Mijn reis naar het verre westen van Amerika

XX

De huizen van hout hebben ook houten dakpannen en voor de ramen ziet men jalouzieën of sonnet linden.

Dan heeft men zoogenaamde schriendeuren met blauw ijzergaas er in, die men kant en klaar in de stad kan kopen. Zij dienen om de muskieten of vliegen buitenshuis te houden, want dat is een bizonder lastig volkje hier, en tevens om de frissche lucht vrijen toegang te geven, zoo bij dag en nacht, want het kan er zeer warm zijn in die houten huizen.

De Friesche kap zou hier ook te warm zijn, en ik hoorde, dat er maar één vrouw is, die het oorijzer nog in eere houdt.

Om de boerderijen vindt men gewoonlijk een mantel geboomte. De opgaande boomen hadden in de groeiwijze veel van ijpen of olmen, maar de stammenwaren geelachtig en zoo glad als een tafel.

Acacia’s zag men er veel, maar lindeboomen waren zeldzaam. Mijn zoon had er een geplant bij zijn huis en bizonder veel moeite gedaan met nathouden van den stam, om hem aan de gang te krijgen, maar ‘t is hem niet mogen gelukken.

Wij gaan nu een uitstapje maken landwaarts in over hoog en laag naar den farmer Filip Odens. ‘t Is en half uutje rijden, maar dat is gauw genoeg gedaan, als men, zoals overal onderweg zich bezig kan houden met de beschouwing van het landschap, en dan maakt men als van zelf vergelijkingen.

Ditmaal wil ik eens op de wilde bloemen wijzen, waarmede de wegen en velden zijn versierd. Het is een lust der oogen.

Bovenaan staat de zoogenaamde Alpen-bloem, lichtgroen met sneeuwwit. Heele velden pronken daarmee en zij verspreiden een heerlijke Koffiegeur. Ik heb, der kinderen gelijk, er een tak van meegenomen, doch het is geen blijvend schoon geweest, gelijk zich wel laat denken.

Dan ziet men er de zonnebloemen in’t wild en vele andere bloemen, dien ik geen naam kan geven en die dus niet neaer weet aan te duiden. Daaronder bevonden zich ook de zoogenaamde Chineesche ballons, die men hier wel voor de bloemwinkels ziet. Misschien kent ge die tooverkleurige bolletjes wel, die zoo lang mooi blijven in den winter, evenals de gedroogde jadaspenningen. Ze waren er volop. Ook zag ik langs de wegen vele wilde planten groeien en bloeien, waaronder spinasie, postelein en meer kan dat soort groenten, maar geen veldbloemen, waarmede hier het grastapijt is versierd. Geen koe-, paarde- en pinksterbloemen, geen weideklavers, geen veelsoortige grassen of watergewassen, waarmede de Frieschen weiden en wateren pronken, vindt men in de landsdouwen ginds, waar het harde prairiegras overheersens is. De scherpe bloeistengel van dit gras kan gevaarlijk zijn voor het vee, waarom het of voor of na den bloei wordt gemaaid. Wel heeft hier tamme grassen en klaveren, maar die worden gezaaid nadat het land is omgeploegd.

Van één bloem moet ik nog melding maken, die mijn vrouw van af den wagen gaarne geplukt wilde hebben en toen aan dat verzoek was voldaan, bleek het de ook hier wel bekende “blauwe stekel” te zijn. Nu dient gezegd, dat deze raak-mij-niet-aan er verleidelik kan uitzien en inderdaad wel mooi is, maar wij lachten toch om het geval.

Wij zouden waarlijk haast vergeten op weg te zijn naar Odens, een welvarend landbouwer, die een eigen farm bewoont van goede kwaliteit land.

De vrouw van Odens, of liever hare moeder, is nog van Friesland afkomstig. Er woont nog een zuster van de moeder te Wommels, namelijk de vrouw van Douwe Sjoukes de Groot, landbouwer aldaar. De moeder van vrouw Odens woont, meen ik, te Hul en wij hebben nog een uitnodiging gekregen tot een bezoek, waarop we ook plan hebben gehad, doch het is er bij gebleven.

Men zou ons anders met de auto hebben afgehaald, wel een bewijs, dat men er met den tijd meegaat, ja er zijn dan ook wel boeren, die telefonisch verbonden zijn zoo onderling als met de stad.

Nog hebben we een tegenbezoek gebracht bij A. Hoitsma, die nabij Oldenkamp een mooie boerderij aan de weg bewoont. Hij is voor de tweede maal getrouwd, en wel met een Gelderse vrouw, dochter van een kapitein.

Deze Hoitsma is voortijds werkman te Franeker geweest en bezit nu 240 akkers grootendeels best bouwland en bovendien nog twee flinke huizen in de stad Springfield.

Het is een krasse boer en “om hûs en hear wie ‘t allegearre allike kreas en opredden

Hij is nu 25 jaar in zijn tweede vaderland en in dien tijd een welgesteld man geworden, die zich ook lichamelijk nog in den besten welstand bevindt en zich kan verheugen in het bezit van eenige kinderen.

Ik herinner mij een aardigen uitval van hem. “Leeft de politieagent Haagsma van Wommels nog?” vroeg hij leukweg –“Ja” zeide ik, “die is nu gepensioneerd. Maar waarom vraag je dat zoo?”- “Wel”, zeide hij rondweg, “ik ben wel eens met jachtgeweer op verboden terrein geweest en Haagsma kon zoo hard loopen! Dat zijn van die zaken, die je nooit vergeet. Breng hem nu mijn groeten maar over”.

H.L. Palsma
rustend landbouwer te Leeuwarden

 

N.B. omtrent de familie Hornstra is eene misstelling begaan. Er zijn geen kleinzoons, maar twee groote zoons in huis, welke de boerderij drijven, terwijl de 77 jarige vader het huishouden regelt.