weer opgepakt. De volgende dag stonden ze weer op het appel, met bloedhonden erbij. Dat om de anderen bang te maken. Die 30 augustus waren we dus wel vrij, maar waar moesten we heen om te eten, geld had je niet. Ik kwam die dag een man tegen met een veewagen en een paard. Ik hield hem aan om mee te rijden. Het was een Nederlander en ik kon met hem mee, vee ophalen bij de uiterwaarden.
Daar hebben we de koeien gemolken en ingeladen. Ik kon melk drinken zoveel als ik wilde. Op die manier kreeg ik toch nog iets.

Een paar dagen later zijn we verhuisd van Hamborn naar Meidrich in een vrijlager aan de kruising van de Vosstrasse met de Eemsterstrasse. We werkten daar van 6 uur ’s morgens tot 6 uur ’s avonds, de hele week door. We werkten ook op zondag. Op zondag kregen we aardappels in plaats van alleen koolsoep. Daardoor wisten we dat het zondag was.
We zaten met een man of 20 in een autogarage waar we 6 weken gewoond hebben.


Achter de heg van de garage lagen tuintjes. Op een dag waren mijn broer en ik waren toen net bezig om aardappels uit de grond te halen, want we hadden erg veel honger. Het was niet ongevaarlijk, want als ze het zagen kreeg je direct de kogel. De aardappels hadden we onder de overal, op de borst en om het middel bij de riem. Er kwam een luchtalarm, maar ik kon niet meer overeind komen, zo zwak was ik.
Mijn broer heeft mij toen eerst geholpen, want zo was je toen.

Dat aardappels uit de grond halen deden we een paar keer en we hadden een zak vol aardappels in de kast staan.

We werkten toen niet meer aan de weg, maar in de bouw, in de fabriek van August Thijssen Hutte. Dat was en ijzergieterij, ook aan de Emsestrasse. Het ijzererts werd verhit waardoor het ijzer eruit liep. De slakken die overbleven gingen naar de slakkenberg, die was wel 25 tot 30 meter hoog.

Inmiddels was het september 1944. We werkten elke dag van 6 uur ’s ochtends tot 6 uur ’s avonds. We waren altijd wel erg moe, dat kwam doordat je weinig slaap kreeg en doordat er weinig te eten was. Voor dat weinige eten was soms wel een oplossing. Vlakbij was ook de Organisache T.O.D.T militair, en die gooide soms een etenston vol pekelvlees weg en dan hielden wij ons pannetje eronder en hadden we weer vlees. Dat namen we ’s avonds mee naar de garage, kookten onze aardappelen en hadden dan het vlees erbij. Zo kregen we dan wat extra’s. Dat ging een week of twee zo, maar toen kwam de slechte dag, 14 october 1944.

’s Morgens om 9 uur was er luchtalarm, er vielen ook bommen, dat kon je wel horen. Ik was in de garage met zweren aan mijn benen. De tolk kwam naar binnen rennen en schreeuwde wat ik nog in mijn bed deed. Vlakbij stond een boerderij in de brand. Wij gingen naar de mensen toe die er toen waren.
De meesten waren toen aan het werk. De boerderij was al half afgebrand en ik weet nog dat van de schapen de wol ook voor een deel verbrand was.


’s nachts vielen er weer bommen, maar er was van tevoren geen alarm geweest, dus je kon niet in de kelder komen. Het alarm kwam pas toen de bommen al vielen. Dat noemen ze Jaboo’s, dan komen de vliegtuigen terug van hun aanval en hebben ze nog een paar bommen over die ze dan gewoon ergens laten vallen.
Bij ons dus ook en we lagen allemaal onder het puin. Mijn broer was met zijn bovenlichaam nog vrij en riep of ik nog leefde. Ik antwoordde, niet lang meer.
De meesten van ons waren nog wel uit bed gekomen en hadden hun kleren al aan, wij ook.
Na een half uur kwam er hulp opdagen, ze hebben mijn broer eerst bevrijd en daarna mij. Met een breekijzer hebben ze met drie man de brokstukken van mij afgekanteld.
Mijn broer had veel bloedverlies, hij was overal gewond, aan zijn pols en aan zijn benen. Dat kwam door de scherven van de bommen. ik was zelf aan mijn arm en aan mijn hak gewond, daar mist nu nog een stuk van.

’s Nachts om half een werden we naar een kelder gebracht waar we verbonden konden worden en die morgen om zes uur werden we op een vrachtwagen gelegd en naar het ziekenhuis gebracht.
We waren daar met zijn zessen, wij met zijn tweeen, 2 Limburgers, een Amsterdammer en iemand uit Bussum, een boerenzoon die Wortel heette. Kris Schoofs was de Amsterdammer en de Limburgers heetten Emiel Vranken en Harry Seegers. Kris Schoofs en Wortel zijn later gestorven. Volgens mij zijn wij door het oog van de naald gekropen.


Atze lag in een ander lager in Hamborn, het StadionLager.
Atze J.van der Pol is bij het eerste bombardement, ’s ochtends om 9 uur, op 14 october 1944 om het leven gekomen.

Wij lagen in het Elisabeth hospitaal in Meidrich bij Duisburg.

Ze legden mij daar op de gang neer, want ik had een noodverband om de arm en om de hak. Ze zeiden daarom dat ik al verbonden was. Ze lieten me zo liggen van half een in de nacht tot 4 uur in de middag. Toen hebben ze me aan mijn hak geopereerd. Daar hing een lang stuk vlees bij. Ze hebben toen maar een spuitje gegeven tegen de pijn.
Dat was op zondagmiddag 15 october 1944.
Die hele zondag kreeg ik verder niets, want het was een en al paniek, de regel was er helemaal uit.

Toen ik weer wakker werd uit de narcose en er een zuster aan mijn bed stond, zuster Margreta, heb ik direct om eten en drinken gevraagd, maar ik mocht niets hebben.
De volgende dag kwam ik op een zaal met 6 man, bij mijn broer Bote en nog twee Nederlanders, Emiel Vranken en Chris Schoofs.
Chris Schoofs is twee dagen later gestorven, Wortel was na 1 dag overleden.

Emiel had veel pijn in zijn hoofd, daar zaten veel scherven in. Drie weken later is hij geopereerd, hij is weer goed thuisgekomen.

Ik heb nog 10 tot 15 scherven in mijn benen en bovenbenen. Mijn broer Bote heeft ook nog een stuk of 15 scherven. In zijn rug en in zijn arm.
We hebben daar een week gelegen, toen kwamen er mensen langs om de zwaargewonden af te voeren.
Dat had te maken met het front dat in Limburg lag, maar daar wisten wij toen niets van af. Later ging dat over, want de Amerikanen bleven in Limburg steken.
Ik was die man met verze, kapoet, want er was een stuk uit mijn hak. Het was nu eind october 1944.


Emiel Vrancken had verkering met een russisch meisje dat hem regelmatig kwam opzoeken en verschonen.
We lagen daar in een hemdje tot over de knieen, verder hadden we niets aan.
Er zat een ventilator tegen het plafond dat net boven de grond uitkwam. Die ventilator draaide alleen als de bommen om ons heen vielen, dat kwam door de luchtdruk.
Op een avond was er weer een bombardement en kwam er een duitse vrouw de kelder in lopen en zei : Nu is mijn man net even uit krijgsdienst en nu is hij dood geraakt.
Dat soort dingen maak je dan mee.


De andere week gingen we in de kelder met zijn vieren. Mijn broer en ik en 2 Limburgers, onder andere Emiel Vranken.
De kelder was ongeveer 2,5 meter breed en 5 meter lang. We lagen daar op een strozak, op het beton.
We zijn een week of zes in die kelder gebleven.

We hadden daar genoeg te eten en werden goed verzorgd door Duitse zusters en een Russische en een Grieks zuster. De Russin studeerde voor arts, maar moest nu werken in Duitsland.
Tijdens de zes weken dat we hier waren moesten we leren lopen met krukken. De laatste weken kwamen we op zaal en op de eerste verdieping.
Met de Kerstdagen moesten we eruit, de dokter zei: jullie hebben het ziekenhuis haast opgegeten.

We hadden nog steeds last van luizen want toen we in het ziekenhuis kwamen waren al onze kleren uitgetrokken. Als je naar de WC ging keek je je hele hemd na op luizen.

Dat hemd had je van het ziekenhuis, want iets anders had je op bed alleen maar aan.

Halverwege die tijd in het ziekenhuis kregen we nog bericht van thuis. Onze moeder schreef dat we niet eens winterkleren hadden, maar we hadden op dat moment niets meer. Iets later kregen we nog wat kleren die onder het puin weg waren gehaald. Dat deden de andere jongens, die nog goed in orde waren.

Je kon geen enkel bericht naar huis sturen, schrijven was er niet bij, ook niet in het strafkamp.


We kwamen op 28 december 1944 uit het ziekenhuis en gingen naar een gebouw aan de Eemsterstrasse, het Verwaltungsgebouw, want het andere was platgebombardeerd.

Daar hebben we met zijn allen als Nederlanders Oud en Nieuw gevierd, want op onze kamer zaten ook Fransen. Op een andere kamer aten Russen en misschien waren er nog wel mensen uit andere landen.
Sommigen hadden ergens wat eten opgescharreld en aten die avond nog eens lekker. Gebakken aardappelen met boerenboter en dat soort dingen.

Na Nieuwjaar begon de wond van mijn broer Bote weer te etteren, het vocht liep dan op de grond.

Wij zijn toen weer naar de huisdokter gegaan, dat was een Russin. Zij stuurde ons direct naar het ziekenhuis.
Mijn broer vroeg hoe we daar dan moesten komen. De Lagerfuhrer schreeuwde dat er geen auto beschikbaar was. Dat doen je kameraden self maar, zei hij. Maar die waren allemaal aan het werk en we moesten ons zelf maar redden.

Ik heb mijn broer toen op een karretje met twee wielen gelegd, waar wij anders de ton soep mee ophaalden. Het was een kilometer lopen naar de tram en daarna naar het ziekenhuis. Ik was er ook niet zo best aan toe met de wond aan mijn hak, maar het lukte.
Mijn broer werd eerst verbonden en daarna nog eens doorgelicht. Ze zagen twee kleine scherven, maar later bleek het toch iets anders te zijn, er zat een scherf van wel een gulden groot in.
Na drie weken rust hebben ze Bote op 27 januari 1945 geopereerd, ze hebben zijn hele kuit daarbij opengemaakt.
Ik ben er zelf 4 dagen in de week heen gegaan om hem op te zoeken. Hij hield brood voor mij achter, zodat ik ook wat te eten had. Doordat het steeds slechter werd in dit vrije kamp wilden ze allemaal met me eten. Dat hoefde dan niet, maar ik wou wel theedrinken.


Ik mocht toen beslist niet lopen, dat viel tegen en ik werd gewaarschuwd door de huisdokter, de Russin. Ze zei dat ze me naar een strafkamp zou sturen als ze me weer zou zien lopen. Maar ik liep wel door om te eten en om op bezoek te gaan in het ziekenhuis. Mijn hak was nog steeds een open wond, dat zou zo blijven tot ik op 15 mei thuis kwam.

Bote werd op een zondag, 4 maart bij mij in het Verwaltungsgebouw gebracht, we mochten het gebouw niet meer uit. We dachten al dat er wat aan de hand was, maar we wisten van niks, Aileen hoorden we soms wat gebulder in de verte.
We kregen ’s avonds altijd brood, maar op een avond niet. Pas op maandagmorgen kregen we ons brood, en daar werd bijgezegd dat we vandaag 35 km moesten lopen.
Mijn broer is toen naar de Lagerfuhrer gegaan, en zei dat hij niet zo’n eind kon lopen. We mochten toen met de tram naar Dorsten rijden. Daar kwamen we veel eerder aan dan de rest van de kolonne. De mensen wezen ons na en we werden weer opgepakt en naar de cel van het politiebureau gebracht. Na een paar uur werden we weer vrijgelaten.

Ondertussen was de kolonne ook aangekomen, in een oude school waar de ruiten allemaal uit waren.
Daar moesten we allemaal maar door elkaar op de houten vloer liggen, Russen, Russinnen, Belgen, Fransen en nog meer buitenlanders. Van slapen kwam niet veel terecht, want de vloer was veel te hard.
Het was 5 maart 1945.


Op 6 maart gingen we weer lopen en ze beloofden ons dan eten, maar We kregen niks.
En we liepen maar door, de omgeving veranderde, we kwamen in een streek met boerderijen en weilanden terecht, dat was een hele verandering.

’s Avonds om 9 of 10 uur liepen we nog altijd, en hadden we geen onderdak. We hadden het geprobeerd bij een boerderij, maar daar wilden ze ons niet hebben. Op een bepaald moment zei mijn broer dat hij wat hoorde in een weiland met schoven stro. Het was een halve kilometer van de weg en daar zijn we heengegaan. We hebben heerlijk geslapen op het stro, met stro over ons heen. Het heeft die nacht ook geregend, maar daar hebben we niets van gemerkt.

De volgende dag, 7 maart kregen we weer geen eten en drinken. Ik kwam een Belg tegen waarmee ik in het strafkamp had gezeten. We wilden teruggaan, maar dat mocht niet.
Er kwam politie, toen de Volksstorm en Orgaan TOT was ook al aanwezig. Ze deden soms paniekerig, dat kwam door de stroom mensen die uit het zuidwesten en uit het Ruhrgebied kwam.
Langs de weg was een bietenhoop en daar gingen we zitten. We sneden er met een mes sneetjes vanaf en aten die op, dat was lekker en verfrissend.
Er kwam een Duits jongetje langs, die vroeg om een stukje biet. Dat kon wel zei ik, maar dan moet je eerst naar huis gaan en een stukje brood ophalen. Even later kwam hij terug met een stukje brood en konden we ruilen. Zo kregen we toch nog wat brood te eten.

Het was in de namiddag en ik zei dat we naar een dorp zouden gaan, dat lag een halve kilometer van de grote weg. Het viel niet mee om daar onderdak te krijgen, maar het lukte ons toch om bij een klein boerderijtje een slaapplaats te krijgen. We kregen daar ook te eten en te drinken.


De vierde dag, 8 maart, gingen we maar weer lopen, ’s middags kwamen we in een stad met zo’n 20.000 inwoners, Ludinghausen. Toen we in die stad aankwamen zei Bote, als hier een ziekenhuis is gaan we daarheen en laat ik me verbinden, want de etter loopt me langs mijn been.
We hadden geluk en vonden het ziekenhuis. Het was ongeveer drie uur en bezoekuur.
We konden zo naar binnen lopen en we vroegen aan een zuster of er ook nog iets te eten was, want we hadden in drie dagen niet gegeten. We kregen daar genoeg te eten en onze wonden werden opnieuw verbonden.
Na ruim een uur stonden we weer op straat, maar wisten toen niet hoe laat het was of waar we waren of waar we liepen. Meestal liepen we op de zon.
De kolonne ging de hele tijd richting het oosten, maar wij liepen de andere kant op, en dat zeiden de Russen ook tegen ons: Hollanders, jullie lopen verkeerd.
Toen we een tijdje in de stad hadden gelopen kwamen we op een kruising, de ene we ging naar het noorden, de andere naar het oosten.
We liepen steeds op de stand van de zon, en Bote zei we gaan dwars over de weg naar het noorden, daar ligt Friesland. Dat deden we dan ook en gingen zo op weg richting Ortmarsbocholt, een dorpje met ongeveer 1000 inwoners.
Na twee kilometer lopen kwamen we bij een boerderij waar we wilden slapen. Dat mocht niet, maar we konden wel wat te eten krijgen, gebakken aardappelen.
We moesten al weer snel vertrekken, want de Duitse soldaten moesten daar worden ingekwartierd. Zover was het front al gekomen.
We liepen nog een kilometer en kwamen weer bij een boerderij. Wij maar weer vragen of we er konden slapen maar dat mocht hier ook niet. De boer zei dat verderop een hotel was. Het was inmiddels tussen 6 en 7 uur.


Ik zei tegen Bote dat hij dichterbij moet komen en zijn been moest laten zien, de etter liep al weer over zijn klompen.
De boer zag dat en zei toen dat we binnen mochten komen. We kregen eten en een plek om te slapen.

Die boer was Clemens Westrup uit Bechtrup onder Ludingshausen. Hij had 6 zonen waarvan er 2 in het leger zaten, een van 20, Alfons, en een van 18, Ewald. Zijn zoon van 16, Walter, moest ook bijna in dienst. Verder was er nog een van 12 jaar en een tweeling van 10. Op de boerderij waren ook evacuees uit Aken. Een van hun zei tegen me, jullie zijn Nederlanders, daar doe ik alles voor. Hij was een koopman die veel in Nederland kwam.
Bote mocht wel blijven, omdat de zoon van 16 toch in dienst moest, maar ik kon niet blijven. Die koopman is daarom naar het Arbeidsbureau gegaan om een plaatsje voor me te vinden, dat is ook nog gelukt.
Ik kwam terecht bij een boer een kilometer richting Ludingshausen. Hij heette Anton Pusting. Zijn vader had nog in Friesland gewerkt, als maaier met de zeis.
We hebben daar 6 weken gezeten en zijn in die tijd bevrijd, op 26 maart 1945. Van die bevrijding hebben we niets gemerkt, want we zaten een kilometer van de grote weg af.
Toen ik op een zondagmiddag naar mijn broer liep zag ik de Amerikaanse tanks wel rijden. Bote konden ze niet meenemen, want hij kon maar moeilijk lopen, maar mevrouw Westrup zorgde goed voor hem, het was bijna een tweede moeder voor hem.

Ik werkte bij de boer samen met een Pool, een Rus en twee Duitse dienstmeisjes. Ik molk ’s ochtends met de Rus, en de twee meisjes en de Pool zorgden voor de koeien en de paarden. De beesten werden gevoederd en later gingen we met de paarden het land in om het te bewerken. De helft van het land was bouwland.

De Pool was krijgsgevangene en was al bijna 6 jaar op de boerderij en wou dolgraag naar huis.


Ik zelf voerde op de boerderij de koeien, want ik was daar nog maar een week toen de boer alles aan mij overliet.

De eerste avond zal ik nooit vergeten, de boer vroeg aan mij of ik met hun aan tafel wilde eten, en ik zei ja.
Ze waren katholiek en begonnen met het zingen van een lied en daarna gingen ze bidden. Dat was wel heel wat anders dan in die kampen, waar ze op je scholden en je ook geen eten en verschoning kreeg.

De Rus zat altijd wat apart, aan een klein tafeltje. De keuken was erg groot en je liep er op klompen in rond. Ik ben 6 weken op deze boerderij gebleven, van 15 maart tot 26 april. Toen kwam Rinse van de Meulen bij mij, het was 12 uur ’s middags en hij zei tegen me dat we door de Amerikanen weg konden komen en naar naar huis konden gaan.
Ik kende die jongen helemaal niet, maar hij was al bij Bote geweest. Ja, zei ik, dat is allemaal goed en wel, maar hier heb ik het erg goed. Ik moet eerst wat eten, en dan praat ik met de boer. De boer zei dat vier kilometer hiervandaan een Amerikaans kamp was, daar kon ik wel heen gaan. Als het niet goed leek kon ik altijd weer op de boerderij terugkomen. Hij gaf me 13 boterhammen mee, en ik ben toen naar Bote gegaan. Die keek verbaasd toen hij me zag. Hij vroeg me wat me mankeerde en of het me in mijn hoofd geslagen was. Ik zei hem, met je voet gaat het helemaal niet goed, ze hebben hier geen materiaal meer om je wond te verzorgen.
Bote kreeg hetzelfde verhaal van zijn boer als ik had gehad en kreeg ook brood mee.
Het was inmiddels 2 uur geweest toen we met zijn drieen daar liepen, op weg naar Ortmarsbocholt.


Halverwege ontmoetten we Foppe Dijkstra uit Sexbierum die we toen nog niet kenden. Foppe vroeg ons of Rinse uit Heerenveen ons overgehaald had om naar huis te gaan en hij zei dat de spoorlijnen nog wel gemaakt moesten worden. Verder zei hij nog dat een van ons toch wel erg slecht kon lopen.
Daar zou hij wel eens met de Amerikanen over gaan praten. Hij sprak ook Engels, want hij had 4 jaar in Canada gewoond. Hij was nu al 8 jaar in Duitsland en hij was veel ouder dan wij, 37 jaar, en hij had in Duitsland veel geleerd.

Toen we in Ortmansbocholt kwamen gingen we eerst met Foppe naar de Amerikanen toe, er was een Rode Kruis post. Ik werd daar zelf behandeld aan mijn open hak.
Bote moest na een paar dagen naar een chirurg omdat ze vonden dat zijn wonden er wel erg slecht uitzagen. Hij werd er met een Amerikaanse jeep heengebracht.

In Ortmansbocholt zaten we in een huis waar de Duitsers uit waren gevlucht, dat waren Nazi’s geweest. Later sliepen we in een boerderijtje in het dorp, in het hooi en nog wat later in de Kleuterschool.

Overdag ging ik met Hage-naar de boer om eten te bietsen.
We bleven daar 10 dagen, tot 7 of 8 mei 1945.
Toen zei Foppe dat we zondagmiddag om een uur zouden vertrekken. We moesten 10 kilometer lopen naar een boer waar Foppe gewerkt had.
We vroegen waarom we nu ineens moesten vertrekken, en Foppe zei dat hij wat ruzie had gekregen met de Russen, hij had hun wapens in de sloot gegooid.
We waren met zijn vijven, Bote, Arjen, Foppe, Rinse en iemand uit Leeuwarden, en zo gingen we lopend op weg.


Toen we bij die boer aankwamen kregen we koffie en brood. Foppe regelde alles voor ons. We konden die nacht tussen de koeien slapen, wat stro in het voederpad en daar konden we liggen met zijn vijfen. Rinse en ik moesten de volgende ochtend de koeien melken, Bote en die uit Leeuwarden konden blijven liggen, daar konden we toen toch niets mee.
We kregen ’s ochtends brood en thee.
We gingen weer verder, zo’n 15 – 20 kilometer lopen. We kwamen weer bij een Duitse boer, waar we in een hok konden slapen. Er was op die boerderij een Nederlandse knecht, uit Zwolle.

Toen we net wakker werden kwamen er twee wagens met paarden aan. We spraken die mensen aan, het waren Nederlanders. Ze zeiden dat ze stenen moesten halen van een fabriek, en ze zouden met een paar uur terug zijn en dan konden we met ze meerijden naar de grens.
We bleven in het gras zitten wachten totdat ze terugkwamen en in die tijd heb ik die Leeuwarder nog geschoren.
Maar ineens waren Foppe en Rinse verdwenen. Later bleek dat ze naar de Amerikanen waren geweest die daar een kamp hadden. Dat hoorden we pas toen we op die steenwagen zaten en zij er ook bij kwamen. Foppe zei dat we vanavond wel bij moeder hadden kunnen zitten. De commandant van het kamp had nog gevraagd of ze naar Harlingen moesten. Maar ze mochten vanwege de tijd niet meer terug om ons op te halen.
Daarom waren ze gebleven om met ons mee te gaan. Ik zei nog tegen Foppe Dijkstra dat ik dat heel wat vond.


Zo gingen we naar de grens, met een onzekere toekomst. Toen we bij de grens aankwamen was het donker, maar je kon in de verte het vuurwerk van Enschede zien.
We kwamen bij een boerderij aan, we wisten niet waar we precies waren. Foppe riep de Duitse boer uit zijn bed en vroeg waar we waren. Die vertelde dat we vlak bij de grens waren. We moesten langs een bospaadje lopen naar een groen veld, dan waren we op de grens.
Die grens moesten we dan zo snel mogelijk oversteken, want er werd naar mensen zoals wij uitgekeken om te gaan werken in Franse havens die helemaal kapotgeschoten waren.
Wat die boer vertelde klopte precies, zo kwamen we de grens over, en daar lag een grote weg die we over moesten steken. Dat ging niet zo gemakkelijk, want er reden veel legerwagens met lichten rond en dan zouden wij in het licht komen en dat wilden we niet.
We wilden niet weer opgepakt worden. Tenslotte lukte het ons toch om via een haag in het donker de weg over te steken.
Daarna gingen we weer een bos in, dat was ook niet zo makkelijk, er stonden allemaal boomstronken. Uiteindelijk kwamen we op een bospaadje dat misschien ergens naartoe zou leiden. Dat was ook zo, we dachten dat het een boerderij of zoiets was, waar we zouden kunnen slapen. Maar ineens werd er “Halt” geroepen.
Dat waren mensen van de Binnenlandse Strijdkrachten en die zeiden dat we zouden worden opgevangen, gecontroleerd op ziekten en ontluist.
We waren in Knalhutte terecht gekomen, vlakbij Enschede. We zijn daar een dag gebleven en daarna gingen we naar Glanerbrug, naar een klooster.
Daar zat het vol met mensen. We zijn ongeveer drie dagen in dat klooster gebleven, want we moesten op vervoer naar Enschede wachten.
Dat ging ons danig vervelen en Foppe ging naar de wachtpost om te regelen dat we naar huis konden gaan.
Ineens werd er geroepen dat Bote, Rinse en nog iemand gearresteerd werden. Ze moesten meekomen naar over de grens waar ze iets gedaan zouden hebben. Later bleek dat er niets aan de hand was.


De volgende morgen gingen we met de bus naar Enschede waar we werden opgevangen in een weverijfabriek die helemaal leeg stond. Daar konden wel 800 man in slapen. Daar werden we ook ondervraagd door een soort rechter.
Hoe ben je in Duitsland gekomen? Ik ben opgepakt.
Wie heeft je opgepakt? Ik kan niet op zijn naam komen.
Weet je die niet of wil je het niet zeggen? Ik zei toen dat mijn broer hier achter de deur stond en dat ik het wel aan hem zou vragen. Dat mocht en zo kwamen we uit de problemen. Het was Maus van Wommels.
Het was een strenge manier, maar zo vonden ze soms iemand die met de Duitsers geheuld had.
We bleven drie dagen in Enschede en toen konden we met de bus naar Leeuwarden, niet verder, naar de “Groene Weide”.
We stonden daar met drie man uit Harlingen en we moesten de rest maar lopen, wat we niet al te best meer konden met onze gewonde voeten.
We zagen daar als eerste de politie op motoren, met een oranje armband om. Daar was politieagent Bijlsma ook bij, de man die ons had ontvoerd.
We waren Foppe Dijkstra kwijtgeraakt, die zat niet bij ons in de bus, maar toen stond hij plotseling voor ons. Hij was hier met een kolenauto gekomen en was zwart van kolengruis.


Inmiddels was het 15 mei 1945, ’s middags om 5 uur. We gingen maar lopen, maar Foppe kwam in Marssum een bekende tegen die een vrachtauto had en ging met hem mee.
Er reden maar een paar auto’s en vrachtauto’s rond in die tijd. We kwamen bij Dronrijp aan en daar kwam een tractor aanrijden, met een wagen erachter.
Hij stopte en ik heb Bote er op geholpen en ben er toen zelf opgeklommen. Zo reden we naar Franeker, daar reed hij direct naar de Zuiderkade en wij lieten ons van de wagen glijden bij de confectiezaak Lemstra, aan het begin van de Dijkstraat, daar woonde toen onze veekoopman B. Bouwma.
Bij hem kregen we ons eerste eten van die dag, brood en spek en andere lekkernijen. Bouwma heeft toen opgebeld naar Achlum, daar waren er maar een paar die telefoon hadden.
Het bericht werd doorgegeven en ruim een half uur later stonden er vele mensen met fietsen in Franeker. Daar was mijn vader ook bij en we gingen met zijn allen naar Achlum terug.
Wat een welkom op het erf, het was groot maar het stroomde helemaal vol. Mijn moeder zei dat we eerst naar onze oude buurvrouw Sietske van de Pol – Dokter moesten, die stond helemaal achteraan. En maar handen schudden. Het was een hele opluchting dat we weer thuis waren.

De eerste nacht konden we bijna niet slapen, het bed was te zacht, dat waren we niet meer gewend.


Het ergste van het jaar was dat we weinig te eten kregen en dat we niet naar huis mochten schrijven of telefoneren.
Mijn ouders wisten niet waar we waren, we verhuisden daar ook veel. Je kon je bijna nooit wassen en schone kleren was er helemaal niet bij. Door dit alles zaten we onder de luizen, waarmee je dan weer mee gepest werd.
De hele toestand was slecht, en ook geestelijk ging je er kapot aan. Je reageerde niet meer en daardoor gingen sommige dingen fout. En dan was er altijd de angst en de vraag, hoe overleef ik dit allemaal. Dit soort verschrikkelijke dingen vergeet je nooit weer.

Dit was maar een kleine schets van het leven tijdens 1 jaar in Duitsland. Het was een jaar om nooit te vergeten.
De waarde van een mens was helemaal weg en je was alleen maar een nummer, No 10819.

Nu houd ik maar op met schrijven want het meeste is al verteld en ik ben geen schrijver, anders kwam er nog veel meer op papier.