(1829) Kike en Hette nei Hallum

Ik had in de courant gelezen, dat er een plaats onder Halllum te huur was, op de Noordermieden, en onze knecht kende die als een beste. Toen ik in de courant zag dat er nog tijd was ons in den weg te stellen, kreeg ik een aanwijzing in mijn gemoed dat die plaats onze bestemming was. Ik sprak er met mijn vrouws vader over, en die ried ons aan om de plaats terstond te bezien, hetgeen gebeurde. Intusschen deden de eigenaars van onze plaats al het mogelijke om ons te bewegen toe te geven; doch het vermocht niets en wij bleven volharden in onze overtuiging, en mijne vrouw nog wel zoo sterk als ik./…/ s. 44

hettemawierdsma6
Wierdsmastate op ’e Noardermieden ûnder Hallum
(foto: Argyf Gerben Kooistra, de boer dy’t der no op buorket)

De húshâlding ferfart âlde maaie 1829 nei Wierdsmastate op ’e Noardermieden ûnder Hallum (no Noardermiedwei 10).
Dêr komme Hette en Gryt wer tsjinoer de hurde feiten fan de yninting te stean.

In het eerst ging alles heel voorspoedig, en alle bezwaren werden zonder moeite opgelost. Het geld dat wij noodig hadden, om onze nieuwe en veel grootere plaats behoorlijk in te richten, werd ons gedeeltelijk aangeboden door een welmeenende vriend die ons, enkel op vertrouwen 1500 gulden leende.
Mijn neef, die tegen zijne overtuiging in, ons had moeten verdrijven, liet ons ook in vertrouwen het geld van zijn vader behouden. Mijn schoonvader leende ons 1800 gulden tot voorschot; zoodat wij 55oo gulden, geleend geld, in onze boerderij gingen zetten. Dit was wel wat gewaagd, maar het ging alles zoo gemakkelijk, dat we duidelijk konden zien, dat Gods Voorzienigheid met ons was. s. 44-45
Den 12den mei 1829 vertrokken wij naar de bestemde plaats en begonnen onze boerderij, door ’s Heeren goedheid, in welstand. Spoedig kwam ik alweder in strijd met de pok-inenting. Ik zond mijn kinderen te Wanswerd naar school, welke plaats het dichst bij was. Een vierendeels jaars ging dat goed; maar op zekeren dag kwamen onze kinderen uit school vluchtende thuis, als of de dood hen op de hielen zat. Wat was er gebeurd? De dokter was in de school gekomen, om de nog niet ingeënte kinderen te vaccineren. Van dat oogenblik af hield ik de kinderen thuis; en hoewel de meester niets onbeproefd liet, om mij tot een andere overtuiging te brengen, werden we meer en meer van het tegenstrijdige der inenting overtuigd, ook door hetgeen Dr. Capadoce daarover geschreven had.
In christelijk geloofsvertrouwen volhardden we dus in ons gevoelen, en nooit heeft dan ook weder een van de negen kinderen, die we grootbrengen mochten, de openbare school bezocht, terwijl ik tot roem van Gods genade en goedertierenheid mag getuigen, dat niet een hunner is beroofd gebleven van het noodzakelijke, om zich in den burgerstand te kunnen redden.

De doarwarders
Tot zoover waren wij staande gebleven, maar er was nog een weg van beproeving ophanden, die niet door menschen maar door ’s Heeren hand veroorzaakt werd. Wij moesten wel in ’t bizonder deelen in de tijden van tegenspoed. In de jaren 1830 en ’31 viel er veel regen en was er zulk nat weder, dat niet alleen veel hooi op de landen verrotte, maar ook de galziekte woedde kwaadaardig onder het vee. Dit was niet alleen zoo onder de schapen, bij welke dit meermalen voorkwam, maar ook onder de koeien, zoodat we in één jaar dertien koeien aan de gal verloren. Dit drukte ons zwaar, daar wij hierdoor veel schade leden in ons gemaak. Hierbij verloren we onze geheele kudde schapen, 40 à 50 in getal; er bleef niet één over. Hierdoor raakten we achteruit in het betalen der huur; en nu kwam weder, gelijk dit vroeger ook al eens het geval geweest was, de gewetensvraag in mij op: hoe zijn wij hier gekomen? Deze vraag benauwde mij somtijds, als ik bedacht, dat ik mij wellicht in den weg vergist had.
In de eerste jaren werden wij door den voogd, van wien wij de plaats gehuurd hadden, nog al getroost. Maar toen wij in het derde jaar meer dan 2000 gulden ten achteren waren, sprak hij ons drfingend aan om volledige betaling der huur. Mijn schoonvader vond er bezwaar in ons te helpen, en wie zou reden kunnen vinden hem dit kwalijk te nemen? Zoo liep alspoedig de zaak vast en werd ik rechterlijk aangesproken om de zaak te likwideeren. Daar ik bij niemand hulp krijgen kon, werd door twee deurwaarders onze geheele boedel in beslag genomen. Wij hadden bij niemand schuld dan alleen bij den landheer, en de boerderij stond geheel informa, zooals het behoorde. We hadden bij de vijftig koebeesten op stal in volle fleur, zoodat de deurwaarders verbaasd stonden over zulk een boedel. Doch daar alle hulp afgesneden was en de advocaat Albarda dreigde voort te zullen gaan om ons in rechten te vervolgen, konden we niet anders denken, dan dat wij op het punt stonden van meer dan arm te zullen worden. s. 46-47

Hette twifelet
Daar mijn gansche levensweg in het stuk van de vaccine begrepen was, begon ik te twijfelen, of ik in deze zaak wel recht handelde. Dit bracht mij tot ernstig onderzoek, en ik bad den Heere, dat Hij mij licht mocht schenken, om te weten wat ik al of niet naar Zijn welbehaaglijken wil in dezen gedaan had. Het behaagde den Heere onze smeeekingen te verhooren;ik mocht met den psalmdichter betuigen: ‘’ was uitgeteerd, maar Hij zag op mij neder’; daar de Heere mij zooveel licht gaf in de zaak der vaccine, dat de inenting niet gepaard kon gaan met een onbepaald geloofsvertrouwen, en dus niet ’s Heeren goedkeuring wegdragen kon. Ik werd hierdoor zóó gerustgesteld, dat, al moest ik ook voor mijn geheele leven arm worden, ik wist dat we in den weg des Heeren waren, zoodat daardoor het drukkende van mijn kruisweg aanmerkelijk verlicht werd, al was het ook dat de weg nog donkerder moest worden.
Er werd gebruik gemaakt van het recht. De plaats werd voor de overige jaren publiek te huur geveild. Dit geschiedde tot tweemaal toe; maar de uitvoering der zaak werd kennelijk verhinderd, daar er tot beschaming toe niet één huurder kwam opdagen.

hettemakronyklc1832
Advertinsje yn ’e Ljouwerter Krante fan 20 maart 1832

Benaud lot yn ’e lotterij
Ik behoef mij niet te schamen om in ’t openbaar te betuigen, dat we algemeen geacht werden als brave burgers in de maatschappij, zelfs bij vijanden der waarheid. Mijn buurman kwam mij aanraden, om mij zoveel mogelijk te redden door zooveel van den boedel te verbergen, als ik kon. Maar dat was ons om het oneerlijke van de zaak, onmogelijk; neen, dan maar liever arm. Later kwam hij met een andere listige verzoeking, en wel om in de loterij te gaan spelen. Hij wees mij op het voorbeeld van een braaf man, die daardoor geholpen was. Nu was ik altijd tegen de loterij geweest; maar door gedurig daaraan te denken, werd ik gemeenzaam met die zaak, en men kon immers niet weten welke middelen de Heere wilde gebruiken tot uitredding van Zijn volk. En daar in mijn hart een geheime hoop lag dat de Heere redding geven zou, peinsde ik er zoolang over om in de loterij te spelen, dat ik eindelijk meende, dat dit Gods goedkeuring zou wegdragen.
Zoo nam ik dan een lot in de staats-loterij. In den eersten tijd kon ik nog al gedwongen bidden, dat God er zegen op mocht geven; maar het werd mij hoe langer hoe meer benauwd om het hart, en toen eindelijk mijn nummer er met een
niet uitkwam, was ik zeer verblijd. Dit was een weg van verzoeking, maar ook tot leering voor mij./…/

Hoe mijne vrouw en ik dien winter hebben doorgebracht, kan ik niet beschrijven. Onze toestand was wel drukkend voor het vleesch, maar onder alle dingen werden we getroost door de zekerheid, dat we in den weg des Heeren waren, en zeker verwachten mochten, dat Hij voorzien zou, gelijk het ook eindelijk gebeurde. s. 48
Daar het merkbaar verhinderd werd de plaats te verhuren, werden zes weken voor Mei de harten geneigd tot het beramen van plannen, tusschen onze wederkeerige familie-betrekkingen. Toen alzoo ’s menschen raad ten einde was, werd het des Heeren tijd om te werken. Na veel beraad werd er een nieuw akkoord getroffen, waarbij wij voor de 4 jaar huur 1000 gulden verlichting kregen. Onze bloedverwanten zouden het achterstallige aanzuiveren en dit werd ons, ofschoon wij de gemaakte onkosten, ten bedrage fvan f 600.- moesten betalen, ten voordeel. Van toen af heeft de Heere gezegend en het zóó gemaakt dat wij, ofschoon ik nog met vele bezwaren op min levensweg te worstelen hebben zou, sedert dien tijd onze groote schulden konden afdoen, zoodat er geen stuiver onbetaald is gebleven, zoowel aan familie, als aan vrienden en vreemden./…/ s. 49
In het laatste jaar huurde ik de plaats weder in voor 7 jaar; /…/Ik was hierover zeer verblijd, maar met mijne vrouw was het geheel anders. Die was gedurig bezwaard over de omstandigheden, ofschoon zij er geen reden voor wist op te geven.

It gemoed fan Gryt
Het ging nu alles weder gezegend; ik kon dus ook dezen toestand niet begrijpen, maar schreef het toe aan haren lichaamstoestand, daar zij eerstdaags weder een kleine verwachtende was. Wat het gemoedsleven mijner vrouw betrof, verkeerde zij volstrekt niet in een droefgeestige stemming, maar was doorgaans belangstellend en opgewekt. Zij deed soms ’s zondags nog al groote reizen met mij om rechtzinnige predikante te hooren, zoals Ds. v. Velzen te Drogeham, en toen later die predikant, alsmede Ds. de Kok  te Ulrum, om der waarheid wil vervolgd en verdrukt werden, deelde zij daarin met nog meer belangstelling dan ik. Zij streed moedig voor de waarheid, en was mij vooruit dit openbaar te bewijzen, bij de gelegenheden die ons daartoe geschonken werden. Hierdoor toonde zij beslist den strijd te hebben aanvaard, en liever met Mozes kwalijk gehandeld te willen worden, dan de schatten der wereld te bezitten. s. 50

Begekke en bedrige
In het jaar 1835 was Ds. de Kok op zekeren Zondag te Leeuwarden om daar te prediken in het huis van J. Meijering. Ik was daarmede in kennis gesteld, daar ik met Meijering veel veel broederschap hield.

320px-Hendrik_de_Cockcock
Ds. Hendrik de Cock (Veendam 1801-Grins 1842) Nederlâns Herfoarme dûmeny te Ulrum (yllustraasje internet)

Dizze De Cock – syn famylje is betiden wol even oars – is otterdoks-kalvinist, hy leit de klam op de erfsûnde – en op folle mear. Dat wurdt him net yn tank ôfnommen. Troch syn krityk op kollega-dûmenys wurdt er skorst en út syn amt set, tsjin de wil fan syn eigen tsjerkeried yn.

Hy, en syn folgelingen mei him, skiede har ôf op 13 oktober 1834. De Cock giet foar trije moannen de gefangenis yn fanwegen rêstfersteuring. Yn koarte tiid rint it oantal fan syn meistanners yn noard-Nederlân yn ’e tûzenen.
It fromme folk rint fier mei him wei en rint him letterlik achternei. Hette ek.
Is ‘folgeling’ eins wol in goede beneaming yn dizzen? De foargonger en syn folgelingen, de hoeder en syn skiep, binne yn dizze beweging oer it generaal lju dy’t sels elk foar oar neitinke – en yn geastlik opsicht eigen wegen oer en wer begeanber meitsje. Dy folgelingen binne sadwaande yn dat opsicht gjin ‘skiep’ dy’t mar klakkeloas achterinoaroan sûnder op noch om te sjen itselde smelle paad betraapje.
Neat tenei sein oars fan dy skerpe skiepkes en har lamkes, dy’t yn it lân mar al te goed witte wat se dogge – de diken en greiden kreas keal hâlde.

Mijne vrouw had een sterk verlangen derwaarts te gaan; maar ik was wel wat beschroomd, daar men niet alleen bij dergelijke gelegenheden hoorde van bespotting maar ook van belediging. Wij reisden echter naar Leeuwarden. Toen wij bij het huis van Mijering kwamen, waren daarbuiten al eenigen van het ruwe volk verzameld. Wij dachten zoo het huis binne te gaan, maar de deur was gesloten. We klopten aan, maar kregen geen gehoor, daar de vergadering boven op den zolder gehouden werd. Terwijl wij daar stonden, werd het gemeene volk al talrijker voor het huis en hoorden we allerlei scheldwoorden, bespottingen en bedreigingen. Doch wij gingen stil weg zonder iets te zeggen en zochten bekende vrienden op, die ons in huis namen tot ’s namiddags toe. Dien middag werd er weder door  Ds. de Kok gepreekt, en wij waren mede onder de toehoorders; gelukkig liep dit zonder beleediging af. Dit was de eenige keer dat mijn vrouw Ds. de Kok kon hooren, wijl haar levensstrijd bijna vervuld was, dat haren indruk van dood en hel zoo spoedig reeds werkelijkheid worden zou. s. 50-51

Kike siik
Het was in het begin van Nov. 1835, dat wij op zekeren namiddag, na de anders drukke werkzaamheden, een weinig rustig bijelkander zaten. Wij spraken met opgewektheid over onze eeuwige belangen, en werden er bij bepaald hoe wij van het oogenblik af, dat wij elkander hadden leeren kennen vereenigd waren geweest in belang voor de eeuwigheid. Ook spraken wij over de wegen die de Heere met ons gehouden had van den tijd onzes huwelijks af, enwelke weldaden de Heere ons geschonken had, niettegenstaande de vele tegenspoeden en beproevingen, en hoe dat nooit eenige twist, maar altoos liefde en eendracht in het natuurlijke, maar bovenal in het geestelijke, tusschen ons tot nu toe geheerscht had. Toen wij dienzelfden avond bij elkander zaten hevige ziekte volgde, waaraan zij den 4den December overleed. s. 51
Zij was in haar leven zeer voorbeeldig en nauwgezet in den godsdienst, maar ondervond veel bestrijding in hare hoop, daar zij voor zelfbedrog vreesde. Altijd was haar zeggen: het moet waarheid in het hart zijn. In het begin harer ziekte had zij nog al met dien strijd te kampen; maar later gaf zij met groote vrijmoedigheid rekenschap van de hoop, dat zij als een groote zondares geloofde dat Jezus haar verlost had. Toen ik zag dat haar einde begon te naderen zag ik zooveel heerlijkheid in haren dood, dat ik verlangde met haar te sterven. Ik zeide dat ik haar spoedig volgen zou. Werkelijk dacht ik ook dat het zoo zijn zou. Ik zag haren overgang van den tijd in de eeuwigheid, van alle smart en droefheid verlost en daarbij het ingaan in de vreugde des hemels. Dit alles scheen mij zoo nabij te wezen, alsof het nog slechts een oogenblik duren kon. Dit waren de laatste woorden die ik in ’t bizonder tot haar spreken kon. Zij kon niet meer spreken; een korten tijd daarna ontsliep zij zacht in het volle geloofsvertrouwen op haren Heer en Zaligmaker.
De Heere gaf mij zooveel tegengift in mijn smart dat zelfs de zeer nauwe huwelijksband voor mij werd losgemaakt, daar de onverbreekbare band des geestes alles overtrof; en de kortheid waarmede mijne ziel vervuld werd, verzachtte ook mijn druk zeer veel./…/En hoewel droefheid mijn hart vervulde bij het gemis van zulk eene dierbare vrouw, zoo was tegelijk blijdschap des harten mijn deel over haar zalig heengaan. s. 52-53

Heites neibijheid
Gryt har heit, Doeke Wigers Hellema, docht wiidweidich ferslach fan har sykte en ferstjerren yn syn deiboek.
Yn syn neilitten skriuwen lit Doeke him kenne as in heel oar man as syn skoansoan Hette: gemoedlik, myld en evenredich, net wetich. Doeke skriuwt:
21 novimber: Bevorens den 13 kregen wij berigt: dat onze dogter op Hallumer mieden zeer onpasselijk ware, en indien het erger wierd, dat men ons daarvan zoude berigten. Een hunner zoontjes kwam ons den 17 berigt brengen dat zijne moeder erger wierd. Ik trok ’s avonds met hem in het Hallumer schip derwaarts, en bevond haar in een bedenkelijken toestand, ik waakte ’s nachts bij haar, en ’s anderen daags den 18 ’s avonds om 8 uur verlostte zij door hulp van den chirurgijn en vroedmeester P. Gosling te Hallum van een ontijdig, dog levendig zoontje, sedert schikte zich haar toestand tot beterschap, althans toen ik haar den 19 ’s morgens verliet en naar huis trok; gister den 20 berigte mijn zwager [=skoansoan Hette] haar man, dat zij beterde , maar zoo zwak ware: dat zij zich naauwelijks konde bewegen. Mijne dogter[=Dieuwke] reisde derwaarts uit de buren namelijk om hare zuster te bezoeken en ging met mijn zwager in het 2 uur Hallumer schip, het was marktdag.
23 novimber: /…/kregen wij ’s namiddags berigt van Hallumer mieden, dat onze dogter sedert dat ik haar verliet veel minder geworden ware en dat men iemand onzer daar verlangde, schoon dat mijne dogter uit de buurt daar ook ware; ik stuurde dit berigt aan mijn zoon Wijger en wijdere aanverwanten in de buren, en resolveerde eindelijk zelf om derwaarts te trekken en kreeg nog het 3 uur schip naar Hallum, ik kwam er bij donker en mijn zoon een uur na mij/…/wij bevonden de zieke in een bedenkelijke toestand, ’s anderen morgens was het eenigzins beter, ik trok toen weder naar huis na algemeen overleg/…/
26 novimber: /…/Het kind, waarvan mijn dogter ontijdig beviel, is een etmaal na de geboorte overleden.
28 novimber: De vorige kregen wij een zeer ongunstig berigt van de Hallumer mieden, mijn zwager
[Piter AElses Hiemstra, de man fan Dieuwke, fjildwachter te Wurdum]/…/en ik trokken ’s avonds nog naar Hallum en bevonden onze dogter in een zeer bedenkelijken toestand, zooals wij hen ’s anderen daags ook weder verlieten, op aandrang bleef mijne dogter Dieuwke nog daar om haar mede te bedienen, de zieke kreeg toen spreeuw/…/[spreau, ûntstekking oan it slymflues yn ’e mûlholte, de tonge wurdt read en ûntstutsen. By folwoeksenen meastentiids kwea-aardich mei deadlike ôfrin] 2 desimber: Op den 30 bevorens ’s nademiddags kregen wij berigt: dat men een of meer onzer op de Hallumer mieden zeer verlangde, omdat het met onze dogter niet lang meer zoude duren/…/

HELLEMA WIGER DOEKES
Ds. Hindrik Hellema (Barhûs ûnder Wurdum 1803-Achlum 1880), de jongste broer fan Gryt. Ned. Herf. dûmeny te Achlum fan 1826 oant syn emeritaat yn 1878

4 desimber: Gister den 3 voor de middag reisde ik naar de stad, om naar berigt te vernemen; de domeni, mijn zoon [Hindrik, Ned Herf. dûmeny te Achlum] kwam mij tegemoete, ik koom van Hallum, was zijn woord, ga met mij terug, ontzettende vraag ik: is zij weg? Ja!! Ach hoe wierden wij teleurgesteld/…/de domeni zoude een nacht blijven en vertelde: dat hij eergister den 2 naar Hallum gereisd ware, daar nabij nog al ongunstig berigt kreeg; maar deerlijk ontstelde toen hij haar zag, dat hij ’s nachts met anderen opbleef; en dat zij ’s morgens vroeg om 3 uur zeer zacht was ontslapen, nadat zij drie weeken zoo geleden hadde, in de laatste week was hare zinkingziekte in zenuwkoortsen[senuwsinkingskoartsen binne tyfuskoartsen] ontaard en gedurende naauwelijks een oogenblik bij haar verstand.

7 desimber: Nimmer hadde ik gedagt, toen wij op den 30 October het berigt kregen dat mijne dogter voornemens was om op den 2 November met hare kleine kinderen hier te komen, en omdat dit berigt donker en verward ware, schreef ik haar den 1 Nov. dat wij niet zeker waren hoe zij komen zoude van het Hallumer schip, zich daar zoude bevinden om haar af te halen, en inplaats van haar kregen wij een zeer omstandige brief door haar eigenhandig geschreven (zooals zij al veel een brief schreef) dat zij allang tegen de reis hadde aangezien, maar thans er van had afgezien, dat zij uit liefde tot haar huisgezin, niet vermoge afwezig zijn, dat zij daar te boven zoo bezwaarlijk uit kon. Dit schrijven speet mij zeer; maar verblijden ons tevens, dat juist koude en vorst inviel, dat hare reis uitgesteld bleef. Nimmer hadde ik gedagt zeg ik: dat ons zulke treurige omstandigheden zoo aanstaande waren/…/
O! bij het verlies van belangrijke voorwerpen leert men eerst de waarde daarvan regt inzien, zoo gaat het mij bij het verlies mijner dogter.
Wat hadde ik haar veel meer genoegen konnen doen indien ik haar meer hadde bezogt, indien ik haar meer hadde geschreven, zij wilde zoo gaarn een brief van mij ontvangen, maar naklagen baat niet!!
9 desimber: Zooals den 7 melde reisden wij gister met het 9 uur schip tot Bartlehiem, vanwaar wij met de andere vrienden
[=sibben] van mans kant [Hette syn famylje] naar het sterfhuis gingen; alwaar zich andere vrienden opvolgende vinden lieten: mijn zwager [=Hette] hadde het Hallumer schip laten komen, en om 1 uur ’s middags, wierd het lijk met alle de vrienden in het schip geplaatst, na alvorens een doelmatige toespraak van een particuliere voorganger [net de Ned. Herfoarme dûmeny, Hette soe him mei de húshâlding ôfskiede] gedaan te zijn, voeren wij naar Hallum, en wierd het lijk volgens gebruik begraven, keerden toen met het schip terug, en ontscheepten aan het sterfhuis ongeveer 3 à 4 uur, de tijd was voorts kort; want wij hadden met de Dokkumer schippers afgesproken dat wij ’s avonds met hun weder zouden terug naar Leeuwarden varen, en ons een weinig moesten opwachten, als wij nog op Bartlehiem niet waren, wij waren er juist met ons 14den, toen het schip aankwam, half 8 waren wij in Leeuwarden, en gingen met 9 vandaar, waarvan 3 naar Terzool [dêr wenne de âldste suster fan Hette: Pytsje en har man, skoallehaad Jehannes Hindriks Oosterhoff, mei de húshâlding], de anderen waren te Lekkum uitgegaaan, alwaar een broeder van mijn zwager woonde [Tetman wie dêr timmerman], mijn oom [bedoeld wurdt: zoon] de domeni ging mede naar Wirdum/…/
Alzoo is dezen treurigen en somberen dag te einde geloopen, echter onder ernstige gesprekken, toespraak, gebeden en dankzegging/…/zoodat dezen dag, den 8 December voor mij en nabestaanden onvergetelijk zal blijven, als  een der Merkwaardige dagen op de rolle der lotgevallen van mijn leven!!!
En mijn dierbare dogter! verwijderd van hare dierbare betrekkingen rust nu na zooveel arbeid, moeite en verdriet, met haar tijdelijk overschot aldaar onder de dooden/…/aldaar zijn mijne voor-, voorvaderen begraven, waardoor het Kerkhof van Hallum zoo voor en na een zeer groot aantal van mijn geslacht en dierbare betrekkingen heeft ingezameld!!!
Aldus is de aardsche tabernakel van mijn onvergetelijke dogter gebroken; maar geloven dat zij naar haren onsterfelijken geest een gebouw bij haren dierbaren verlosser bewoond, een huis, een verblijf, niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen!

Psalmen! Gjin gesangen
Hette hat der beswier tsjin om neist de psalmen fan David de Evangelise Gesangen yn tsjerke te sjongen.
Dit gaf ook eerst een groote verwarring. De groote meerderheid vloog er mede in de hoogte. Nu kon men, meenden zij, juist tot Gods lof zingen van de verlossing naar het evangelie. Anderen, uit onkunde of onverstand, dreven er den spot mede en gingen uit de kerk. Nog anderen hielden tot spot den hoed op onder ’t zingen. Maar later, ofschoon op meer verstandige wijze, zijn de gezangen een twistappèl in de kerk gebleven. Wel onderwierpen over ’t algemeen de leeraars er zich aan; de liberalen met veel toejuiching en de rechtzinnigen met tegenzin. Maar ’t vrome volk was er in ’t algemeen tegen, om reden, dat de geest der gezangen meest die was van een juichend christen, en die van de psalmen Davids meer overeenkwam met den boetvaardigen toestand van het geloovig volk. Met dien strijd tegen de gezangen ben ik opgewasssen, totdat ik er later in gewikkeld werd. s. 13-14
Toen ik in 1829 naar Hallum vertrok, kwam ik onder een rechtzinnig leeraar, zooals ik hoop een bekeerd man, A. van der Velde. Die oude man ijverde echter sterk voor de gezangen, waar ik zeer tegen was, omdat het mij in dien tijd duidelijk werd, dat de zuivere gereformeerde leer er in ontbrak. In onze nabijheid hadden er eenige buitengewone verschijnselen plaats, voor dat de opstand in de kerk uitbrak.
In de gemeente Wanswerd, waar een rechtzinnig leeraar stond, liet deze op zekeren Zondag een gezang zingen. De kerk was vol menschen. Terwijl de predikant het gezang voorlas stonden er drie broeders op in het midden der kerk, spraken hem onbeschaamd aan en waarschuwden hem niet langer voort te gaan met afgodsliederen te laten zingen.
Men kan denken welk een opschudding dit teweeg bracht. Onder het uitspreken van het oordeel des Heeren verlieten zij de kerk, voorgevende dat zij van God geroepen waren om alzoo te handelen en voor de eere Gods te strijden. Ach, hoever kan een valsche geestvervoering een mensch al niet brengen! s. 58

Hette en de helse slang
De Ofskieding komt tichterby. De foargongers fan’e rjochtsinnigen, lykas de dûmenys Van Velzen en De Cock, krije aloan mear folgelingen. Hette skriuwt:

Toen in 1834 Ds. van Velzen, leeraar was te Drogeham, in Friesland, ging van hem heinde en ver het getuigenis uit dat hij elken Zondag de zuivere gereformeerde leer der Dordtse vaderen van 1618 en ’19 preekte. Dit had ten gevolge dat het belangstellende volk van groote afstanden derwaarts reisde om hem te hooren. Ook uit onze plaats, Hallum en omstreken, gingen velen daarheen, ofschoon de afstand zes uur bedroeg; soms groote gezelschappen op hooiwagens, waarop een twintigtal plaats namen, of in eigen rijtuig of te voet. De leer van Ds. van Velzen had grooten invloed op het volk. Die tusschen kerktijd overbleven, vormden een gezelschap, waarin zeer levendig over de waarheid gesproken werd. Men hoorde daar godzalige beproefde mannen spreken, die bekwaam waren de waarheid te beoordelen en mij ver vooruit waren. Zij wisten de voornaamste punten aan te wijzen, waarin de zuiverheid der leer van Ds. van Velzen boven die van andere, zoogenaamd rechtzinnige leeraars, bepaald uitkwam. Alzoo werden er vele getuigen door den Heere verwekt en aangegord tot den strijd die op handen was.
Het vuur des geestes werd meer en meer ontstoken toen het bekend werd dat Ds. de Kok, leeraar te Ulrum, in Groningen, was aangegord om als een geloofsheld met vrijmoedigheid voor de waarheid getuigenis te geven, en in een openbaar geschrift twee van de voornaamste kettersche leeraars kwam aan te wijzen, hoe zij als wolven in de schaapskooi van Christus waren, om te verslinden en om te brengen. Men kan denken hoe de helsche slang daardoor ontstoken werd om haar vergif te spuwen en list op list te beramen, zooals ik slechts in enkele punten zal aanwijzen.
Ds. de Kok en vele broeders werden hoe langer hoe meer aangevuurd om de zuivere leer der gereformeerde kerk met derzelver rechten en tucht in het licht te stellen. het vijandig kerkbestuur zocht wraak, en schielijk werd door daden bewezen dat er voor de gereformeerde belijdenis en tucht geen plaats meer was in de hervormde kerk. De boozen maakten van hun macht gebruik om hun vijandschap te bewijzen, en de belijdenis der waarheid te doen zwijgen of door geweld het prediken te verbieden, en de goddelijke zending der predikers te bespotten. Daar het ’s Heeren tijd was om te werken, was zwijgen onmogelijk.
Ds. de Kok ging voort met het Evangelie te prediken, overal waar daartoe gelegenheid was, al werd hij ook met boete en gevangenschap bedreigd. Zoo werd de vrijgekochte kerk als balling op de aarde geworpen. Heeft dan de Heere Zijn volk verlaten? Dat zij verre. Wel liet Hij toe, dat zij vervolgd werd en verdrukt, maar in Gods weg om dienstbaar te zijn ter vermorseling van den kop der slang. s. 55-57

velzen
Ds. Simon van Velzen (Amsterdam 1809-Kampen 1896) neffens in skilderij fan Henri J. de Cock (yllustraasje: internet)

Dûmeny Van Velzen foarop
Ook Ds. van Velzen, in Friesland, kwam hoe langer zoo meer vrijmoedig voor de waarheid uit, en weigerde alle onrechtvaardige dwangbevelen te gehoorzamen, zoodat hem het prediken verboden en der gemeente het uitoefenen der kerkelijke rechten ontzegd werd. Ds. van Velzen schaamde zich het evangelie niet en zocht nu geopende deuren ten einde den last zijns grooten Zenders: ‘predikt het Evangelie aan alle creaturen’ te volbrengen.
Hoewel het reeds bekend was dat Ds. de Kok in Groningen en Ds. Scholte in Gelderland, waar zij in huizen en schuren predikten, door de politie vervolgd en door de rechtbanken gevonnisd waren, – ging van Velzen voort met vrijmoedigheid het woord des Heeren te betuigen overal, waar hem daartoe de gelegenheid werd aangeboden.
De omstandigheden des tijds gaven ook mij aanleiding tot overdenking van de vraag, wat mij te doen stond, daar ik reeds enige jaren vereenigd was geweest met het strijdende volk voor de eerder waarheid./…/ s. 57-58
Het werd steeds meer openbaar dat de getrouwe leeraren /…/ kerkrechtelijk werden uitgeworpen op grond van het ongereformeerd besluit van 1816, om zoodoende de kerk te zuiveren van de nog overgebleven bestanddeelen der Dordsche geloofsleer en knellende banden.
Toen dit alles bewezen was, werd het plicht en roeping der uitgeworpen leeraars, om zulks aan het volk duidelijk te maken bij monde en geschrifte, en het tot afscheiding van het hervormd, doch niet meer gereformeerd kerkgenootschap te vermanen, en zich opnieuw te verbinden en terug te keeren tot de van ouds bestaande gereformeerde leer en tucht; de kerk van Christus, thans vervolgd en verdrukt, te herbouwen, en alzoo met de strijdende kerk den hals te buigen onder het juk van Jezus Christus. s. 60

Hette skiedt him ôf
Toen deze zaak mij helder werd, was ik overtuigd dat dit de weg des Heeren was; maar om dien stap te doen, was een zaak van gewicht. Het middel dat mij tot een besluit bracht, was het heenwijzen van Ds. de Kok op de geloofsartikelen. Toen ik de gereformeerde geloofsbelijdenis onpartijdig overdacht, werd het mij duidelijk dat ik mij afscheiden moest van de valsche en mij aansluiten moest aan de ware kerk, al ware het ook dat prinsen en plakkaten er tegen waren. Hiervan overtuigd zijnde, was het ook mijn roeping, dit zonder uitstel openbaar te bewijzen, al zou ik ook de eenige in ons dorp zijn.
Ik zond een brief aan den kerkeraad van Hallum met verzoek, dat ik mij met al mijn gedoopte kinderen verlangde af te scheiden. Kort hierna werd ik verzocht voor den kerkeraad te komen, ’t geen ik ook met vrijmoedigheid deed. De oude leeraar v. d. Velde was toen reeds overleden en in zijne plaats tijdelijk een kandidaat als hulpprediker aangesteld. Toen ik voor den kerkeraad stond, werd mij naar de reden van mijn verzoek gevraagd. Op besliste gronden wees ik die hun aan. De kandidaat antwoordde: ‘Kom, dan zal ik u een briefje voorschrijven, dat gij maar behoeft te teekenen.’
Mijnheer schreef toen het volgende:
‘Ik ondergeteekende, verklaar bij dezen mij af te scheiden van de bestaande gereformeerde kerk.’
Nu, zeide hij, onderteeken dat nu maar. Doch ik antwoordde hem: Neem het mij niet kwalijk, mijnheer; maar dat hoop ik nooit van mijn leven te doen. Ik verlang een getuigenis te geven, en verklaar bij dezen, dat ik mij met mijne kinderen, uit volle overtuiging afscheid van het thans bestaand hervormd kerkgenootschap, en ik verzoek dit in het openbaar in de gemeente bekend te maken. Dit gebeurde in het laatst van December 1835. s. 60-61

It ferrifeljende yn ’e beneaming ôfskiedene is dat dy ôfskiedene him of har net ôfskiede woe, mar trou bliuwe oan de otterdokse lear en de trije formulieren fan ienichheid: de kategismus, de geloofsbelidenis en de Dordtse learregels (de fiif artikels tsjin de Remonstranten, fêststeld op de Dordtse synoade yn 1618 en 1619).

Hette giet troch de grûn
Toen ik de volgende Vrijdag bij Meijering te Leeuwarden kwam, vertelde hij mij dat Ds. van Velzen in de volgende week te Birdaard in een scheepsmakersschuur zou preken. Ik liet mij onwillekeurig ontvallen dat hij ook bij mij wel eens kon preeken. Des Dinsdags ging ik naar Birdaard om van Velzen te hooren, waar een groote schaar menschen samenkwam. Voor de preek kwam Mijering even bij mij en vroeg, of ik wenschte dat Ds. van Velzen bij mij kwam preeken, ’t geen ik toestemmend beantwoordde, waarop hij zich dadelijk verwijderde, zonder dat ik tijd had nog iets te zeggen.
Ik had wel over mijn antwoord nagedacht; maar tegen mijn verwachting maakte de dominé bij het einde der godsdienstoefening bekend, dat hij, zoo de Heere wilde en wij leefden, aanstaanden Donderdagmiddag het Evangelie hoopte te prediken ten huize van Hette Piers Hettema te Hallumermieden.
Daar kreeg ik zulk een schrik van alsof ik door den grond zonk, en ik ging met een pak op mijn hart naar huis, al redeneerende over de mogelijke gevolgen.
Ik zag in den geest reeds hoe de vijanden mij van alles beroofden; door ongeloof werden mij alle troostbronnen als toegesloten, en het pak werd hoe langer hoe zwaarder tot eindelijk de bestemde tijd naderde.
Toen dreef mijn bezwaard gemoed mij naar een verborgene plaats, waar ik mijn hart voor den Heere ontlastte. Ik gaf mij in de hand des Heeren; al moest ik dan arm worden, – Zijn wille geschiede. En verder gaf de Heere mij te bidden, dat de prediking des Evangelies in mijn huis tot een eeuwige gedachtenis mocht verstrekken. s. 61-62

Seishûndert sielen
Toen waren de steenen van het graf gewenteld, en zag ik het volk met blijdschap aanstroomen. Ik kon de dienaar des Heeren op waardige wijze ontvangen in mijn huis, en de groote schuur stroomde van alle kanten vol, zoodat er, naar gissing wel zeshonderd menschen waren.
Ds. van Velzen preekte met veel vrijmoedigheid over de woorden uit Ps. 2. ‘Ik toch heb mijnen Koning gezalfd over Zion, den berg mijner heiligheid.’ Die preek werd zeer gezegend, waarvan vele getuigenissen openbaar werden.
Onder anderen werd een jongeling krachtdadig bekeerd. Hij had zijn ouderen broeder, die naar de prediking ging, bespot, gelijk hij al dat volk openlijk bespotte. Uit nieuwsgierigheid besloot hij ook eens te gaan luisteren. Hij ging in de schuur maar wilde niet gezien worden. Daarom klom hij, zooals hij later zelf verhaalde, boven op een hooivak en hoorde zoo de preek. Het duurde niet lang of het werd aan hem bevestigd: ‘Is mijn woord niet als een hamer, die de steenrots vermorzelt? en als een tweesnijdend zwaard, dat doorgaat tot de binnenste deelen des harten?’
Het was niet slechts een greep in de conscientie of een voorbijgaande gemoedsaandoening; hij kwam spoedig met den stokbewaarder vragen: ‘Wat moet ik doen om zalig te worden?’ Tot aan zijn dood toe is het gebleken, dat hij een toonbeeld van Gods eeuwige liefde en vrije genade was. s. 62-63

Hette syn skuorre hillige
Zoo gaf de Heere getuigenis van de onfeilbaarheid Zijner belofte aan Zijne dienaren: ‘Ik zal met u zijn!’ Maar deze belofte gaf Hij niet aan de zoozeer als heilig beschouwde kerkgebouwen. Het was in dien tijd wel zeer ongewoon, dat het heilig Woord Gods in particuliere woningen gepredikt werd, daar gewoonten ons vaak als heilig zijn; zoo moest het in dien tijd ook weder geleerd worden, dat niet de leeraar en de prediking geheiligd worden door de plaats, die daartoe bestemd was; maar waar de leeraars geroepen worden om te prediken is de plaats geheiligd omdat de H. Geest daar werkt en het Woord zegent. s. 63
Uit deze prediking in mijn huis ontstond een afgescheidene gemeente. Toen die gemeente, en ik als ouderling, bevestigd was, gaf Ds. van Velzen ons eenige aanwijzing hoe wij te handelen hadden en wat mijn roeping als ouderling was. Ik was toen nog geheel onbedreven in kerkelijke zaken, en zeer onvrijmoedig zelfs om overluid te bidden. En nu de gemeente voor te gaan in lezen en gebed, dat was een zware taak voor mij. Wij besloten toen vooreerst Zondags in mijn huis godsdienstoefening te houden, omdat het in het dorp niet raadzaam was. s. 64

Hette foar ’t ‘rjocht’
Onder prediking van Ds. van Velzen was ook de policiedienaar gekomen, gelast zijnde van den burgemeester om proces-verbaal op te maken, wegens de onwettigheid der vergadering en de prediking. Dit had plaats 7 Januari 1836.

As mear as njoggentjin minsken byinoar kloftsje, is dat by de wet ferbean.

Na verloop van eenige weken werden wij voor de rechtbank te Leeuwarden gedaagd. De beschuldiging luidde, dat Ds. van Velzen de leidsman en oorzaak der gehouden vergadering was, en dat ik als bewoner daartoe gelegenheid had gegeven. Ds. van Velzen trad nu voor den rechter op met alle waardigheid en deftigheid, zooals het een dienstknecht van Christus betaamt. Toen hem de gelegenheid tot verantwoording gegeven werd, stond hij tegenover de rechters als een held met het wetboekje in de eene en een N. Testament in de andere hand, strijdende voor het recht der waarheid en toonde, met heenwijzing op de geloofsartikelen, den rechter duidelijk aan, dat wij onschuldig waren en de wet op ons geen betrekking kon hebben. Onze handeling vloeide geheel voort uit het zuivere beginsel van godsdienstovertuiging, en dit bewees hij zeer duidelijk op grond der gereformeerde geloofsbelijdenis.
Ik werd ook geroepen om van den rechter mijn beschuldiging te hooren. Het was een indrukwekkend oogenblik voor mij, zoo voor den rechter te staan, hetgeen mij nooit tevoren gebeurd was. Het was mij een eer van de waarheid getuigenis te geven, en ik mocht ook in weinige woorden vrijmoedig voor de rechtbank spreken.
Het vonnis werd niet terstond uitgesproken, maar ons later toegezonden. Het luidde: dat Ds. van Velzen, als leider 50 gulden boete moest betalen, en ik als bewoner 25 gulden. Later ben ik nog tweemaal met Ds. v. Velzen gevonnisd en eenmaal met Ds. de Haan. s. 64-65

De partige rjochter: ‘Dat gaat me niet aan’
Vervolgens maakte men maar procesverbaal op, hetzij door een politiedienaar, hetzij door een ander, en liet voor den rechter door getuigen bezweren.
Zoo was ik eens mede voor de rechtbank, waar een getuige van Hallum was opgeroepen, die in de vergadering was geweest. Aan dien man werd gevraagd of hij bereid was den eed af te leggen om verslag te geven van de waarheid. Die man weigerde dit te doen, niettegenstaande de bedreiging van straf. Daarop kreeg hij acht dagen gevangenisstraf, en een gerechtsdienaar werd gelast hem in de gevangenis te brengen.
Op denzelfden tijd werd Ds. van Velzen voor een prediking te Marrum gevonnisd en ook daar was de getuige weigerachtig, die de zelfde straf kreeg als de bovengenoemde.
Zoo werden twee bejaarde mannen en eerbare burgers gevangen gezet, omdat zij gewetensbezwaar hadden om getuigenis voor den rechter af te leggen.
In een ander geval gebeurde het dat ik met Ds. van Velzen gedagvaard was, en dat de veldwachter J. Krol als getuige optrad en daarvoor den eed moest afleggen, waarbij ik genoodzaakt was den veldwachter te verklagen, omdat hij een valschen eed gedaan had; waarop de president ten antwoord gaf: ‘dat gaat me niet aan.’
Men kan hieruit zien, hoe partijdig de rechter met onze zaak handelde. Ik werd wel gedreigd door den man dien het aanging, maar zweeg op alles stil en er werd verder geen woord over gesproken. s. 65-66

Loas befel boargemaster
Ds. van Velzen ging voort in verscheidene plaatsen te prediken en gemeenten te stichten, niettegenstaande vervolgingen en boeten. Eenmaal was ik tegenwoordig toen hij preekte in een timmerwinkel, bij Reindert van Wieren te Oenkerk. Deze schuur was propvol hoorders. Daar kwam midden onder preek de burgemeester binnen, drong door al het volk heen en plaatste zich vlak voor de spreekplaats. Hierop begon hij met verheffing van stem te spreken en zeide: ‘Mijnheer van Velzen, in naam des Konings ben ik gelast u het zwijgen op te leggen en u te bevelen niet met spreken voort te gaan.’
Na een oogenblik zwijgens gaf Ds. van Velzen ten antwoord: ‘In het welnemen, mijnheer de burgemeester, ik ben gezonden van mijn Heer en Zender, en die heeft mij belast, het Evangelie te verkondigen aan alle plaatsen.’ En daarop zich tot de vergadering wendende, zeide hij: ‘Laat ons zingen Psalm 74:17,18.’ Hij las de twee verzen voor, en het volk zong hartelijk en met luider stem.
Daarop ging de leeraar ongehinderd met de prediking voort. Later werden hij en van Wieren door den rechter gevonnisd en beboet. s. 66

Iepenbiere fernedering
Van Wieren was herhaaldelijk in de boete geslagen, omdat hij zijn huis voor de prediking openzette. Doch daar hij die boeten niet betaalde, werd eindelijk op bevel van de rechtbank zijn geheele inboedel op Zondag in het openbaar verkocht, waarbij zelfs zijne vrouw gedwongen werd, haar rok uit te trekken die mede verkocht werd.
Oare boarnen melde dat ek de klean fan de oansteande lytse poppe net feilich wienen.

Verder werden nog R. van Wieren, diaken, en J. Sipkes, ouderling van de gemeente te Oenkerk, door de rechtbank veroordeeld tot gevangenisstraf voor, ik meen een maand lang./…/ s. 66-67

‘Wilt gijlieden ook niet weggaan?’
Anderhalf jaar ten minste, vergaderde de gemeente ten onzent bij mij aan huis, en hoewel mijn woning een half uur van het dorp af stond, kwamen er doorgaans zoowat een vijftig menschen in de vergadering. Het gewichtigste werk kwam op mijn schouders neer te drukken, door de belofte, die ik volgens het formulier bij de bevestiging had afgelegd.
Maar als de nood dringt, dan houdt de vrije keuze op; zoo ging het ook mij. Gelukkig echter is hij, die als hij tot ’s Heeren werk gedwongen wordt, ondervindt dat het vruchten nalaat in de vrijwillige dienst des Heeren; en dit kan ik met alle vrijmoedigheid van mij zelven getuigen. Hoe meer ik tot den dienst des Heeren geroepen werd in het belang der gemeente, hoe meer lust ik kreeg, omdat ik bij ervaring leerde, dat het mij niet ontbrak aan vrijmoedigheid en bekwaammakende genade.
De gemeente breidde zich van tijd tot tijd uit, zoodat er weldra nog een ouderling en ook een diaken gekozen werden. In dien tijd was er veel opgewektheid en lust tot de waarheid, maar de menigte, die het anders in de belijdenis met ons eens was, bleef terug, ter oorzake van de vervolging.
In het eerst kwam, als er een leeraar preêkte, zoo’n groote schare dat een hooischuur noodig was, om het volk te bergen; maar later kon, als Ds. van Velzen bij ons kwam, een groote kamer de hoorders wel bevatten; zoodat ook het kleine hoopje, dat volstandig bleef, den geheelen last der boeten dragen moesten. In dezen werd de waarheid van Jezus woorden een proefsteen: ‘Die iets liever heeft dan Mij, is Mijns niet waardig en kan Mijn discipel niet zijn.’
En voor de oprechte volgelingen gold de vraag: ‘Wilt gijlieden ook niet weggaan?’ Maar voor hen was dat niet mogelijk, omdat de vrucht des levens er in begrepen was.
Spoedig werd het duidelijk, dat er onder de mannen, die achterbleven, waren die de afscheiding begonnen te bestrijden; waardoor op sommige plaatsen hevige twisten ontstonden tusschen afgescheidenen en waarheidsvrienden. In dezen bleek het weder dat’s Heeren wegen niet onze wegen zijn. Ik had gedacht, dat het niet anders kon of al het volk des Heeren moest met mij in dezelfde overtuiging deelen, en ik meende ook waarlijk dat dit zoo wezen zou, maar het tegendeel werd bewezen. De Heere had er behagen in dat een klein Gideons-leger de Midianieten zou overwinnen. s. 67-68

Hette as oefener
Ook was er een groot gebrek aan bedienaars en voorgangers der gemeente. De oogst was groot, maar de arbeiders waren weinigen.
Ds. van Velzen was toen de eenige leeraar in Friesland; later kwam ook Ds. de Haan als een uitgedrevene van zijn gemeente tot ons over, en werd als een wettige dienaar en leeraar der kerk door de afgescheidenen opgenomen.
In buitengewone tijden van behoefte gebruikt de Heere vaak ongewone wegen. /…/onderscheidene mannen stonden op om het volk te stichten, door een gedeelte van Gods Woord te verklaren en toe te passen, waaronder er waren, voor zoover ik ze gekend heb, godvreezende mannen, gezond in het geloof en bekwaam om een woord tot stichting voor het volk te spreken.
Als er honger in het land is naar brood en de voorraad weinig, dan zijn de kruimkens die van de tafels der heeren vallen, vaak meer verkwikkend en voedend, dan de uitgezochtste spijzen in tijd van overvloed.
Ik geloof dat de voorstellen der eenvoudige oefenaars veeltijds gezegend werden tot opbouwing in het geloof, hoewel het zijn zal dat de drijfveeren en oogmerken bij den een meer heilig waren, dan bij den ander, doch dit is den Heere alleen bekend.
Door sterken aandrang van het volk ben ook ik er toe gekomen, als oefenaar op te treden, ofschoon onder veel biddende verzuchtingen wegens mijne onbekwaamheid. Toch durf ik niet ontkennen dat het mij ooit aan vrijmoedigheid heeft ontbroken.
In bijna alle gemeenten stonden oefenaars op en sommigen hunner meenden daardoor een roeping te hebben tot het leeraars-ambt, waartoe ook verscheidene, na min of meer opleiding ontvangen te hebben, bevorderd werden en door de kerk toegelaten, omdat de behoefte aan leeraars groot was.
Toen er later twist ontstond, of het oefenen, dat meestal in den vorm van prediken geschiedde, ook in strijd was met de waarheid, gaf dit aanleiding om het werk niet lichtvaardig op te vatten of voort te zetten.
Bij mij verwekte dit eenig gemoedsbezwaar tegen het oefenen, en we besloten dan ook voortaan slechts een preek te lezen, hetgeen we dan ook om beurten deden. s. 68-70
Er was destijds onder het volk, zoowel bij ouden als jongen, veel lust voor de waarheid, en het behaagde den Heere de eenvoudige genademiddelen van partikuliere mannen, die den Heere uit liefde dienden, ter opwekking en bestiering te gebruiken; zoodat zelden tegen weer en wind het bijwonen der vergadering verhinderden of den dag des Heeren te heiligen. Toen werd in het leven de waarheid ervaren: ‘Uw liefdedienst heeft mij nooit verdroten.’
Elke zoogenaamde christelijke vereeniging is niet het lichaam van Christus. Niet de vorm maakt de kerk. Evenmin als het kleed het lichaam maakt, evenmin maakt ook de vorm de kerk. Maar de vorm is haar noodig tot bewaring en volmaking. Als lichaam zoekt zij haar aanwinst van buiten, tot vermeerdering van het koninkrijk van Christus. Jezus zegt: ‘Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn, deze moet ik ook toebrengen.’ s. 75-76

Hette leart fan ’t fraachlearen
Door uitbreiding der gemeente en grooter opkomst, terwijl er niet meer dan 19 personen mochten vergaderen , werd er ’s Zondags in onderscheidenen kamers vergadering gehouden. In den winter hielden we in het dorp katechisatie voor de jeugd en ’s avonds vergadering voor de grooten, waarin de 37 geloofsartikelen geheel zijn behandeld, door voorgeschreven vragen naar den leidraad van Arnoldus Rotterdam, waarop bij beurten uitgewerkte antwoorden werden geleverd, waarin het volk veel leering en stichting vond.
Ik had vóór den tijd der afscheiding veel boeken gelezen; maar meest tot voedsel voor mijn gemoedsleven. Nu werd het meer de voorwerpelijke waarheid van Gods Woord en de geloofsleer der gereformeerde kerk. Daar ik geroepen was anderen te leeren; gevoelde ik groote behoefte niet te bouwen op gemoedelijke bevatting, en zoo leerde ik beter mijn belijdenis verstaan.
Sedert dien tijd is er een onverbrekelijke band gevlochten tusschen mijn ziel en de leer der vaderen, zooals die uitgedrukt is in de katechismus, de formulieren en de geloofsbelijdenis; zoodat ik stellig geloof dat dan de kerk het meest zal bloeien, als hare belijders de leer der vaderen onverzwakt in praktijk brengen.
Ter herinnering voor het nageslacht merk ik nog aan dat het zuiver beginsel der afscheiding is: het terugkeeren tot de leer en tucht der vaderen, vastgesteld in de Synode van 1618 en ’19 zooals reeds is gezegd.

Leven en dood, licht en duisternis zijn, krachtens hunne natuur, onvereenigbaar. Licht en leven zijn oorspronkelijk, dood en duisternis toevallig. Het eene bestrijdt het andere en wijkt voor het andere. Gods wezen is licht en leven; en zooals het wezen is, openbaart zich Gods werk ook naar buiten. God laat de duisternis plaats hebben en beschikt er over opdat door het schitterende licht zijn wonderbare werken te beter zouden gekend worden./…/ s. 70-71
Tot aan het jaar 1816 was er nog een kerkelijke wederhouding van de waarheid, maar van toen af werden alle gereformeerde rechten van de kerk der vaderen verscheurd en krachteloos gemaakt, zoodat het rijk der duisternis een overheerschende macht had om van lieverlede de onverdragelijke en gehate overgeblevenen, die nog vasthielden aan de leer der vaderen, tegen te staan, en de kerk te zuiveren van het oude, dweepzieke geloof. Maar Gods werk kan niet verbroken worden. Zoo was het dan des Heeren tijd, dat het licht in de duisternis zou schijnen; de waarheid, zoozeer verdonkerd werd opnieuw beleden en de strijd, eenmaal den vaderen overgegeven, werd opnieuw hervat. s. 71-72

Hette fan ’t hynder
In den zomer van 1836 trof mij een deerlijk ongeluk. Met het schepsel, waar men het meest mede op heeft, wordt men ook vaak het meest verdrukt.
Daar ik van jongs af veel van paarden gehouden heb, en ook sedert ik die schoone dieren in eigendom bezat, er menige gevoelige les van geleerd had, was ik die liefhebberij al wat verloochend. Doch waar onze natuur een zwak op heeft, wordt dit licht gevaarlijk. Ik had een jong paard aangefokt; het was twee jaar oud en zulk een schoon dier dat het mijn zinnen streelde.
Mijn knecht en ik zouden nu dat paard betoomen en onder den man berijden. Toen de knecht op het paard zat, zag het gevaarlijke er van in en liet hem er afkomen. En ik, de meester, vergat met veel zelfvertrouwen mijn afhankelijkheid, en besteeg zelf onbeschroomd het paard. Maar wat gebeurt? Het dier springt omhoog, valt achterover, boven op mij en verplettert mij bijna geheel.
Toen ik in huis gedragen werd dacht ik niet anders dan dat mijn laatste uur geslagen had, daar de borst bezet was en ik bijna geen adem halen kon. Mijn ziel was vervuld met Gods lof en ik dacht de groote daden des Heeren zingende uit te galmen en zoo de eeuwigheid in te gaan.
Maar neen; het bleek spoedig dat Gods weg anders was. Toen ik een poosje op bed had gelegen, gevoelde ik dat de dood er niet zoo in eens in begrepen was, hoewel mijn lichaam machteloos was en doorpriemd van de pijn. Des anderen daags kwam Dr. van Dam, uit Leeuwarden, mij onderzoeken. Hij oordeelde dat de been-gewrichten en spieren gekneusd en geheel verwrongen waren. Ik was van onderen geheel machteloos en bleef in dien toestand ongeveer drie weken.
In de eerste dagen had ik veel pijn, maar bleef er gelukkig gezond bij. Mijn geest was in den eersten tijd zoo verdoofd, dat ik mijn gedachten nergens bij bepalen kon. Er was geen verootmoedigen of vallen voor God, maar ook geen opstand of twist met ’s Heeren weg; ik was als een dood onder alles.
Het volk des Heeren kwam mij trouw bezoeken en nam deel in mijn lijden; maar ik kon nergens in komen, om er den Heere in te erkennen.
Nadat dit eenige dagen zoo geduurd had, kwam ik tot nadenken, en nu herinnerde ik mij dat ik mij aan den morgen van den dag waarop ik ’s middags dat ongeluk kreeg, om geringe dingen boos gemaakt en mij zeer onverstandig gedragen had. Toen ik hierover nadacht, werd ik verslagen van geest voor den Heere van wege mijne zonden, waardoor ik nog zoo licht vervoerd kon worden. Hierdoor werd ik diep vernederd voor den Heere, en ik kwam den Heere te loven en te danken omdat Hij mij was tegengekomen om mij bij vernieuwing op den weg der zonde te stuiten. Toen kon ik het kruis o, zoo gewillig dragen; toen werden mijne zielsbanden losgemaakt, en kon ik getuigen van het zalige van ’s Heeren wegen, die hij met mij kwam te houden.
Zoo wordt in alles de waarheid vervuld, dat alle dingen den rechtvaardige medewerken ten goede. de kastijding, als zij tegenwoordig is, is geen zaak van vreugde, zegt de apostel Paulus; maar laat na een vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen, die door dezelve geoefend worden. Dit werd mij in dien weg zeer duidelijk.
Mijn herstelling ging zeer langzaam; drie weken was ik geheel machteloos; maar daarna kon ik mij spoedig met behulp van iemand weder bewegen, en na drie maanden wandelde ik op twee krukken weder rond; doch eerst na een jaar was ik geheel hersteld. Dit viel voor in den tijd toen ik nog als oefenaar dienst deed. Toen ik nu weder voor ’t eerst zou spreken, kwam mij de waarheid op het hart van Davids getuigenis Ps. 66:16; “Komt, hoort toe, gij die den Heere vreest, ik zal u vertellen wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft,” waarover ik met vrijmoedigheid mocht spreken. s. 72-75

Hette nei Amsterdamse skelen
Er werden nu ook vele commissies voor de klassis en provincie saamgeroepen. In het voorjaar van 1839 werden ik en de ouderling Hamming, van Burum, door de provincie Friesland afgevaardigd tot een buitengewone vergadering, die in Amsterdam gehouden werd, waar Ds. van Velzen toen leeraar was, en die tevens ook het bestuur over de Friesche kerk had aangehouden.
De oorzaak, waarom deze vergadering saamgeroepen was bestond hierin, dat er in Holland groote beweging, verdeeldheid en twist bestond, die vooral in de gemeente te Amsterdam hevig openbaarde. het verschil liep vooral over de zending der leeraars. Er waren verscheidene leeraars door de kerk aangesteld; maar wgens gebrek aan voorgangers en wijl er geen gelegenheid tot grondige opleiding bestond, – werden sommigen als leeraar toegelaten volgens art. 8 der Dordtsche Synode. Hiertegen protesteerde een deel der kerk en verklaarde, dat zij die leeraars niet toelaten konden of erkennen als wettig gezonden.
Hierbij kwam nog dat in de Amsterdamsche gemeente zich twee partijen gevormd hadden, waarvan de eene Ds. van Velzen, en de andere Ds. Scholten aanhing. Op deze vergadering ging niet alles even broederlijk toe, vooral door het gedrag van Ds. Scholten, waarvan meer bitterheid dan liefde en eensgezindheid het gevolg was. s. 76-77

Hette mei rekwest nei de koaning
In naam der regering ging de rechter nog altijd voort alle godsdienstige vergaderingen van meer dan 19 personen te straffen met boete en gevangenis. Hierom besloot de klassis van Wanswerd twee broeders, als afgevaardigden naar den koning te zenden, om mondeling hun beklag bij den koning [Willem I] in te brengen over het onrechtvaardige der vervolging, met ’t ernstig verzoek, dat zij mochten ophouden.
Door stemming werden twee leden hiertoe benoemd en wel Lammert Hoogendijk, landbouwer te Ferwert en mijn persoon. Wij werden alzoo afgevaardigd, gesterkt met een rekwest, dat onderteekend was door alle manslidmaten. Dit was voor eenvoudige boeren, als wij, een gewichtige onderneming.
Op 15 Dec. 1839 – het was op een Vrijdag, gingen we op reis. Ons reisplan was vooraf bepaald, en daar het winter was, moesten we met de diligence rijden van Leeuwarden naar Zwolle. Des anderen daags reden we naar Amsterdam, om daar den Zondag over te blijven, en bij Ds. van Velzen nog eenige inlichtingen te vragen, omtrent het uitvoeren van ons voornemen.
Wij hadden ons dien Zondag zeer verkwikt, door het gul verkeer met de broeders, en reisden des Maandags naar ’s Gravenhage. daar wij in den Haag vreemdelingen waren, hadden de broeders ons geraden kennis te maken met den heer Golverdinge. Nadat wij wederkeerig elkander een weinig bekend geworden waren vonden we daar een broederlijk verkeer en gul onthaal, zoodat, toen wij des anderen daags weder vertrokken, de band der liefde bleef bestaan.
Des Dinsdags moesten wij onze taak volbrengen. ’s Morgens om 11 uur werden we in ’s konings paleis verwacht, om in de groote zaal eigenhandig onze namen in te schrijven, en wat onze commissie bedoelde.
Toen werd ons gelast om 12 uur weer aan het paleis te komen, teneinde alsdan met den koning te spreken.
Wij pasten op onzen tijd, en toe we aan het paleis kwamen werden we door een bediende geleid tot aan het vertrek des konings. Toen het onze beurt was, werden we door een dienstdoend kamerheer bij den koning binnengeleid. De koning stond op en groette ons; ook wij maakten zoo goed mogelijk ons compliment!
Zijne Majesteit gaf ons tijd om elk op zijn beurt met hem te kunnen spreken, en we gaven daarbij ons rekwest over. De koning beloofde ons, de zaak te zullen onderzoeken, en verklaarde dat het zijn voornemen was te zorgen, dat er zoo spoedig mogelijk verandering in de zaak kwam.
Daarmede was de audiëntie afgeloopen, en een bediende geleidde ons weer uit het paleis.

Toen wij weder op straat waren, was er een zware steen van ons hart gevallen, en we moesten erkennen dat de Heere ons bizonder kracht en ondersteuning geschonken had.
Dinsdagsmiddags om 4 uur namen we de terugreis aan, reisden den geheelen nacht door, en kwamen Woensdagsmorgens weer in Leeuwarden aan. Toen was het reizen wat anders dan thans, en wat kostbaarder ook! We hadden op die reis een uitschot van 74 gulden en 50 cents. Of onze reis iets gebaat heeft kan ik niet zeggen, dat alles denzelfden gang ging, ofschoon met verzachting in het toepassen der straffen. Maar toch volgde er spoedig vrijheid van godsdienst en erkenning der gemeente.  s. 77-79.

Hette syn grutte dochters
In den zomer van 1839 was ik voor de tweede maal getrouwd met mijne huishoudster, [Taetske Anskes Fortuin] die toen in het derde jaar bij mij woonde, en die ik had leren kennen als zeer bekwaam in de huishouding en de boerderij. Zij was 37 jaar en uit eerbare familie gesproten, hoewel onbemiddeld.
Der waarheid toegedaan zijnde, bewees zij door daden, dat zij uit achting voor de waarheid, alle bezwaren aan den dienst van God verbonden, mede wilde doorleven./…/
In mijn tweede huwelijk ging het ons zeer gezegend in tijdelijke zaken, daar de achterstallige schuld tijdig kon gedekt en voldaan worden; doch bezwarende omstandigheden ontbraken ook alweder niet.
Toen de voorkinders groot werden, wilden vooral mijn beide dochters niet onder mijne vrouw staan, zoodat de oudste halsstarrig verkoos bij een ander te gaan dienen, ’t geen ik ook toestond. Zij ging dus de wereld in en moest de gevolgen daarvan dan ook ondervinden. s. 79-80

Lysbeth, dy âldste dochter, is fyftjin as har heit wer trout. Foar har trouwen tsjinnet se te Wurdum. Se smyt trije kear de lapen gear mei lytse selsstannigen: in gernier-winkelman, in kastmakker en in timmerman. Lysbeth sjocht mear fan ’e wrâld as allinnich it doarp, se wennet yn Bitgum, Frjentsjer, Hoogeveen en Ljouwert.
Dieuwke, it oare foarbern, trout twa kear, mei in timmermanbaas en in arbeider, beide te Bitgum.

Hette mei de pokken straft
In het jaar 1841 moesten wij door Gods Voorzienigheid weder in moeilijke omstandigheden deelen, waarin voor mij een levenservaring opgesloten lag, die ik nimmer kan vergeten.
In den nazomer kreeg ik de natuurlijke pokken, op een tijd toen nergens pokken bekend waren. Ik was in mijn jeugd niet ingeënt, en zooals ik gemeld heb, was dit ook niet een van mijn kinderen. Mijne vrouw was wel ingeënt en bleef ook van de pokziekte vrij. De zes kinderen, die wij in huis hadden, kregen ook allen de pokken. Onze jongste was een groot jaar oud.
Ik had zeer groote, pijnlijke pokken over mijn gansche lichaam. Drie weken lag ik alleen ziek, toen kregen de kinderen ze, de een na de ander, maar in lichten graad, behalve de oudste, die het langst vrij bleef, maar toen ook erg kwam te lijden. Wij kwamen er echter zeer gelukkig af. Maar wat in dien weg mijn levenservaring betreft, – ik werd door ongeloof zeer verdrietig van wege de hevige en langdurige pijnen, die ik nacht en dag verdragen moest, zoodat ik begon te twisten met God, alsof, met Jona, mijn toorn billijk ontstoken was. Doch hoe meer ik in opstand was, hoe smartelijker ik leed.
Eindelijk begon ik te grijpen naar troostgronden; maar de Heere kwam zijn aangezicht voor mij te verbergen, en dat om mijn zonden./…/ s. 80
Ik zocht weder moed te scheppen. Immers, ik was nog in het heden der genade. Al was mijn werk nog nooit waarheid geweest, dat de Heere dan nog mocht geven, dat het zoo werd. Hierbij kon ik echter ook geen rust vinden. Indien ik, die zooveel gemoedsverzekeringen had, dat Jezus mijn Zaligmaker was, nu nog bedrogen moest uitkomen, dan kon er in eeuwigheid voor mij geen hoop kon bestaan. Op dat oogenblik was het mij, alsof ik den laatsten adem zou uitblazen en dan voor eeuwig verloren gaan.
Doch toen was het als kreeg ik een gezicht in het diepste van mijn hart, en kon niet ontkennen dat in mijn hart iets lag, dat uit God was, en door den vorst der duisternis mij niet ontnomen kon worden. Hierdoor kwam er stilstand in mijn gemoed en rees er weder hoop in mijn hart, zoodat ik van wanhoop bewaard bleef. Ik bleef zoo in stille bepeinzing tot den volgende dag.
Toen ik van bed kwam en in stille overdenking nederzat, terwijl de pijn der pokken een weinig bedaard was, werd ik bepaald bij het smartelijke van Jezus lijden; in vergelijking daarmede waren mijn smarten gering, daar Zijn lichaam vol wonden geslagen was, en dat daar Hij onschuldig was! Zijn Lijden was vrijwillig, uit liefde tot zondaren; maar mijn lijden was om mijn zonden, zoodat de Heere rechtvaardige reden had om mij te straffen.
Mijn hart werd hoe langer hoe meer getroffen door het lijden van Jezus. Hij leed als plaatsbekleedend Borg in de plaats des zondaars.
Toen behaagde het den Heere het geloof zoo krachtig in mijn ziel te werken, dat ik met vrijmoedigheid moest uitroepen:
en dat ook voor mij!
Hoe diep mijn ziel daarbij wegzonk kan ik niet in woorden uitdrukken, noch beschrijven. /…/s. 80-82

Hette syn hebbelik fermogen
As Hette it hat oer religieuze saken hantearret er betiden in taal dy’t op it earste gesicht allinnich ta it hert fan de ynwijde fan syn tiid sprekt. Mar hy kin no nóch oansprekke. Trochdat er syn persoanlike belibbing keppelet oan algemien minslike fraachstikken.
Sa hat er it oer werberte. It grutte tema yn syn eigen libben. By it beskriuwen fan de bekearling syn wíere bekearing komt Hette mei de argaïse en ynwijde term ‘hebbelijk vermogen’ – hy sil dêr mei bedoele de krêft dy’t fuortkomt út elk mins syn eigen oanlis. En om soks te ferdúdlikjen jout er dêrby it oannimlik foarbyld fan in opgroeiend bern.

Door deze verandering in de praktijk van mijn gemoedsleven, zou ik in staat zijn, het onderscheid aan te toonen tusschen mijn vroegeren toestand, van af mijn 30ste jaar, en mijn volgend leven tot op heden.
Ik zeg dit zou kunnen; maar dan is het mij, alsof in betrekking tot het verleden het licht met een donkere wolk overschaduwd is,/…/
Om er echter toch een weinig van te zeggen, moet ik verklaren dat ik niet van gedachte ben, dat eerst toen het werk der genade in mij een aanvang genomen heeft. Maar het is mij duidelijk geworden, dat er een groot onderscheid is of kan bestaan in het bezitten van geloofsgenade, door welke de doode zondaar, door de kracht des Geestes leeft, en wedergeboren wordt. Hij ontvangt hierdoor een hebbelijk vermogen, dat zich uitstrekt tot alle zielvoedende genademiddelen, om op te wassen en toe te nemen in alle wezenlijke eigenschappen van het nieuwe schepsel zooals: droefheid naar God, het haten der zonde in het ontvlieden van haar, te hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, enz.
Men zou den toestand van zoo iemand het best kunnen schetsen met het beeld van een kind, dat door de natuurlijke geboorte met alle levensdeelen in zwakheid openbaar wordt, en alzoo door voedingsmiddelen opwast, toeneemt en ontwikkeld. Zachtjes aan ontgroeit het de lijdelijke kindschheid, tot het meer of minder tot den mannelijken wasdom komt. Maar het is een kind, dat door zijn in zonden geboren worden aan vele onderscheidene beletselen blootstaat, waardoor het vaak kwijnt en slechts langzaam in sterkte toeneemt.
Zoo is het ook met den wedergeboren mensch, ofschoon er aan geen stilstand of achteruitgaan te denken is, omdat God, die de weldadige oorzaak van hun leven is ook zich trouw betoont in het vervullen der belofte; Ik zal hun geven te groeien, al is het ook in een weg van tegenspoed. Maar het is geheel iets anders, zooals het door ervaring gekend wordt, dat er een drievoudige vijand is, die het leven uit God bestrijden, nl. de wereld, de duivel en ons eigen vleesch. Was het geen zaad door God zelf in een goede aarde gestrooid, het zou weldra door de doornen en distelen, waarmede het ontsierd is, verstikken en teniet worden. De oorzaken die den wasdom belemmeren zijn uit de menschen, maar liggen onder het bestuur van God. De verantwoordelijkheid die deswege op den mensch drukt, leidt hem hoe langer hoe meer in diepen ootmoed en schuldbelijdenis voor den Heere. Zij worden gewaar dat zij bij alle gebroken bakken
[bakken, beskút] moeten omkomen en met dat alles zouden verloren gaan./…/

In de eerste twintig jaar mijner bekeering leefde ik zeer gemoedelijk, met veel lust en ijver voor de waarheid; maar de vastigheid mijner hoop bleef altijd onbestendig. De meeste tijden leefde ik in een blijde hope, ja somtijds met een sterk vertrouwen; maar de onwankelbare grond, waarop het geloof moet rusten, was mij nog duister. Ik kende wel Jezus Christus als zaligmaker, en peinsde veel over Zijn dierbaarheid en algenoegzaamheid; maar keerde altijd weder tot mijzelven om met bewustheid van mijn gemoedsleven verzekerd te zijn. De reden lag hierin dat mijn verstand niet opgeklaard was, om de leer der rechtvaardigmaking te verstaan./…/
Sommige zoogenaamde rechtzinnigen beweren dat God aan een voorwaarde gebonden is omtrent het schenken der genade. Dit is, mijns inziens, tegen de waarheid. God is met de uitverkorenen verzoend voordat zij gelooven.
Toen ik nog jong was in de genade, ontmoette ik eens een oude vrome man, tenminste naar mijn oordeel, en die vertelde mij, dat hij al 40 jaar door den Heere bekeerd was geweest,  maar hoe hij nog met zijn zonden had te strijden, en daarover tijden van smart en geween moest doorbrengen.
Dit was mij toen geheel onbegrijpelijk; maar het is mij later duidelijk geworden dat de rechtvaardigmaking en heiligmaking, als weldaden der genade niet gescheiden kunnen worden, maar toch onderscheidenlijk in het bezit zijn dergenen die deelhebben aan de volmaakte gerechtigheid van Christus./…/
Het is in ’t geheel mijn bedoeling niet, mijn levensweg en vele ervaringen aan anderen ten voorbeeld te stellen. De Heere is vrij in de bedeeling Zijner genade. Maar hierin moeten allen elkander ten voorbeeld zijn, dat allen in Christus wedergeboren moeten worden, en dan zullen we ook in Hem volmaakt worden. s. 83-86

Hette syn offers
Hette betellet boetes en jout syn sinten ek oars út oan de saak dêr’t er foar stiet – De zaak waarvoor wij staan.

Ik houd mij ook ten volle overtuigd, dat niemand zich ooit beklaagd heeft over de vele offers die, vooral in de tijden der vervolging, gevraagd werden. De belofte ‘die om mijnentwil vervolgd worden, dien zal zevenvoudig vergolden worden’, faalt ook nimmer. s. 76
Van 1836-43 had de Heere ons bizonder gezegend in onze tijdelijke belangen, niettegenstaande de vele offers die in het belang der gemeente moesten gebracht worden. De talenten die de Heere mij gegeven had, mocht ik veelal met lust op winst zetten: en ik mag gelooven dat het veeltijds niet ongezegend bleef. In het jaar 1842 ontstond er in de gemeente werkzaamheid tot het bouwen eener kerk. Toen was de opgeleide leeraar IJpma voorlopig tot voorganger verkoren, en de vijanden der waarheid spraken toen: als Hettema vertrekt, dan gaat de gemeente verloren. Maar het behaagt den Heere dikwijls den raad der goddeloozen te beschamen; en zoo is het in de gemeente van Hallum ook gegaan. s. 86-87