Mijn reis naar het verre westen van Amerika

VI

Wij zaten dus op ‘t karretje zonder te weten wat er zou komen. Na een kwartier rijden werd halt gehouden. Wij stapten af en bevonden ons aan ’t hotel, dat er van buiten vrij goed uit zag. Ook in de gelagkamer viel het niet tegen. Daar zaten enkele gasten of buren. Toch gevoelde ik er mij niet recht op mijn gemak, zoo bitter weinig notitie werd er van ons genomen. Wij waren toch gasten of klanten en men had ons afgehaald, dus moest men ons ook wel ter wille wezen. Zoo gaven we den waard te verstaan, dat we na onze vermoeiende spoorreis nog gaarne iets “warms” wilden gebruiken, ‘t zij eten of drinken, thee of koffie. Maar dit leek er niet naar. Er was niets van dien aard te bekomen en wij hadden dus ons met louter koud water tevreden te stellen.

Alsof we gevangenen waren!

Acht uur was het al tap toe. Na dat uur werd er niet meer gekookt of geschonken.

Zoo wijs maakte ons de waard.

Dit scheen wel een Duitscher van afkomst en met hem viel nog een enkel woordje te spreken. Maar spraakzaam was hij niet, al evenmin als de drie kornuiten, met wie hij ging kaart spelen, en zijns groote dochters, die af en aan liepen.

Eén hadden we ook al eens “gepraaid”, maar deze deden niet dan lachen en ontweken ons maar liever. Waar de zaken negeren, was maar het beste, dat we spoedig naar boven en ten ruste gingen. Wij waren doodvermoeid van de reis en “sliep nedich” Een verkwikkende nachtrust volgde op uitstekende bedden en ’s anderen morgen is verschenen we aan een welvoedende disch, die evenwel niet bizonder in mijn smaak viel. Ook dien middag niet. Te veel tomaten, een uiterlijk prachtige vrucht, die men er veel gebruikt bij het bereiden van soepen en sauzen en waaraan men moet gewennen om ze lekker te vinden. Mij stonden tegen en het taaie vleesch beviel mij ook niet, net zo min als de sinaas’appels,die zuur bleken te zijn.

 

x  x

x

 

‘s Morgens na’t ontbijt zaten we onder de veranda bij het hotel te praten. Een man in “Akelig habyt” stond in onze nabijheid. Hij keek naar ons, kwam nader en nam een luisterende houding aan. Nog min of meer onder den indruk van den vorigen avond, die zooveel onrust had gewekt, hadden we het niet op hem begrepen. Wat zou hij toch in zijn schild voeren. Wij deden alsof wij hem niet zagen, dochs allengs kwam hij zoo dicht bij ons te staan, dat ik opzag en hem in zijn gezicht keek, waarop hij tot mijn niet geringe verbazing den mond opende en leuk weg zeide: JIMME BINNE FRIEZEN AS IK ’T WOL HA! Wel een kwartier lang hebben we over allerlei zaken met hem gepraat. Hij noemde mij ook naam en afkomst, vertelde dat hij zoowat de enigste Fries was in die omgeving en dat hij een groote boerderij dreef. 40 ossen weidde, 50 varkens mestte en bovendien nog melkerij had. Zijn farm besloeg 160 acres en ’t een zowel als het ander, was onbezwaard eigendom.

Hij woonde er al vele jaren.

“Amerikaansche bluf” dacht ik, te oordelen naar zijn uiterlijk, en ik was blijde dat hij heen ging, doch even later zagen we hem rijden met een prachtig tweespan en ik werd overtuigd, dat ik den man geheel verkeerd had beoordeeld. Dat was alweer een gevolg van het wantrouwen den vorigen avond gewekt. ’t Speet mij toen zeer dat ik niet wat toe schieterlijker en vertrouwelijker was geweest tegen den landgenoot in den vreemde, die blijkbaar louter uit nieuwsgierigheid en belangstelling tot ons was gekomen.

Naar zijn taal te oordelen was het een “Waldtsjer”, uit het zuiden van Friesland, doch zijn naam is mij ontschoten. Op mijn vraag waarom de plaats Schotland heette, zeide hij: dat er veel Schotten woonden en dat deze vermoedelijk de eerste bewoners waren geweest. Thans vond men er ook veel Russen, Polen en Duitschers. Onder de eersten waren enige uitgewekenen van den laatste tijd

 

x  x

x

 

In den avond van 25 mei kwamen we te Springfield aan. Te Tindal waren we nog eens van trein verwisseld.

Eindelijk. ’t Was donker, al een uur of acht negen. Maar ze waren er gelukkig, de familieleden, om ons af te halen. Tjitske Bloembergen en de kinderen vonden man en vader, dèr siert ùs heit! riepen de kinders verheugd, wij den zoon en zijn echtgenote met de kinderen. Over en weer blijdschap, vragen en antwoorden.

Spoedig ging elk zijn weg. Boelstra de man van Tjitske, woonde kort bij het station en gingen te voet. Wij moesten een kwartiertje verder en werden per rijtuig afgehaald. ‘t Was al de derde avond dat ze bij de aankomst van den trein waren geweest en ons hadden verwacht.

Op weg naar huis werden we al dadelijk aangehouden door Friezen, die wisten dat Mr Palsma en echtgenote op komst waren. ’t Had deftig in de courant gestaan, in de Vrije Hollander, die in onze taal gedrukt wordt. Ik heb dit blad later vaak gelezen. Daarin worden geregeld familiebezoeken medegedeeld, die elders gemaakt of hier gebracht, worden met de naam er bij van de personen en hunne woonplaatsen. Zelfs ziekenbezoeken ziet men vermeld.

Van ons stond er geschreven, dat wij plan hadden er eenige weken te blijven. Dat vond men zeer bisonder. Mogelijk is het nooit eerder vertoond, dat de “ùtfanhûzers” zoo ver weg kwamen. Mede om die reden stond men ons die avond zeker al op te wachten aan den weg. Daar had de eerste begroeting plaats met een ‘tot morgen’. Kort duurde het oponthoud en dan bevonden we ons op de heiming der boerderij van mijn zoon Lou, ginds Lee geheeten.

Hoewel donker, keek ik met nieuwsgierige blikken tegen’t huis op en zeide: “dat hie ‘k grutter ferwachte!”. Mijn zoon antwoordde: “dat scil heit moarn by dei wol hwat tafalle

Hij spreekt de Friesche taal nog even goed als voor 15 jaar, bij zijn vertrek. In huis gekomen werden we als “gasten” ontvangen.

Wij hebben dien avond nog druk gepraat over veel en velerlei en ‘t was al na middernacht toen we ter ruste gingen. In den gewonen regel is men daar veel vroeger. Maar dit was een feestavond zal ik maar zeggen.

Een flinke slaapkamer met een net gemeubileerde zitkamer kregen we ter onzer beschikking. Dat werd ons tijdelijk verblijf. Daar waren we vrij en bij de familie.

H.L. Palsma
rustend landbouwer te Leeuwarden