Mijn reis naar het verre westen van Amerika

V

Den eersten nacht zijn we doorgespoord en ook de volgende dag. ’s Avonds negen uur arriveerden we in Chicago. “Allen uitstappen!” klonk het op z’n Engelsch. “Holandisch” zeide ik tot de conducteur en hij gaf mij de wenk “zitten blijven”. Dra kwam er iemand tot ons, die verzocht hem te volgen. Deze bracht ons in ‘t station, alweer met den wenk: wachten! Even later geleidde hij ons naar een rijtuig en daarmede zijn we toen zeker wel een uur lang door de drukke stad gereden, om eindelijk afgezet te worden aan een ander station, waar alweer iemand gereed staand om ons “in ontvangst te nemen” zal ik maar zeggen, want onmondig als we waren, hadden we weinig te koop.

Geen van al die helpers taalde naar een fooi. Kennelijk was het “dienst” en ik moet zeggen, dat zoo’n “dienstregeling” allen lof verdeint. Alles ging even hulpvaardig en accuraat.

Zoo reden we die nacht weer verder en even als te voren, werden aan alle stations, waar we stilhielden, personen uit- en ingeladen. Daarmede was het ’s nachts al even druk als den daags. Dat werkte wel een beetje storend op den slaap, maar het slapen ging toch al niet zo best. Men werd zoo duizelig in het hoofd van dat gestadig roeien in de veerende leuningbank, waar nog bijkwamen de schommelingen van den trillingen of schuddende trein. Ook werkten al die ongewone gewaarwordingen van de dag niet gunstig op de nachtrust, want telkens kregen weer wat anders te zien in de verschillende Staten die door spoorden. Wij stoomden over bergen en dalen, bruggen en rivieren, door uitgestrekte bosschen en eenzame streken, langs groote steden en stinkende petroleumvelden. “Als hier brand mocht komen staat het er slim voor” dacht ik zoo, want uren ver langs de lijn zag men van die reusachtige ketels, gelijkend op die van onze gasfabrieken en daarnevens motorpompen in krachtige beweging. Overal zag ik den vetten vuile bodem gedrenkt met petroleum en als die ook in vlammen opgaan, dacht ik.

Over al de wonderen, welkte de natuur hier te aanschouwen geeft in haar oneindige verscheidenheid kan ik niet uitweiden, ik weet er geen woorden voor te vinden. ‘t Is alles groot en grootsch en ook over de wonderen welke menschen weten te wrochten om tot hun doel te komen, moet ik schrijven. Gjin slimmer gud as minsken, hoort men wel eenszeggen en ‘t is waar, ze weten overal zet op. Ze stoomen over de bergen en door de bergen, onder en boven de grond, over schuimende wateren en diepe afgronden, rechtop het doel aan. Ik had er wel over gelezen, maar met eigen oogen zien is nog wat anders. Wat gevoelde ik mij klein in deze wonderwereld, die wij doorvlogen.

Aan ‘t boerenbedrijf en eigen gewest werden we af en toe ook herinnerd door prachtige weiden met koeien en schapen bezet.

 

x  x

x

 

“‘t Spant er om it krekt te rooyen” als ’t gaat met de trein over afstanden van dagen en nachten.

Van Dinsdagavond 6 uur tot Donderdagavond omtrent 9 uur hadden we aan één stuk doorgespoord — behoudens het eindje door Chicago met rijtuig naar de trein van een andere lijn — en dan begint men naar het einde te verlangen, te meer als men de hoop heeft gekoesterd spoedig ter plaatse en aan het einddoel te wezen. Hoe nader we kwamen, hoe sterker het verlangen werd.

Volgens de dienstregeling van het spoor konden we dien avond (Donderdag) te Springfield arriveren en in onze gedachten zagen we familie al aan het station om ons af te halen en te verwelkomen, doch bitter werden we teleurgesteld in onze blijde verwachtingen, toen de trein aan een station stilhield en wij de verwachte aanzegging kregen om allen uit te stappen.

Waar we waren wisten we niet, wel dat het geen Springfield was, waar we moeste wezen.

’t Was donker en in ’t donker krijgt men licht donkere gedachten, vooral in een vreemd land en met de wildernis in ‘t hoofd, die we pas waren doorgespoord. Wij bevonden ons in een streek van afzienbare prairievelden en ‘t leek zoo spookachtig buiten de trein, dat Trijntje Bloembergen al zei: ik gean er net ut!

Daar had ik wel een beetje schuld aan, omdat ik mij wel wat onnadenkend had ontvallen: “dat liket hjir wol in rovershel!”

Dat meende ik nu wel niet zoo ernstig, maar toch gevoelde ik mij niet op mijn gemak. Zoo had niemand onzer het verwacht en wij hadden nog al het een en ander te verliezen, als het eens “gjin goed spul” mocht wezen Men kon nooit weten “sa poer yn é fremdte”. En dan in Amerika, waar men bij ’t lezen van de nieuwsbladen vaak zulke sterke stukken niet vertonen.

Wij moeten dus uitstappen. De trein ging dien avond niet verder en later bleek ons, dat de aansluitende trein naar Springfield, wegens onze veel te late aankomst, was vertrokken en wij bijkans een vol etmaal moesten wachten.

Het station, waar we ons bevonden, heette Schotland. Wat dit voor een land of stad of dorp of streek mocht wezen, wie zou het ons zeggen en ik wil wel eerlijk bekennen, dat ik mij niet op mijn gemak voelde en dat mijn onrust nog voortduurde, toen men ons in een plat karretje met twee paarden er voor had opgenomen met bagage en we holderdebolder voortreden in ’t duister, de koetsier voor ons en de kastelein achter ons op het karretje, zoo ’t heette…… Naar ‘t hotel! Dat moesten we gelooven, maar wanneer ze met ons de prairie waren ingereden, dan hadden we daar bitter weinig tegen kunnen doen. Wij waren zoo goed als overgeleverd en hadden ons noodgedwongen te schikken in ‘t geval, dat door mijn echtgenoote nog al kalm werd opgenomen, die zich bemoedigend liet horen, vooral tegen Tjitske.

Die gedachte kwam ’s morgens nog weer boven… doch, laat ik eerst vertellen hoe het dien avond met ons is afgelopen.

Voor dezen brief wordt dat verhaal te lang, daarom tot volgende week.

H.L. Palsma
rustend landbouwer te Leeuwarden