1834

 

Blz. 1

Den 1 Januarij. Wij hebben gemeld dat de uitgang des voorgaanden jaars, door het ontstaan eener orkaan, ontzettend ware.

Deze orkaan bedaarde niet dan in den zeer vroegen morgen van heden; toen wij ons allen weder ter rust begaven; dog tusschen 5 en 6 uur ‘s morgens wierd ik uit den slaap gewekt, door een ongewoon heen en weder op straat loopen, roepen en schreeuwen, ik luisterde, ook begon de klok te kleppen, ik sprong uit het bed, en wekte mijn zoon en zijne vrouw, zeide hen dat er onraad ware, ik gegaf mij naar de voordeur en hoorde daar dat er brand was.

Wij kleeden ons, begaven ons buiten, van waar wij op de zoogenaamde kuipers hoek met de menigte welke te zamen vloeide, den brand zagen, en naar het gemeen oordeel, de watermolen van Sijbe Leegsma op Tjaard wel konde zijn; er wierd wel van uithalen des brandspuits gesproken, maar om dat men geen regt zekerheid hadde, wierd dit voor als nog uitgesteld.

Toen het dag wierd, kreeg men berigt dat de hegte molen 48 voet vlugt, waarschijnlijk door den bliksem ingeslagen en geheel verbrand ware. Opvolgende hoorde men: dat de kop van de watermolen van de wed. van Andries Smeding afgeworpen was, dat er bijkans geen huis of schuur onder dit behoor, meer en minder schade aan

 

Blz. 2

de daken geleden hadden, dat sommige schoorsteenen geheel of ten deele afgeworpen waren, boomen omgeslagen, dat in de nieuwe huizinge van Jakob Palsma de glazen van een schuifraam met de vensters digt gesloten, uitgeslagen en verbrijzeld waren waar van de vensters afgerukt en de banden verbroken en verwrongen waren, en waar van het venster kleed van boven even als met een scheer afgesneden, agter op de schuur weder gevonden is, of dit door een rukwind, hoos of den bliksem veroorzaakt zij, wiste men niet, behalven het om ver werpen van aanzienlijke beschuttingen en andere schade te veel om te noemen.

Was de aanvang van 1834. [Tekst breekt af]

In het afgeloopen jaar zijn wij over het geheel landbouw en veefokkerij gezegend geweest, alleen de varkensziekte heeft den landman aanzienlijke schade toegebragt. De schapen teelt geraakt weder in bloei, een ieder is daar van meer en min voorzien, de wol is duur, maar de granen zeer slap, ook zijn boter en kaas gedurende 1833, op een lagen prijs geweest.

Over des lands aangelegenheden, schijnt de regering hoop te hebben tot een schikking komen, er bestaat sedert 1830 tot nu toe in ‘s lands kas een tekort van Zes millioenen en drie maal honderd duizend Gulden. Waar over de Staten Generaal gedelibereerd hebben en rede daarover besloten.

 

Blz. 3

Stormen en orkanen hebben aan de scheepvaart buitengewoone verliezen doen ondergaan: door het aanhoudene natte weder, is het water overal buitengewoon hoog, duizenden bunders land, staan onder water, elders door de doorbraken der rivier weeringen in Groninger land, aan de Rijn Maas en den IJssel lijden de Ingezetenen groote ellende. – Zoo is thans de algemene gesteldheid van ons vaderland.

Onder de gemene stand heerscht groot gebrek, de belastingen zijn drukkend en konnen bezwaarlijk geïnd worden, zoo als wij in het laatst der voorgaande maand bij het ontvangen van ‘s Rijks Belastingen ondervonden, er bestaat een aanmerkelijk te kort over 1833.

Wat ons in den loop van dit jaar ontmoeten zal is ons onbekend. Wij besluiten dan met dien wensch: dat wij in alle onze belangen, zoo wel ligchamelijke als Geestelijke van den aanvang van dit jaar af, onze oogen op den Heere mogen zijn, zoo als onze leeraar ons in godsdienstoefening van heden morgen naar aanleiding uit Pz.   vers [Psalm- en versnummer zijn oningevuld gebleven]  opwekte.

En hier mede vangen wij onze meer of mindere bijzonderheden, welke ons der aanteekening waardig schijnen weder aan, en wenschen dat wij leven, gezondheid en welvaren mogen ontvangen, om in den loop van dit jaar

 

Blz. 4

te schrijven en te vermelden, alles van minder of meer belang, zoo als voormaals.

Volgens gebruik heeft men ‘s nademiddags Diakonie rekening in de herberg, bij welke zoo als gebruikelijk tegenwoordig was Feije Rinsma als afgaande Diaken deedde rekenschap, welke opgenomen en goedgekeurd wierd met een bestaand tekort over 1833 van bijkans tweehonderd gulden; om welke te vinden besloten is, door een vrijwillige inteekening der gemeente, te beproeven om deze som te verkrijgen, en wanneer dit aan de verwachting mogte voldoen, dat het tweede zakje, welke gedurende 1833 de giften in de Kerk mede ingezameld hadde ter verkrijging van een hooger collect provisioneel zoude ophouden dog wanneer de inteekening aan de verwachting niet zoude voldoen: dat men het bestuur zoude verzoeken om een quotisatie te mogen doen.

Den 4 Januarij hedenmorgen storm, het water rukte opvolgende als stofregen uit de sloten en stoof over het land, de wind noord thans op den avond is het zeer bedaard.

De verbrande molen waar van wij melden was in de societeit voor 600 gulden ingeschreven waarde, te zamen 800 gld. Het overgeblevene zal getauxeerd worden, en daar na vergoeding uitgekeerd worden.

 

Blz. 5

Den 8 Januarij, heden en gister schoon weder, dog sedert zeer onstuimig, dat is v.d. 4 tot d. 7 bevorens.

De courant van gister was opgevuld met den hoogen stand van alle de rivieren, en den afslag der waterweeringen door de golven, elders doorslag en inundatien; alleen dit gewest, is het binnenwater buitengewoon, waar door duizenden bunders land onder water staan, en behalven de schade aan de gebouwen het vernielen van watermolens en omwerpen der boomen, door den jongsten orkaan van den 1 en den den storm van den 3 j.l. geleden, geniet nog het voorregt van overstroomingen bevrijd te zijn, eenige polders uitgezonderd. – Schoon de zeedijken veel geleden hebben, is men voor doorbraak bewaard gebleven. Ach dat wij vervolgens bewaard mogen blijven, morgens is het nieuwe maan en zons verduistering, dog als het weder zoo kalm blijft, dan is er niets te vrezen, de wind thans Oost ten Z. Oosten.

De wed. van Pieter Heerkes Westra te Wijtgaard heeft wel 3000 dakpannen van de schuur verloren, welke met de orkaan van den 1 afgevlogen zijn.

Gister en eergister is de veldwachter namens de gemeente ter inschrijving van een vrijwillige gifte voor de diakonie armen bij de leden der gemeente rond geweest; of dit nu tot de 200 Gulden vol geworden is? heb ik tot nog toe niet gehoord.

 

Blz. 6

Den 13 Januarij. Sedert de laatste aanteekening, het weder als voren, met uitzondering echter van harden wind; het water wordt van tijd tot tijd hooger waar door veel land van ons plaats onder water staat, n.l. de akkers einden; een onzer buren heeft geduren zijne landen boven, zonder ‘s zondags te malen n.l. Albert Everda, ons naaste buurman Johs. Haaijes, blijft altoos even ver, schoon hij ‘s zondags zich voornamenlijk maalt; gister zondag zijnde was hij door sterk te malen, zoo verre gevorderd dat hij het water in de greppels hadde, maar thans staat het land ook weer onder, hooger dan eergisteren.

De vrijwillige inschrijving voor de Diakonie heeft aan het doel volkomen beantwoord, zijnde het totaal der Inschrijving S.C. ƒ 230 Guld. en de Diakonie Adminstratie daar door in staat gesteld om het tekort te dekken.

Den 16 Januarij heden aller onstuimigst, gister goed weer echter afwisselende regen. De landen welke boven zijn, zijn groen en het gras kragtig, de schapen konnen zeer goed bestaan, als het niet te nat en de landen niet te week waren; want zij trappen bij elken tred, diep in den grond, en het land wordt zwart, zoo als ons klein stuk, door zes schapen welke wij daags in dit land hebben loopen, en ‘s nachts in huis, over en over ingetrapt is.

 

Blz. 7

Opvolgende bestaan hier kleine loterijen niet zoo zeer te Wirdum in het gebuurte, maar voornamenlijk te Wijtgaard, van onderscheiden voorwerpen tweemaal is daar Spek verlot, eenmaal gemaakte houtwaren als tafels enz. den verleden nacht goud en zilver tot lijfdragt behoorende; zoo zijn onder Goutum reeds onderscheidene loterijen als van kleedwaren en anders geweest – ieder lot bedraagd doorgaans 50 a 60 Cents, waar door gemene lieden, dienst en werkboden uitgelokt worden om de hun zoo zeer benoodigde en zoo duur verdiende Centen, te wagen, om prijsje te trekken. – Mijn Zwager tot handhaving van een goede politie, wordt t’elkens daarbij verzogt van die genen, welke zoodanig een loterij aanrigten en geniet bij zoodanige gelegenheid van denzelven twee gulden, een gedeelte van den nacht, is er doorgaans mede gemoeid, aldus wordt er nog al veel geld onder den gemenen stand verkwist aan sterken drank niet uitgezonderd, waar van de loterije houders, het hunne ook daar van bekomen. – zoo dat door het eene zoo wel als door de loterij zelven, de houders een goeden winst opleverd; ware dat zoo niet, dan zoude zoodanig iets weldra ophouden. – Hier kan een ieder zijne stuivers, als hij maar zoo vele bij elkander kan krijgen, al lijden zij dan ook brood gebrek gaarn toe afzonderen; maar om de winkelschulden of belastingen te betalen, dan hebben zij vaak geen cent in huis.

 

Blz. 8
Den 18 Januarij, gister marktdag, buitengewoon regen en onstuimig, waar door vele voetgangers misschien doornat zijn geworden.

Den vorigen vrijdag ingevolge Advertentien in de Leeuwarder Courant  hadden de gecommitteerden vergadering van de afrekening der Brandsocieteit, en bleek dat de societeit gedurende 1833 bij nieuwe inschrijving toegenomen was. – De gehele inschrijving bedroeg vier millioen drie maal honderd en eenige duizenden Gulden en bij een goed slot, naar aftrek der onkosten bestaande ruim vierduizend Gulden, wierd de rekening van 1833 door mijn zoon gedaan, goedgekeurd en gesloten; besluitende de directie verder, om de schade door het afbranden van de Molen van Sijbe Leegsma, veroorzaakt uit de kas te vergoeden ter somma van vijfhonderd en bij de twintig Gulden.

De schrijver als afgaande gecommitteerde wegens Leeuwarderadeel en Schouwstra wegens Ydaarderadeel wierden op nieuw door de tegenwoordig zijnde deelnemers bij advertentie in de courant gister in ’s Lands welvaren te Leeuwarden geconvoceerd gecontinueerd, en overigens met genoegen het verslag door den voorzitter den Heer Wageningen over den toestand der Societeit, en de goede rekening den 10 bevorens door den boekhouder gedaan, gehoord waar na een ieder wel te vreden na het scheiden der vergadering, vertrok.

Ik kan mij niet herinneren, dat er bevorens bij zoodanige gelegenheid meerder tevredenheid bestond, althans er wierd, geen de minste aanmerking over de adminstratie gemaakt.

 

Blz. 9

Den 21 Januarij, sedert de vorige goed weer, dog heden harden wind; zonderling dat gedurende den winter, behalven in het begin van November, geen de minste vorst waargenomen wordt, behalven nu en dan eenig nachtvorst uitgezonderd, en dan nog maar eenmaal dat het water maar een weinig bevroren was. – Maar in tegendeel heeft men met dit open water, afwisselende regen harden wind, stormen, en onlangs in het begin dezes jaars ontzettende orkaan, welke bevorens in het midden van December des vorigen jaars in naburige landen vooral in Duitschland en Pruissen gewoed heeft waarbij de bosschen ontzettend geleden hadden, zoo daar door volgens berichten meer boomen omgeworpen waren, dan men in vijf jaren gewoon was te kappen.

Zondag l.l. heeft ons Domeni weder driemaal gepredikt. ‘s Middags was er een buitengewoon collect, voor de noodlijdenden wegens de overstrooming in Groningerland; hebbende de Kerkeraad tevens aanschrijving gekregen, om een collect te doen, voor diergelijke noodlijdenden in Noordbraband, en om dat gemelde collect ruim elf Gulden opbragt, heeft de Kerkeraad gemeend, om een gedeelte daar van voor de Noordbrabanders, af te zonderen, ten einde onze gemeente niet te veel bezwaard wierd.

Mijn zoontje is heden naar Leeuwarden om de Leeuwarder dingsdagsche Courant te halen, dit wordt zoo opvolgende ongemeen lastig, maar het verlangen

 

Blz. 10

naar nieuwstijdingen, overwint deze moeite, welke ik mij sedert eenige jaren getroost hebbe, en om dat ik doorgaans ‘s vrijdags zelf in de stad kome, neem ik onverlet deze dan mede. – Aan de redactie heb ik een overeenkomst, om de courant, zoo wel die des vrijdags als die des dingsdags, altoos vroegtijdig bij mijn Neef Hellema in de stad te bezorgen, van waar wij hem halen, het lezen dezer couranten kost over het geheel ‘s jaars Agt Gulden, twee mijner buitenlieden lezen de Courant met; bij het einde des jaars houden wij afrekening, en deelen als dan onderling de couranten, welke bij een hunner bewaard worden.

De onweersvolgels, waar van het onlangs in den omtrek krielde, zijnde een zeer groote zoort, groter dan eendvogels, en waar van de landen wit waren, vooral bij zonnenschijn een zeldzame vertooning gaf, zijn thans behalven enkelden geheel verdweenen.

Den 27 Januarij sedert de vorige regen en onstuimig, waar door het binnenwater ontzettende hoog is, waar door met een opjagenden wind alles bijkans onder water staat, zoo staat met een westen harden wind, het nieuwland bijkans geheel onder water het welk de Sneeker trekweg, welke op vele plaatsen onder staat, overstroomt. Ik heb ergens bij zoodanige gelegenheid, de oorzake dezer overstrooming gemeld. Ons bestuur wel is waar, heeft met behulp van de directie der waterstaat, sedert de belanghebbenden van de Sneeker trekweg, wel genood-

 

Blz. 11

zaakt, om de trekweg te hoogen, maar is tot nu toe in verre niet toereikende, waarom het Bestuur andermaal kragtig zal aandringen om de gerechtigden tot de trekweg te noodzaken ter geschikter tijd de trekweg tot de hoogte van de deuren van het verlaat te brengen.

Den 28 Januarij zeer onstuimig, het land wemelt thans weder van zeevogels, een teeken van voortdurende onstuimigheid; Ach! mogt het den Heere behagen, deze onstuimigheid, met gunstiger weder te doen afwisselen wie weet wat anders ons lot zal zijn. Voor de vloed van 1825 was het weder even onstuimig en langdurig blijkens onze aantekeningen van dien tijd.

Mijn knegt is zoo even naar Leeuwarden gegaan om biest van een kalfverlegger naar de bakker te brengen een brief in het Franeker schip te bezorgen naar mijn zoon te Achlum, remedie van de Apotheker om de schapen te begieten en de courant mede te brengen, behalven andere boodschappen te doen.

Men heeft ons aangeraden om een partij klimmer bladen te kooken een paar uur, en van dit afgekookte water de koe driemaal in te geven om het ongare en de ondeugd af te drijven, wij hebben dit rede gedaan of het helpen zal moet de tijd leeren.

Er is thans veel graagte om wol te koopen; ik heb de mijne nog niet verkogt, om dat ik de broeder van mijn zwager, welke dezelve gaarn wilde koopen, verwacht, hoewel anders tweemaal in de gelegenheid geweest zijnde: wat de prijs van dit produkt is, kan niet wel zeggen, maar tusschen een daalder en twee gulden het Nederlandsche lb.

 

Blz. 12

Den 29 Januarij, gister melden wij van de menigte der onweersvogels in dezen omtrek, het gevolg daarvan is geweest zoo als wij vermoeden: een hevigen storm heeft den verleden nacht tot op dezen middag gewoed uit het N. Noordwesten verzeld van regen en hagel, thans op den nadenmiddag, is het wat gunstiger maar bij het opkomen der vlagen is de wind nog zoo sterk dat men denzelven naauwelijks kon breeken, zoo als ik heden ondervond, op de te huis reis van het gebuurte, alwaar mij heden morgen hadde begeven om thans in het laatst der maand de rijksbelastingen te ontvangen. – De jaarlijksche verponding over 1833 is rede der vorige maand ontvangen, dog het Personeel en de Patenten, volgens een vorige bepaling der regering loopen van Mei tot Mei, en het is om deze Belasting te ontvangen, dat wij opvolgende van maand tot maand onze zittingen op ons Kantoor moeten houden.

Den 1 Febr. thans schijnt het onweer bedaard te zijn, Z.O. ten Oosten wind, heldere lucht en in den verleden nacht eenig vorst.

Geen de minste berigten ontvangt men van ’s lands aangelegenheden, er bestaat thans te Weenen een Congres van Duitsche bondgenooten, van welke de besluiten van de Conventie te Londen alwaar de vergaderingen geschort blijven, zoo men zegt, zal afhangen. – Er schijnt een sterke wapening van de Noordsche Mogenheden, waar onder vooral Zweden met Rusland vereenigd, te bestaan; Frankrijk en Engeland met Rusland vereenigd, te bestaan; Frankrijk en Engeland zijn geallieerd.

 

Blz. 13

Den 5 Februarij sedert de vorige zagte vorst stil en heldere lucht. Het ijs heeft zoo veel sterkte dat de kinderen het zelve met schaatsen konnen gebruiken; ik meende dat men naar Wirdum langs de sloten zoude konnen rijden, maar ondervond toen ik mij op schaatsen begaf, dat het niet sterk genoeg ware, en bond er mij dadelijk weder af.

Gister hebben mijn zoon en zijne vrouw uit de buren benevens Zije Wijngaarden hier gedurende den dag geweest, zij vertrokken ‘s nademiddags om 5 uur, dog Zije om 9 uur ‘s avonds. Wij sleten den dag aangenaam met elkanderen.

Wij hebben bij de afgekookte klimmerbladen geen baat gevonden, dog daar en tegen van zeeschuim als een ander middel met vrucht gebruik gemaakt.

Den 11 Febr. sedert de vorige zagte vorst, stil en heldere lucht. Evenwel vriest het zoo veel niet, dat het voor volwassene sterk genoeg zij, om te gebruiken.

Een bejaard godsdienstig weduwnaar van den arbeidersstand, welke sedert jaren door jigtigheid niet in staat was om te arbeiden; maar van een klein kapitaaltje konde leven, en zich alzoo voor twee gulden ‘s weeks opvolgende in de kost besteedde, bij zoodanige lieden, welke juist niet tot den armsten klasse behoorden; zoo woonde hij thans even ten noorden van Wirdum weleer de plaats van Murk Doekes Odinga, bij jonge lieden in, waar van hij zondags in staat ware naar de Kerk te gaan, zoo vaak

 

Blz. 14

er gepredikt wierd, en dan t’elkens weder te rug om te eeten en te drinken, zoo gebeurde het vaak dat wij deze man ‘s zondags als hij naar de kerk ging, wijl ons pad dat langs leide, hem passeerden en met hem praatten, omdat hij ook goed van reden en bescheid ware, en niemand van hem eenig overlast leed; zoo woonde hij dan den 9 ‘s morgens de godsdienst oefening bij, en bij het eindigen daar van ging hij volgens gebruik naar huis gezond en wel, te huis komende was de koffij klaar, zat mede bij den haard, om zijn pijp op te steeken, waar van hij veel gebruik maakte, de huisgenooten langden hem vuur, en toen hij dit wilde aanvatten, bezweek hij en was dood.

Dit zoo buitengewoon haastig sterven van Hendrik verwekte van allen die het hoorden veel indruk, men haalde wel terstond den Chirurgijn, welke hem eenige hofmansdruppen in druipte, maar hij was niet meer.

Hoe zeer moest men zich t’elkens voor het sterven bereiden, om dat de dood vaak zoo onverwacht en ook wel haastig iemand uit het leven wegrukt, zonder een oogenblik tijd te laten wel bereid den geest te geven. Dog wat baat het, de mensch is zoo verhard, dat hij bij zoodanig sterfgeval, wel een oogenblik over zich zelven nadenkt, maar even spoedig tot zijne gewoone gerustheid weder keert: ten ware een krachtiger hand Gods door de werkingen van den H. Geest, hem overtuigd, en tot de Genade van den H. Jezus doet toevlugt neemen en zoo behouden word.

 

Blz. 15

Niet tegenstaande de vorst, varen de schepen nog zoo even passeerde hier het 9 uur schip van Leeuwarden naar Sneek. De boter houd zich op de zelfde hoogte 3 a 34 gld. men zegt dat de kaas duur is wel tot de 20 gld.

Den 15 Febr. aangenaam schoon weder, verzeld evenwel van eenig nachtvorst.

Door de aanhoudene stilte, konnen de molens weinig malen, waar door zulke polders, welke bevorens met den harden wind, het water niet uitgekregen hebben, er deerlijk toe zitten, zoo is onder anderen de Kerke plaats boorde onder, alleen daarom wijl er vreemde landen door bemaald worden, en dezer gebruikers, de gaten in dijken en dammen niet stoppen niet tegenstaande zij bij herhaling gewaarschouwd worden. Dezer wijs worden de gerechtigden vaak in de grootste ongelegenheid gebragt; zoo als thans het geval met de Kerke plaats is, daar de gebruikers brave en oppassende jonge lieden zijn, die zoo wel bij nacht als bij den dag geen oogenblik verzuimden om als er wind ware, met kracht te malen, dog alles te vergeefs zuchtende thans onder den grootsten overlast des waters.

Zoo gaat het vaak in de wereld, in plaats van een ander te doen, het geen men wil ons gedaan te worden, doet de eene mensch ingendeel zoo veel verdriet dikwijls den anderen, als hij maar kan.

 

Blz. 16

Den 19 Febr. sedert de vorige veranderlijk koud verzeld van een stijve zuidenwind, afwisselende mist.

Bevorens zondag den 16 was ik verzogt bij mijn dogter en zwager Hiemstra in de buren, alwaar tevens ‘s nademiddags na Kerktijd verzogt waren: Zije Wijngaarden en zijne vrouw, Broer Smeding benevens mijn zoon en vrouw. Wij sleten den avond te zamen in gulle vriendschap en godsdienstige gesprekken, en scheiden niet dan om 10 a 11 uur ‘s avonds; ik had mijn knegt besteld om mij af te halen, het was ligte maan en goed weer.

‘s Anderen agtermiddags had mijn zoon en zijne vrouw mij ten hunne verzogt, om ‘s nachts ook te blijven, alwaar tevens verzogt waren Domeni en Juffrouw, Palsma en vrouw, benevens mijn zwager Hiemstra en vrouw; wij sleten den avond in aangename en godsdienstige gesprekken, waarna de vrienden ons half 12 ‘s nachts verlieten. Schoon de vrienden mijne vrouw gaarn ook bij hun gehad hadden, moest zij evenwel daar van afzien, om dat wij nog niet rijden kunnen, en daar henen te wandelen is zij te zwak op de gang.

Gister was bij ons een voordogter van mijn zwager te Goutum, zijnde een dogter van mijn overleden zuster, zij was de bruid van eenen Doekle Andringa mede gebruiker der Kerke plaats, welke hier gedurende den dag ook tegenwoordig was, ‘s avonds om 8 uur verlieten de jonge lieden ons, de bruid is Wopkje genaamd.

 

Blz. 17

Den 22 Febr. onstuimig N.W. Wind; het water zakt, ten gevolge ook van den harden wind, echter merendeel door het stroomen der zeesluisen onlangs door het fraaije weder, een schoone gelegenheid daar aan toegebragt.

De boter rijst, staat ongeveer tot 36 Gulden, de granen blijven op dezelfde hoogte behalven de Rogge is hooger.

Elders zijn er eenden eijers en ook ter markt gebragt, dog de onzen zijn nog niet aan den leg, opvolgende zijn er 4 Eenden en 2 Erken alhier van de onzen dood gevonden, wat de reden daar van zij weet ik niet; want gedurende de winter met het open en hooge water zijn ze buitengewoon vet en daar wij sommigen ‘s daags tevoren fleurig en zoo het scheen welgesteld zagen, zoo op het oogenblik stierven is iets buitengewoons.

Den 8 maart, sedert de vorige goed weer, echter harden wind, zoo als heden steeds vermeerderende.

Bevorens den 25 Febr. kregen wij het eerst eendenei, thans 22, in het begin of midden Januarij zijn al elders hier en daar eijers gekomen; selden heeft men trouwens zulke opene winters, maar een weinig vorst, en geheel geen sneeuw, schoon volgens de couranten gedurende den winter een sterke vorst en veel sneeuw in Rusland viel; door het opene weder zijn de landen zeer schoon van gedaante en beloven een vroegen lente gewas.

 

 

Blz. 18

Gedurende 14 dagen zijn hier opvolgende twee jongens en een meisje van mijn dochter en zwager hier uit van huis, waar bij deze week een meisje van mijne dochter en zwager uit de buren nog de uitvanhuizers vermeerderende, heden gaat ons Klaaske met Lijsbeth het meisje van Hettes naar de buren, om een paar nachten daar te blijven. – Den 3 dezer zijn onze Akke en Ytje naar Birdaard, gereisd om aldaar eenige nachten bij mijn broeder uit van huis te zijn, en van daar eenige nachten op Hallumer mieden bij mijne dochter en zwager te gaan, waar van wij gister berigt ontvingen: dat zij heden van Birdaard derwaards zouden reizen, hetgeen om den harden wind niet te best treft; als mede ook niet voor mijn zoon en zwager uit de buren, welk heden naar Achlum te voet zouden reizen, om mijn zoon aldaar een paar nachten te bezoeken.

De boter is tot ruim 38 Gulden gerezen, dog konde gister bezwaarlijk prijs houden.

Wij hebben thans 6 melke beesten en een kalf verlegger, zijnde allen bullekalven; de kalfsvellen gelden ruim een Gulden, ik hebze verkogt uit en uit dat is ligte en zware door elkanderen voor een Gulden en vijf Cents; voor kalvers zijn mij 5 Cents min twee Gulden geboden dog niet geaccordeerd thans moeten wijze slachten, waar mede eenige burgerij in de buren rede ten geschenke gezonden hebben waar onder Domeni en de meester, in vroegere tijden was dit onder de boeren een algemeen gebruik maar nu de accijns 29 Cents bedraagd, wordenze meest verkogt.

 

Blz. 19

Den 13 Maart sedert de vorige buitengewoon schoon en stil weder, heden nachtvorst, de landen groenen zeer, waar door sommige boeren, welke hoog en droog land hebben, de jong beesten spoedig zullen uitlaten; zij konnen overal wel aan de kost komen, indien het land droog genoeg ware.

In het laatst der voorgaande maand, zijn van de zeven lotelingen tot de Militie alhier, welke hun 18de jaars primo Januarij bekomen hadden, bij de loting maar een vrij gelot, zijnde een zoon van Feije Rinsma, onder de anderen is een een zoon van Jan Valkema, welk alleen in staat is om een Remplaicent te koopen, de overige 5 moeten soldaat worden.

Den 1 maart zijn de aangelotte van de vorige jaren toen te klein zijnde, dog thans de maat hebbende hier doorgetogen, makende op het oog wel anderhalf honderd man; dog deze zijn ongemonteerd na eenige dagen van Zwol weder te rug gekomen met 6 maanden verlof.

De outste dogter van mijn zoon uit de buren is hier thans uit van huis, Akke en Ytje zijn den 10 van Hallumer mieden ook te huis gekomen, waar over ik mij bij mijne te huis komst uit de buren verblijdde, ik was gedurende dien dag ten deele aan het Kantoor en overigens met mijne mede Kerkvoogden in de herberg om in de belangen onzer Kerkelijke adminstratie te voorzien; onder anderen in de reparatien aan de Pastorij te bestellen, welke

 

Blz. 20

door den harden aan een beschuttinge gebroken ware wijders, om de onwilligen welke het maalgeld aan de gebruikers van de Kerke plaats niet wilden betalen, tot hun pligt te brengen; als mede om eenen Hendrik v.d. Wal, op de kleine buren, welke zijn ruigscherne op de kerkegrond uitbreide, te noodzaken dezelve in te trekken op dat de boomen geen nadeel leden. Als mede om in het onderhoud van de schilpaden van het kerkhof te voorzien, waar van Pieter A. Renema hadde bedankt, en is in derzelver plaats Andries Andringa gekozen, genietende daar voor het gras gewas op het kerkhof en de buren en daar te boven nog vijf gulden jaarlijks aan de Kerk te betalen.

Gister heb ik een dag bij Zije Wijngaarden in de Noodeind aan zijn in aangename gesprekken doorgebragt. Na alvoorens bij het doorgaan aan Broer Eekma wiens vrouw bevallen ware, namens mijne vrouw een kraamkoek aangeboden te hebben; mijne vrouw hadde voor de visite bedankt, om dat wij nog niet konden rijden.

Gister heeft men hier het eerst een ojevaar gezien, en heeft zich eenigen tijd op het nest opgehouden, dog sedert verwijderd; of dit ons eigen of een vreemde geweest is weet ik niet.

 

Blz. 21

Den 19 Maart. Sedert de vorige schoon droog weder verzeld van nachtvorst.

Heden kwam de controleur Bourisius aan ons huis welke te Wirdum het Kantoor geviseerd hadde, om het proces verbaal daar van opgemaakt, door mij te doen teekenen, volgens gewoon gebruik, t’elkens als hij het Kantoor heeft opgenomen, hetgeen volgens de Wet door hem om de 2 of 3 maanden moet geschieden, somtijds ook door den Hoofd Inspecteur.

Er is thans aan het Kantoor zeer weinig te doen, als alleen het gemaal en nu en dan wordt er een nuchteren kalf aangegeven. De boeren hebben een volstrekten afkeer om nuchteren kalvers te veraccijnsen, alleen om de commiesen in survilleren niet in handen te vallen, wordt er maar zoo min mogelijk door hen veraccijnds; schoon de accijns maar 29 Cents van een nugteren kalf bedraagd.

Wij hebben thans 11 melke koeijen, en daar van maar twee koekalven, en agt biggen bij onzen zeug, zijnde heden een week oud. – Het gaat daar mede zeer voorspoedig boven verwachting om dat de oude sederd anderhalf maand gaan nog staan konde, en scheen van agteren geheel verzwakt, dog neemt thans van dag tot dag in sterkte toe, zoo dat hij niet alleen staat, maar ook iets gaat.

 

Blz. 22

Den 22 maart sedert de vorige het zelfde bestendige weder, waar door het jongvee hier en elders opvolgende in het land gelaten worden, dog om dat wij genoeg hooi hebben, ben er juist zoo vroeg niet voor.

Gister reisden met mij uit de stad, Wytske en Grietje beide mijns broeders dogters, om hier eenigen tijd uit van huis te zijn; ik vind er altoos een aangenamen tijd in, de tegenwoordigheid der familie te genieten, men spreekt zoo gul zoo vrij over elkanders belangen. – Het morgen ontbijt hebben wij zoo even genoten terwijl ik dit schrijf terwijl mijne kinders en deze onze nichten zitten te breiden, waar van anderen het huis en boeren werk doen, echter op dit oogenblik zijnze allen verwijderd, terwijl mijne vrouw mede het huiswerk in order schikt.

Onze zeug heeft 8 biggen, niet tegenstaande dezelve voor dien tijd van agteren lam ware, thans weder opstaat, dit gaat boven alle verwachting; de eenden eijeren kosten gister 35 Cents, dit is wel zoo duur niet als andere jaren, maar zij hebben den verleden winter ook geen cent gekost; de boter was 35 a 36 Gulden, de granen zeer slap.

Ik heb de groote boonen in de grond, dog mijn broeder welke een grooten tuin heeft, heeft de boonen en orten op den kouden grond al boven in den regel, zeggen de meisjes.

 

Blz. 23

Den 25 Maart, sedert de vorige aller onstuimigst regen, hagel, sneeuw en harden, het is thans eenigzins beter, maar bevorens zoo stormachtig, dat het te bevrezens staat, van ongelukken op zee.

Gister den 24, hadden wij vergadering van het Friesch genoodschap, bij v.d. Wielen in de Sacramentstraat te Leeuwarden, de werkzaamheden vingen aan onder voorzitting van den Grietman Beijma, bestaande in de voorlezing der Notulen van de vorige vergadering, verslag der Commissie tot de winteravond vergaderingen, voorlezing van den Heer Suringar, over het leven lotgevallen, dooden, en dood van onzen voormaligen stadhouder Prins Johan W. Friso, wijders over de belangen des Genootschaps gehandeld zijnde, ging men over tot de ballotage van de Heeren Thomson en Abrahason te Koppenhagen als Honoraire leden aangenomen en den heer Siccama te Oxfort als buitengewoon lid als gewoone leden wierden aangenomen de jonge Heer Beijma en N.N. waar na de vergadering is gescheiden.

Het is verwonderlijk de groote kwantiteit zeevisch welke opvolgende aan de markt te Leeuwarden wordt verkogt, behalven die welke in het land worden uitgevend, bestaande in kabeljauw schelvis, schol enz. alle deze menigte visschen komen alhier over Dokkum uit de visschers dorpen.

 

Blz. 24

Behalven die visch welke uit andere zeeplaatsen als Harlingen, Workum enz. ingevoerd wordt, kan het niet anders zijn of de zee leverd ons ook in dit opzicht veel tot de instandhouding van ons maatschappelijk bestaan, tot het welvaren van den Friesche Natie.

Ik kan mij niet herinneren dat voormaals voor 20, 30, 40 en 50 de soort van schol zoo groot viel als sedert eenige jaren, men ziet maar zeer weinig middensoort, het zijn allen grooten, ten naasten bij als Tarrebot, waar aan dit toe te schrijven is, zal voor de natuurkenners het best zijn op te lossen.

Twee mijner jongste kinderen zijn bij mijn zwager te Goutum uit van huis, en blijven om het gure weder daar zij zijn, zoo ook mijne broeders dogters, welke voornemens waren heden te vertrekken naar Goutum, maar als het weder niet bedaard laten wij hen niet trekken.

Het heeft ons verwonderd dat de ojevaars niet te rug kwamen, maar misschien heeft het instinct door het thans plaats hebbende onstuimige weder hen te rug gehouden. De wetten der natuur ook in die der trekvogelen zijn voor ons onnadenkbaar.

Zommige boeren hebben de beesten uitgejaagd maar het mag hen wel spijten; want dit vee lijdt.

 

Blz. 25

Den 3 April. Sedert de vorige goed weer, behalven den 31 dezer, koud en guur verzeld van sneeuw, gedurende den dag N.W. waar door het scheen als of er een winter zoude invallen; want gedurende den gehelen winter is er zoo veel sneeuw niet gevallen, als op den laatsten dag van maart, dog is van geen gevolg geweest.

Mijne dogter van Hallumer is met haar kleinste kind sedert den 28 l.l. tot den 1 April alhier uit van huis geweest, wij hebbenze met den wagen naar het tolhuis gebragt en van daar met de meid en een mijner dogters ‘s nademiddags in het Hallumer schip gebragt.

Op heden den 3 April wordt ik 68 jaren; voorwaar een lange reeks, in welke jaren ik veel zuur en zoet heb ondervonden; ik heb het geluk dat ik steeds eene goede gezondheid geniet en tamelijk sterk ben, alleen het gezigt merk ik dat zwakker begint te worden om in de verte te zien.

Laatstleden den 31 waren mijne kinderen uit de buren en Zije Wijngaarden alhier gedurende dezen onstuimigen dag, en ‘s avonds na aangenaam met elkanderen geweest te zijn vertrokken mijne kinderen te voet en Zije met zijne vrouw, met een overdekten wagen bij duister maan.

Het is zonderling dat onze ojevaars nog niet te rugge zijn, wij verlangen naar derzelver komst.

 

Blz. 26

Den 11 April sedert de vorige koude Noorden wind verzeld van hagel en sneeuwbuijen. Onlangs donder. –

De ooijvaars zijn nog niet te rug, of deze invallende koude, daar van de oorzaak zij of dat zij niet meer leven? zal de tijd leeren. Nu en dan ziet men een enkelden, maar over het algemeen zijnze in dezen omtrek nog niet gezien, welke gewoon jaarlijks op de schuren nestelen.

De kieviets eijeren zijn hier ook niet overvloedig en tevens niet duur; de een eijeren gelden 35 Cents.

Wij hebben de jong beesten nog op stal, schoon er vele buiten loopen, maar deze lijden wegens de koude.

Van tijd tot tijd vang ik nog mollen met de vallen, gedurende dit voorjaar heb ik 14 a 15 gekregen, verleden jaar ongeveer 30. Mijn zwager op Hallumer mieden, heeft in dit voorjaar 136 op zijn land gekregen. Landmuizen bespeurd men niet.

Den 13 April even onstuimig als voren, heden middag sterke donder in de nabijheid.

Eene aanschrijving ontvangende van het Friesch genootschap, om mijn voorstel bij monde op de jongste vergadering gedaan, voor de eerstvolgende vergadering in geschrift te doen, ten einde een punt van deliberatie te doen geworden.

Als mede van den W.G. Heer Breugel Staatsraad in ‘s Gravenhage, om als lid van het Kies Collegie, bij de eerste vergadering tot het kiezen van lid tot de Staten van

 

Blz. 27

Friesland, deze keus op zoodanig een persoon te vestigen, welke de landelijke belangen van deze provincie zeer toegedaan zij, overeenkomstig zijn stelsels van Porto Franco, waar van een uitgewerkt stukje in den verleden jare mij doende geworden, en tevens een nader bewerkt plan over dit onderwerp thans bijgaande mij doende toekomen.

Gister morgen is onzen kastelein B. v.d. Kooij na een hevige ziekte van eenige dagen overleden, als toen weduwnaar, trouwde hij eene voordogter van mijne eerste vrouw, met welke hij ongeveer 20 jaren is getrouwd geweest, zonder kinderen bij haar te verwekken. Hij was een gezellig man, maar ongelukkig tot aan zijn einde aan de drank verslaafd, waar door zeer veel ongemak tusschen genoemde echtelieden ontstond.

Heden hebben de klokken te Wirdum geluid, zonder te weten wie er begraven wordt.

Den 19 April, sedert de vorige altoos droog helder weder, verzeld van nachtvorst, scherpe lucht; ten gevolge daar van ben ik gister zeer verkouden geworden, aan een ontsteeking in de keel;

Bevorens den 16 ben ik een paar nachten bij mijn broeder op de Streek geweest, alwaar mijn blinde zuster ook ware; ik verwonderde mij aldaar zeer over de sterke doorvaart van schepen, vooral dezulke welke met koeijen geladen waren, om naar Holland te schepen.

 

Blz. 28

De handel wordt sterk gedreven van uitvoer van Rundvee naar Holland; een zwager van mijn broeder welke ook een koe koopman is ontving gelijktijdig 3 schepen vol ieder met 28 bevragt, waar van twee met kalve of melke en 1 met vette bevragt, en dit ging alle weken zoo zeide men mij. – Het vee is in een matigen prijs, de vette 35 Cents het N.lb. De boter wordt goedkoop, gister was de prijs 24 Gld. de hoogste.

Mijn zoon van Achlum is hier ook een nacht geweest, ten gevolge van het overlijden van der Kooi, ook mijn zwager van Hallumieden.

Het gebruik der begravenissen wordt thans vrij algemeen op den nadenmiddag gesteld, zoo met als wijl. v.d. Kooi ook plaats hadde.

Eindelijk is op den 15 April de eerste ojevaar ook te rug gekomen, en heeft dadelijk het nest betrokken, het welk hij gedurende selden verlaat, schijnende opvolgende het wijfje te verbeiden, wanneer dit komen zal moet de tijd leeren, waarschijnlijk zeer aanstaande; elders onder behoor van Wirdum zijnze ook te rug gekomen.

 

Blz. 29

Den 3 Mei, sedert eenige dagen allergunstigst weder, waar door de land zeer veranderd zijn, en de groei in alles zeer toegenomen is, veel vee loopt er thans uit, waar onder meest het jongvee, dog sommige boeren, hebben alle de melke koeijen ook uit zoo heeft mijn buurman onder anderen zijn melkvee, gister avond ook in het land gejaagd – dog het heeft in den vroegen morgen en afwisselende tot nu toe zeer veel geregend, west N.W. wind.

Wij zouden heden morgen ook een partij melkvee in het land gebragt hebben, maar om den regen hebben wij daar van afgezien.

Onze kinders, zijn sedert de vorige laborerende aan zware verkoudenheid en keel ontsteeking, zoo is onder anderen mijn zoontje Lykle, sedert drie dagen ziek en ontsteeking in de keel, het schijnt wel, het roodvonk te zullen worden, waar van men gedurende elders en ook onder onze bevolking hoort.

Gister zijn de jonge lieden tot de militie aangelot naar Groningen, en het ander gedeelte hier door naar Zwol gemarcheerd; door de gewoonte schijnt dit zoo veel indruk niet te maken, als wel bevoorens; schoon dier ouders welker zoons uittrekken en daar door van hunne dierbare betrekkingen verwijderd worden, veelal zeer gevoelig aangedaan zijn, dog die het eenigzins doen kunnen, koopen remplaicenten van 4 tot 6 a 700 Gulden, en geraken sommige die het niet wel uitvoeren konnen, vaak in groote verlegenheid.

 

Blz. 30

Den 6 Mei, allerschoonst vruchtbaar weder, ten gevolge daar van hebben wij gister den 5 al ons melkvee in het land gebragt.

Ons zoontje Lykle, is nog steeds bedenkelijk ziek aan het roodvonk, hij heeft afwisselende koorts en is gedurig ijlhoofdig, schoon hij op het best de allerminste trek niet tot het eeten heeft, verlangen wij zeer naar beterschap, hij heeft ook weinig rust, zeide gister de Chirurgijn dat het wat beter was; en wij hebben sedert altoos eerder verslimmering dan verbetering ondervonden, het is zeer werkzaam hem te bedienen, vooral om hem gedekt te houden, dewijl hij zich gedurig bloot woelt; wij konnen hem evenwel beter verstaan dan bevorens, hij praat onophoudelijk, vooral betrekkelijk het schoolgaan en de wederwaardigheden met zijn schoolmakkers, over de boerderij, koeijen, schapen enz. en dit alles zonder zamenhang of verband, ik verwonder mij dikwijls, hoe het mogelijk is, dat de denking zich zoo ras kan afwisselen, geheel strijdige voorwerpen voor den geest brengt en de gedagten zoo vlug afwisselen en dwalen. Ach wat is de mensch! een afhankelijk schepsel, O! alles en alles zijn wij aan onzen dierbaren schepper verschuldigd! hoe moesten wij niet naauwgezet in liefde voor hem leven en wandelen!!

Ons ojevaar blijft nog steeds alleen, hij houd het nest als gewoon, en weert alle vreemde ojevaars, welke hier dikwijls in den omtrek zich zien laten. Wij geloven dat dit het wijfje is, zoo dat het mantje waarschijnlijk gestorven, of ongemak geleden dat het te rug blijft, en om een of ander oorzaak althans te rug blijft. Wij hadden gaarn het te rug gewenscht.

 

Blz. 31

Den 12 Mei, gedurende allerschoonst weder en buitengewoon vruchtbaar.

Behalven ons Lykle is Klaaske en daarna IJtje, vervolgens Akke, door deze ziekte aangetast: het is onuitsprekelijk, welk een drukte dit veroorzaakt vier zieken te gelijk te bedienen; vooral van zoodanigen eenen aart als deze, het geween en geklag zoowel bij den dag, als des nachts is hartbrekende. Het pappen van lijnkoek en zuurdeeg, is een gedurende werkzaamheid, het medicijnen toedienen een moeijelijke bezigheid, het gorgelen der keel met melk in vijgen gekookt, eene pijnlijk gevoel voor de zieken, met drinken daar te boven en mond uitspoelen verzeld gaande; – Lykle en Klaaske zijn aan de beterhand en zitten dagelijks eenigen tijd op, met Lykle is de ontsteking der keel naar buiten in de klieren gezet, en zal waarschijnlijk een gezwel aan den hals veroorzaken, door pijnlijkheid aan de voeten en beenen, kan hij gaan nog staan – IJtje moet men helpen in het omleggen en klaagt zeer over pijnlijkheid in de armen en beenen, dog schijnt aan de beterhand – Akke keel is zoo ontstoken, dat zij weinig of niet kan doorzwelgen. – De meid is er ook van aangetast en is reeds weg, overigens zijn mijne vrouw, de drie kleinste kinderen en de knegten nog gezond. O! dat wij bij deze gezondheid bewaard mogten blijven! en de zieken hersteld wierden! dan worden de bezoekingen ontzent halven nog zeer gelenigd en dan hebben wij groote reden van dankzeggingen. O! dat geve de Heere!!

Den 22 Mei, opvolgende zijn Klaas en sedert 3 dagen Hanna en Sytze van het roodvonk aangetast, Lykle is ver agter uit geraakt en men moet hem als een kind behandelen de Chirurgijn Beekhuis, heeft het gezwel aan den hals opengemaakt

 

Blz. 32
en ettert schoon, Klaaske, Klaas, Akke en IJtje zijn aan de beterhand, zitten op en handlangen, de beide jongere zieken schijnt zich ook te zullen schikken, Ach! dat de Heere ons van deze van dezen dood verlosse, en wij overigens gezond blijven. Het is gister 3 weeken dat Lykle aangetast geworden is.

Den 27 Mei. Sedert eenige dagen is het zeer koud, harden noordenwind. – Met de bevorens gemelde zieken, is het zoo voorspoedig niet, als het scheen, vooral onze lieve kleine Sijtze, schijnt zeer pijnlijk en dik aan de keel, is zoo ook niet te besturen als de andere. Lykle kan alleen nog niet van en na bed gaan, de gebeterden herstellen meer en meer.

Door het bevorens schoone weder is het zoo vruchtbaar, als het bij menschen geheugen nimmer beter geweest is; sommige boeren zijn in het midden dezer maand en eerder reeds begonnen te maaijen; Hooghiemstra hadde een stuk land, om op den 12den dezer te beginnen te maaijen, zoo is het hier zoo is het elders ook zijn wij voornemens, zoodra de maaijers komen aanstonds te beginnen. Men zegt dat het even voorlijk is met de granen, en een rijken en voorspoedigen oogst beloven. Dog daar en tegen zijn alle voortbrengsels zeer slap in prijs, de boter tot 2 a 23 Gulden, de granen slap en zoo alle de produkten. De boomvruchten beloven uitmuntend; als deze geen bijzondere tegenheden ondergaan staat het er toe, dat er vele appels enz. komen.

Ik heb aanschrijving als kiezer, om op den 2 Junij te Bergum te compareren, om als dan een nieuw staats lid, voor den overleden Cats te benoemen; Palsma heeft bedankt, Hooghiemstra en Stienstra heb ik niet gesproken, over deze reis, als deze zoo gezind zijn dan ben ik al voornemens derwaards te reizen. Het geeft Leeuwarderadeel en Ferwerderadeel, waar uit de kiezers bestaan om naar Bergum te reizen, zeer veel moeite.

 

Blz. 33

Den 31 Mei, sedert de vorige even schrok, vele boeren maaijen reeds, ook zijn wij heden begonnen; mijn buurman, zweelde gister en heden 3 pondemate en dogte dit hooi ook gedeeltelijk in huis te krijgen.

Het gaat met mijne kinderen nu voorwaarts waar van vijf genezen zijn, ook Lijkle, welke eerst ziek geworden is, begint zich op over de vloer en in het buithuis te begeven, was voor een paar dagen dik om het hoofd en aan de beenen, dog is nu wat beter, de wonde aan den hals ettert nog, en wordt opvolgende met lijnkoek gepapt. Ons kleinste Sytze namenlijk, begint ook wat te beteren, zoo dat het schijnt, dat alle deze mijne zeven kinderen, van deze ziekte zullen behouden worden; hier en elders worden vele van deze ziekte aangetast, waar van de meeste genezen worden, dog ook anderen sterven.

Op den 2 Junij zoo als bevorens melde zijn de kiezers opgeroepen, Palsma heeft bedankt, Hooghiemstra is niet wel, misschien reizen Stienstra en ik als dan te zamen met de Chais.

Verleden Vrijdag heeft mijn knegt ons eerste partij nieuwe kaas verkogt voor twaalf Gulden t schip lb. De boter als voren 2 a 23 Gulden.

Den 7 Junij sedert een paar dagen afwisselende regen, dog thans weder droog en schrok.

Het is sedert vijf weken, dat wij allen den verleden nacht te bed gelegen hebben, en een goeden rust genooten; dankbaarheid zijn wij boven alles verschuldigd aan de goedheid gods, die ons allen heeft bewaard en alle onze 7 kinderen in zoo ver hersteld

 

Blz. 34

dat wij bij voortdurende herstelling, bij welzijn van het nachtwaken zijn bevrijd; de sporen door deze ziekte zijn aan mijne kinderen nagelaten, de een min en de andere meer zeer zichtbaar aan het vervellen, allermeest aan handen en voeten, dit is bij allen eene geliefkoosde bezigheid, om het oude losgelaten vel af te stroopen, onze kleine Sijtze is het van de dijen tot aan de voetzolen over de gehele huid te zullen afgaan, zijne handjes zijn even als nieuwe geschrobde aardappels, waar van de oppervlakte van den huid zoo afstroopt.

Den 14 Junij sedert de vorige afwisselende regen waar door ook niets in het hooi gedaan wordt; er wordt zeer naar droogte verlangd, dewijl het eerste hooi het welk heden 14 dagen zoo ook met ons is begonnen gemaaid te worden, niet beter wordt, vooral dat in het eerst der week gelijk ook wij gedaan hebben, gekeerd is.

Ik had ons beide onleegtijders van Augustijnsga op den 11 beschreven, welke toen ook gekomen zijn benevens Pieter mijn zusters zoon, die sedert den 1 Mei bij ons om de behulpzame hand te bieden in onze bevorens gemelde omstandigheden van ziekte en ongemakken, woont, ook tot de onleegtijd gewonnen, als mede een maaijer, die zijn hand verstoekte en daarom niet maaijen konde, welke gaarn in het hooiwerk bij ons wilde werken ook gewonnen, zoo ook die vrouw, welke bij ons tijdens de ziekte ons werk deedde, nog daar te boven ben ik, voornemens nog een maaijer, welke thans een stuk voor ons maait, omdat hij anders geen werk heeft  [Tekst breekt hier af.]

 

Blz. 35

Bij meerderheid van stemmen in de kiesvergadering op den 2 dezer te Bergum, zijnde benevens Stiensma tegenwoordig is Hora Adama secretaris van Leeuwarderadeel met 16 stemmen tot lid van de Staten van Friesland benoemd, overigens hadde Wageningen Secretaris en Buma Grietman van Baarderadeel ieder een stem en Bergsma Vrederegter van IJdaarderadeel ook een stem.
Mijne kinderen, waar van 5 geheel hersteld en Lijkle en Sijtze ook beteren en zoo ik hoop eerlang geheel zullen herstellen, hebben deze ziekte aldus in ruim vijf weeken doorgeworsteld.

Dewijl het heden gunstig weder is, zweelen en keeren de boeren in den omtrek, maar wij doen er niets aan, dewijl om te zweelen het hooi niet te droog en om te keeren het weder te wankel is, morgen is het Zondag.

Den 18 Junij, sedert de vorige afwisselende regen en wind, sedert heden 8 dagen zijn de onleegtijdes hier, en hebben niets konnen doen, behalven, dat wij eenige oppers gezweeld hebben, en wij hebben 61 pondematen, thans schijnt het weder droger en daarom heb ik het volk gestuurd om te schudden het zweelen wordt moeijelijk, om dat het nieuwgras zoo schiet, en doorwast.

Blz. 36

Sedert den 10 is de Domeni van Achlum zijne vrouw met de 2 van de jongste kinderen hier te Wirdum bij de familie, en den 16 is de Domeni met het outste zoontje daar ook gekomen, gister hebben wij bij mijne dogter en zwager Hiemstra bij elkanderen den dag aangenaam met elkanderen doorgebragt, Palsma hun Oom en zijne vrouw, waren daar ook bij ons.

Verleden zondag over 14 dagen waren mijne kinderen uit de buren met hun 4 met ons wagentje naar Oostermeer om Dos Beuning te hooren. Zije Wijngaarden en zijne vrouw, benevens 4 kinderen van de Wed. van Andries Smeding waren derwaards ook gereden om dien Dos te hooren

Verleden Zondag over een week ben ik een nacht bij mijn broeder te Wanswerd of op de Streek geweest, alwaar mijne kinderen uit de buren des Zondags ook waren en hoorden Dos Landweer te Birdaard.

Verleden Zondag waren mijne kinderen uit de buren, Zije Wijngaarden en zijne vrouw benevens de kinderen van Akke Wed. van Smeding te Heeg om Dos [Naam niet ingevuld]   te hooren, ik hoorde hier Dos van Dijk te Mantgum, welke hier ‘s nademiddags preekte, verleden Zondag 14, hoorde ik DosSnethlage des voormiddags, en was overigens te huis, alles ten gevolge, om dat ons Dos sedert naar Oostvriesland is, zondag aanstaande wordt hij te huis gewacht.

 

Blz. 37

Den 26 Junij, sedert de 23 allerschoonst weder, dog van den 18 tot den 23 nu en dan regen, wij hebben evenwel van den 18 tot heden 44 pondemate gezweeld en er gedurende dien tijd 61 wagen vol te huis gehaald de 15 pondemate welke morgen avond 8 dagen geheel eerst afgemaaid is hebben wij dus binnen 8 dagen heden gezweeld, en waar in 72 roken hooi zijn, zoo dat met deze van de gem. 44 pondemate 87 roken buiten staan. – Een ieder bewonderd welke de straatweg nevens deze 15 pondem. het zij met het rijtuig, of te voet passeert, de groote hoeveelheid hooi, welke dit land thans oplevert. Nog 17 pondem. moeten wij zweelen, de maaijers zijn in het laatste stuk.

Niet alleen wij maar ook onze buren en alle de boeren hebben vooral in deze 4 dagen een ongemenen spoed met den onleegtijd gemaakt. Die er geen ondervinding van heeft, kan zich nimmer het onderscheid als het met of tegenweert in den hooi oogst verbeelden; een volle week dat is tot den 18 konden wij niets in het hooi doen waar door onze onleegtijders omliepen en zich verveelden; daarbij komt nog, dat het hooi lang zoo veel waarde niet heeft, als het nu en dan regent, en daar door zeer vatbaar om te broeijen is, zoo als ons eerste hooi, dat wij voor den 23 inbragten, rede broeit, zoodanig, dat deze 20 weiden welke wij bij wankel weder inhaalden, en op oud hooi gebragt hebben, mij eenig vrees aanbrengt, om daar op meer te hooijen, alvoorens wij met de roede onderzoek gedaan hebben.

 

Blz. 38

Den 5 Julij, schoon droog weder sedert de vorige aanteekening.

Gister den 4 hebben wij den onleegtijd gedaan gekregen, waar over wij opvolgende zonder eenig verlet juist 15 dagen werkten. Nimmer hebben in zoo korten tijd zoo veel hooi tot 204 weiden in de schuur gebragt, welke ook tot de hanebalken vol is; ik hadde 5 onleegtijders waar van 2 gewoone van Augustijnsga, een mijn zusters zoon Pieter, de overige 2 grasmaaijers fikse kerels, welke het werk schoon verstonden, bovendien nog eene vrouw, welke gedurende ons ziekte hier als een arbeidster werkte, behalven nog onze knegt, zoo dat wij bij den zwaren onleegtijd, ook zwaar volk hadden.

Wij hebben hier in den omtrek het eerst gedaan gekregen, velen hebben vrij wat nog te zweelen en hooijen; over het geheel komt er een groote kwantiteit hooi, meer dan wel ooit in vorige jaren.

Den 19 Julij, sedert de vorige tot heden nacht droog weder, dien ten gevolge, hebben wij de ruigscherne uitgebragt en geslegt, welke arbeid, mede in de onleegtijd begrepen was, en waar toe de onleegtijders volgens akkoord verpligt waren.

Niet tegenstaande wij rede in het hart van de middelste golle alwaar over de 100 weiden hooi in zaten een gat gemaakt hadden, merkte ik van tijd tot tijd dat het broeijen de overhand hadde, hebben wij op den 12 bevorens terwijl de ruigscherne juist aan een kant was, met de beide onleegtijders de gehele dag gewerkt, om het gat te verwijden en naar de schuurreed uitgeworpen, en dat de broeijing zeer de overhand hadde, en het hooi koffijbruin geworden ware.

 

Blz. 39

Op dien avond bragt mijn knegt na gedaan werk de onleegtijders ‘s avonds half 6 met de wagen naar Hardegarijp. –  Evenwel merkte ik des zondags dat het broeijen nog niet ophield, zag ik volk te krijgen om ‘s anderen morgens des maandags den 14 weder in het hooi te werken, en sedert dien tijd tot den 17 ‘s avonds hebben wij die gehele golle uitgewerkt, waar van twee blokken van het minste op het Hiem en het andere hier en daar, maar meest in de schuurreed uitgeworpen dagelijks van den vroegen morgen tot ‘s avonds laat, 4, 5, 6 a 7 man in het bloote hemd, daar mede bezig geweest zijnde.

Tusschen beiden evenwel, daar de voorste golle ook te heet was, hebben wij in het midden een groot gat gedold, dog hier mede niet genoegzaam hebben wij het gat verlengd, en dat hooi het welk men wrijven konde, naar de middelste om dat wij daar de meeste ruimte hadden uitgewerkt; toen eenigzins gerust zijnde, hebben wij er sedert niet aan gedaan, tot dat na verloop van tijd, als alles bedaard is, zoo ik hoop, wij het meeste uitgebragte hooi weder op zijne plaats zullen brengen.

Aanmerkingen. Hier en elders, waar van men ook hoort broeit het hooi op een onzettende wijs, niet alleen wij maar een menigte anderen, over de Zwette en overal op de klei naar Sneek en elders in Friesland zijn, in het geval van het hooi uit te werken, om het verschrikkelijke broeijen.- Bevoorens, waar van in aanteekening der vorige jaren, het jaar kan ik mij op dit oogenblik niet herinneren, hadden wij ook een jaargang van sterke broeijing, maar toen was het voorjaar donker hoewel droog met Noordenwind, zoo ook in de onleegtijd, waar door

 

Blz. 40

het hooi door de zon niet genoeg gerijpt ware, schreef ik toen daar de oorzaak van het broeijen aan; maar thans, terwijl men gedurende de onleegtijd, sterke zonneschijn, verzeld van warm en droog weder gehad heeft, genoegzaam geen een dag mis, zoo als uit de aanteekeningen daar van gezien kan worden, was het hooi, dat men zweelde en inbragt droog, warm door de zon en fris wat mag dan de reden wel van het broeijen zijn? van agteren te zien, waarschijnlijk om dat het gras in zijne volle kragt en groei, gemaaid wierd, in het voorjaar was het schrok, daar op veranderde het weder in de grootste vruchtbaarheid, en bevorderde alzoo een zeer voorspoedige groei, in welke kragt van groeijing, welke een groote hoeveelheid te voorschijn bragt, maaide men zoo eerder zoo liever zoo als uit de aanteekeningen te zien is, kreeg men door den regen eenig verlet, maar toen veranderde het weder in droogte en zonneschijn, waar door het hooi spoedig een aanzien kreeg van genoegzame rijpte, waar op men spoedig konde voortwerken, dog men herinnerde zich toen met dat het in zijne volle kragt gemaaid was, en daar door de eigen zappen nog behouden hadde, niet tegenstaande het een aanzien van genoegzame rijpte hadde en dit zal dan het waarschijnlijke van het broeijen zijn.

Heden heeft het Friesch genootschap vergadering te Leeuwarden, dog omdat ik naar het kantoor moeste heb ik deze vergadering niet konnen bijwoonen.

 

Blz. 41

Den 26 Julij uitmuntend schoon weder, dog buitengewoon warm.

Door de afwisselende regen, sedert de vorige aanteekening is het buitengewoon vruchtbaar, dog de bouwman verlangt naar droogte; want de eerste granen beginnen rijp te worden, onder anderen het koolzaad, hetwelk men al begonnen hadde te dorschen, dog om het natte weder geen voortgang konde hebben, wij zagen verscheidene stukken, toen wij voor eergister mijne vrouw en ik, benevens Sipke Wopkes Overdijk en zijne vrouw te zamen het wagentje naar Pier Lettinga te Stiens op verzoek van dezelve, welke met een zusters dogter van mij getrouwd is reden, alwaar mijn broeder en zijne vrouw, benevens mijne zuster onder anderen in familie zich bevonden, den dag aangenaam met elkanderen doorgebragt te hebben, reden wij ‘s avonds zeer bezwaarlijk wegens de modder tijdig weg, en kwamen om 9 uur te huis.

Eergister hadde wij vergadering van de gecommitteerden van de Brandsocieteit te Wirdum in de herberg, alwaar het tarif maakten van vee hooi en granen, voor het volgende boekjaar, het vee is op dezelfde hoogte gebleven uitgezonderd de schapen en varkens, welke verlaagd zijn benevens het hooi en de granen.

In deze vergadering deedde Rintje de Jong mede gecommitteerde, verslag van een paard te Grouw, door de Bliksem in het midden dezer maand getroffen, rede aan den boekhouder aangegeven, op deszelfs rapport is men algemeen van oordeel geweest het daarvoor te houden, dat de bezitter vergoeding behoort te geschieden, waar toe dan ook is besloten, bedragende volgens voorgaande tarif 110 Gulden van een paard boven de 2 jaren; de aangave van het doodslaan van een koebeest ten zelfden tijde te Stiens,

Blz. 42

dog waar van Nanne Hovinga mede gecommitteerde te Jelzum in deze vergadering tegenwoordig, geen voldoend verslag konde geven, waarom dit geval, tot nader inlichting onbeslist gebleven is, waarom de vergadering mij verzogte nader informatie bij Pier Lettinga te nemen, alwaar het beest, twee stukken land van zijn huis zoude doodgeslagen; deze heeft mij berigt: dat hij op dat oogenblik den Bliksem naar den grond ter plaatse alwaar deze beesten liepen, hadde gezien schieten, en het daar voor hield, dat het toen doodgeslagen was, schoon hij dit niet met eede kon bevestigen, maar echter geen de minste twijfel bij hem plaats hadde: wanneer dit rapport ingebragt wordt, is er geen twijfel of men zal tot een schadevergoeding besluiten aan de Wed. van Pieter Ritkes onder Stiens bedragende volgens tarif 60 Gulden.

Ook zijn ten zelfden tijde te IJdaard bij een zeker boer in de IJster 3 beesten gelijktijdig doodgeslagen dog welke in deze Societeit niet opgenomen zijn.

Den 30 Julij, sedert de vorige, buitengewoon warm zoo dat het zeer bezwaarlijk is, te voet te reizen, laat staan op het veld te werken – ten gevolge daar van  is het gemaak van boter en kaas, met het beste overleg moeijelijk zuiver te houden, de beste boerinnen, behandelen de melk met de grootste behoedzaamheid, en dan is het nog bijkans niet mogelijk, voor goor te bewaren, mijne vrouw heeft thans tot het derde maal besloten en dan ziet zij nog zwarigheid, om goede kaas te maken, een ieder der boeren klaagt er over -­ Deskundigen beseffen gemakkelijk, dat uit de melk thans een verminderd gemaak ontstaat, en schade aanbrengt.

 

Blz. 43

Gister waren Zije Wijngaarden en vrouw, benevens mijne kinderen uit de buren, en die van Hallumermieden op verzoek alhier tegenwoordig, na aangenaam den dag met elkanderen doorgebragt te hebben, vertrokken des avonds naar Hallumermieden om 7 uur en de andere vrienden om 9 uur.

Op heden den 31 nog even warm als bevorens; wij hebben onze journalen van het ontvangen der Rijks gelden voor deze maand weder gesloten en bevonden dat er een te kort van 299 Gulden bestond, welke nog voornamenlijk over de Grondlasten moesten ontvangen zijn wij zijn dus in de noodzakelijkheid de nalatige belasting schuldigen te sommeren; te meer wijl wij in den loop dezer maand van den Heer Inspecteur een scherpe aanmaning ontvingen, om te zorgen dat de ’s lands gelden tijdig binnenkwamen, de vorige maand was er een te kort van 8 a 900 Gulden. – Alle de wanbetalingen dient men wel in het oog te houden ontstaan niet zoo zeer uit kwaden wille, maar vooral uit geldgebrek, het welk voornamenlijk onder den boerenstand wegens den vorigen agteruitgaanden tijd, nog zoo zeer wordt gevoeld.

Den 2 augustus. Het weder is even droog, dog koelder N.N.W. wind. Gister marktdag, over het algemeen was de boter onder de waag zoo week dat zij bijkans geen hanteeren konde uitstaan. De boterkoopers, lieten de boter bij hen aangekogt en ontvangen, door een bekwaam

 

Blz. 44

man voorzichtig slecht strijken, met zout bestrooijen met wit papier overdekken en met het deksel wel sluiten.

De kaas was bijkans onverkoopelijk 9, 10 a 11 Gulden de beste, wij hadden een aanzienlijk partij, maar namen dezelve weder te rug naar huis, dewijl de vorige marktdag 113/2 Gulden daar voor geboden wierd.

Dagelijks rijden hier voorbij wagens met kool en witstroo, dog dewijl wij thans nog tamelijk van stroo voorzien zijn, zullen wij waarschijnlijk geen gebruik van maken, om te haalen.

Veel wordt er thans bosch gemaaid, dat is zulk hooi, welke in bosschen staat, te oud om door de beesten gebruikt te worden, en dezer wijs, wordt er nog veel hooi gewonnen.

Den 7 Aug. sedert de vorige droog, dog gister avond en heden nacht sterke regen, thans schoon weder, zoo dat het even vruchtbaar blijft.

Ingevolge bepaling reden mijne vrouw en ik, benevens twee kindertjes en mijn zwager van Goutum bevorens aan mijne zuster Sijtske getrouwd geweest, dog sedert 20 jaren overleden, te zamen naar Marrum, alwaar met mijn broeder en nog in leven zijnde zuster Trijntje met Pier Lettinga in qlt. voor de nagelatene kinderen van wijl. mijne zuster Ytje en mijn zwager van Goutum in qlt. voor de kinderen bij wijl. mijne zuster bovengem. in echte verwekt, voor den Notaris Alberda aldaar compareerden, aangaande de nalatenschap wijl. onze moeder welke stukken daar toe betrekkelijk, behoorlijk in tegenwoordigheid der getuigen geteekend en geverifieerd zijnde,

 

Blz. 45
vertrokken wij van daar naar Hallumer mieden en bleven een nacht aldaar bij onze dogter en zwager, Sipke vertrok ‘s avonds bevorens met het Dokkumer schip te rug. – Wij reden van daar om 2 uur dus vroeg in den nadenmiddag, om niet in het gedrang der rijtuigen te zijn, wijl ‘s Konings Zweep toen te Leeuwarden verreden wierd. Wij kwamen dus tijdig te huis na een goeden reis gehad te hebben.

Heden zijn drie kinderen Akke, Ytje en Klaaske benevens Pieter mijn zusters zoon, welke hier woont te zamen met het wagentje naar Pier Lettinga, alwaar meer jonge lieden van de familie verzogt zijn te komen, om den invallende regen, kan deze reis naar Stiens, wel wat moeijelijk zijn, dog als het heden niet regent, en droogend weder blijft, dan zullen de wegen tegen den avond wel goed zijn.

Den 9 Aug. sedert de vorige droog, vooral heden N.W. wind. Heden morgen was ik aan het Kantoor alwaar mijn zoon mij berigte: dat de Inspecteur Generaal of de algemeene Rijks Inspecteur, sedert weeken in deze Provincie om de Kantoors van de Directe en Indirecte Belastingen op te nemen om 7 uur op den avond van den 6 dezer, ons Kantoor ook hadde geviseerd, alles gehoord en gezien te hebben, scheen wel voldaan, althans vertrok om half agt, naar Warga, om dat Kantoor nog te Inspecteren. – Wij waren sedert zijne aanwezigheid in deze Provincie hem wachtende, dog kwam op gemelden tijd, nog onverwacht, en verheug mij: dat hij hier geweest is.

 

Blz. 46

Gedurende de vorige warmte, zijn hier en daar werklieden bezweeken; veroorzaakt waarschijnlijk, door te veel drinken onder het werken op het veld, vooral onder het kooldorschen, een losbandig mensch, kon het naauwelijks buiten in deze heete lucht houden, laat staan die gene, welke uit volle kracht moesten werken.

Aan de bouwkant is het buitengewoon druk, handen schieten te kort, om alles op tijd te redden, nadien de granen buitengewoon vroeg rijp geworden zijn, voor een zwaar daghuur, konden de boeren vaak geen arbeiders krijgen, althans zoo veel niet als zij benoodigd waren. –

De boter en kaas, waren gister marktdag eenigzins prijziger, trouwens, de boter was in qualiteit ook beter en steviger dan de vorige week.

De nieuwe aardappels zijn zeer goedkoop geweest dog zijn thans tot 15 a 16 Stuivers de korf weder gerezen.

Bevorens den 5 zijn mijne dogter en behuwddogter uit de buren, naar Achlum gereist en na aldaar een paar nachten geweest te hebben den 7 weder te huis gekomen; gedurende hun afzijn, was mijns dogters man P. Hiemstra onpasselijk aan koorts als anderzins, dog was heden morgen wat beter, althans was hij op de been, en deedde zijne gewone bezigheden.

Wij hebben in dezen omtrek het voorregt, dat er nu en dan veel regen valt, dog elders in ons gewest geen drup, zoo verschillende gaan de buijen, aldaar is het krap vold.

 

Blz. 47

Den 14 Aug. sedert de vorige even droog en op den middag tot op den avond, buitengewoon warm.

Het was den 12 l.l. Wirdumer Kermis, mijne vrouw en ik benevens de kleinste kinderen, waren dien dag op verzoek bij mijn zoon in de buren alwaar de wed. van A. Smeding en zoon benevens Zije Wijngaarden en vrouw, als mede de Ontvanger Idzerda van Roordahuizum, mijns zoons vrouws vader, zich ook bevonden, aldaar den dag aangenaam in nuttige gesprekken doorgebragt te hebben, vertrokken ‘s avonds tijdig weder naar huis; ‘s anderen daags waren alle de kinderen op verzoek weder naar het gebuurte, bij mijne kinderen aldaar.

Dit is zoo het gebruik, een ieder der burgers aldaar, heeft dan zijne naastbestaanden, vrienden of goede bekenden bij zich om te vergasten naar ouder gewoonte.

Hoe weinig deze kermis ook beteekend, zoo als wij bevorens meermalen schreven, schijnt het dog: dat de kramers in koek en andere snuisterijen hunne moeite betaald krijgen, wijl dezelve zich t’elken jare opvolgende zich dan op dien dag aldaar laten vinden, trouwens behalven de gasterijen onder alle de rangen der Inwoonders, vooral de mingegoeden, verspillen alle hunne voorraad, terwijl de overige Centen ten beste der kinderen wordt gegeven, en deze loopen er mede naar de kramers.

 

Blz. 48

Den 23 Aug. sedert een paar dagen veranderlijk, dog van daar tot de vorige, buitengewoon droog en warm; in sommige oorden van ons gewest ontstaat daar door aan groot gebrek aan water, voor menschen en beesten; elders worden de sloten droog, waar door het vee in niet de landen kan gehouden worden, ook in den omtrek van Wirdum. Elders heerscht door de aanhoudene droogte, een buitengewoon gebrek aan gras, de landen zijn daar als het ware geschroeit dog hier en in onzen omtrek vooral op het Nieuwland van Leeuwarden tot Sneek is een grooten overvloed van gras, daar door ontstaan, wijl hier nu en dan zoo als uit onze aanteekeningen kan gezien worden, veel regen gevallen is, daar elders bijkans geen drup water viel; het schijnt bij zoodanigen tijd, dat de regen maar in sommige windstreeken ontstaat, en zich ontlast, terwijl het buiten dien streek droog blijft, zoo als het in vele oorden en gewesten, gedurende den zomer het geval geweest is – maar dit is algemeen: dat door de buitengewone warmte, de boeren geen goede kaas maken kunnen, de melk is terstond goor, en de boter week, en er dus niet uit gekarnd kan worden, dat bij gewoone tijden het gemaak daar van opleverd. Gister was de boter wat prijziger tot 6 à 27 Gulden de kaas tot 13 a 14 Gulden, de gewoone beste – de boeren klagen zeer, over de schaarsheid der opbrengsten.

 

Blz. 49

Over eergister waren wij in familie bij onzen zwager te Goutum, alwaar mijn broeder en zijne vrouw, Pier Lettinga en zijne vrouw, ik en mijne vrouw tegenwoordig waren na aldaar aangenaam bij elkander geweest te zijn, vertrokken ‘s avonds 6 à 7 uur.

Eergister waren mijne vrouw en ik agter Wijtgaard bij Dooitze Broers Eekma en zijn vrouw, te theedrinken, alwaar onder anderen Zije Wijngaarden en vrouw ook tegenwoordig waren; wij reden ‘s nachts om 12 uur bij heldere maanschijn van daar naar huis.

De schutters hebben onbepaald verlof gekregen en volgens advertentie in de Leeuwarder Courant staan de Friessche Battalons schutters, den 8 en 9 September te Leeuwarden te komen, er zal aanstalte gemaakt worden, om ze eervol te ontvangen.

In welke eer rede het 3de Battallon Friessche Schutters welke hier heden doortrok, deelde, ingevolge vorige advertentie; want door de regering was bevorens orders gegeven; dat bij het doortrekken de vlaggen op de toorens moesten staan, en zoo veel mogelijk de particuliere, maar inzonderheid publieke gebouwen daar van voorzien zijn, zoo als dan ook geschiede tot aan het tolhuis gekomen, wierdenze van ons Grietman Cammingha verwelkomt, en uit de schrans met het Stedelijk Musiek binnen geleid, tot aan de (lange) groote pijp, alwaar geschaard, door de Burgemeester verwelkomt en wijders bij de burgers te Leeuwarden ingekwartiert dezer wijze zullen alle de volgende battallons schutters met alle eerbewijzingen binnen komen.

 

Blz. 50

Den 30 Aug. gedurende de laatste week dezer maand afwisselende regen, zoo dat het aardrijk na zoo een sterke droogte en warmte bijzonder verkwikt is geworden, de leege bakken en uitgedroogde slooten zijn met water voorzien geworden tot verkwikking van menschen en dieren.

Vijf pondemate nieuwgras bij de buren begonnen wij heden Zaturdag voor 14 dagen te maaijen en heden voor 8 dagen hadden wij het in huis dus precies in een week gemaaid gezweeld en gehooid, nimmer wonnen wij het nagras spoediger nog schoonder en van pas; want sedert zoo als boven zeide, heeft het afwisselende geregend.

Woensdag l.l. den 27 waren mijne vrouw en ik met de wagen naar Zije Wijngaarden gereden alwaar wij ‘s voordemiddags te eeten genoodigd waren benevens mijne kinderen uit de buren; dog ‘s nademiddags begon het sterk te regenen, tot de avond uit, verzeld van een groote duisterheid waar door wij het opkomen van de maan moesten afwachten, welke ‘s avonds even over 10 uur opging, maar door den sterken regen nog niet of weinig ophelderde, het bleef even duister, waar door sommige en onder anderen mijn zoons vrouw, zeer onrustig wierd, en eindelijk bijkans het gehele gezelschaps in de war geraakte, vooral toen er iemand staande hield dat de maan voor 2 uur niet opging, men liep uit en in tot dat om 12 uur ‘s nachts het lichter wierd, en resolveerden dadelijk te vertrekken, en wij met de wagen ook; het was toen licht genoeg, en kwamen 1 uur te huis.

 

Blz. 52

Zoo schoon wij het nagras gewonnen hebben even zoo schoon wonnen wij ook gedurende dien tijd en eerder het boschhooi, te zamen ongeveer 15 à 16 goede weiden.

Gedurende deze laatste 3 dagen der maand, hebben wij ons onledig gehouden met het ontvangen van ‘s Rijks belastingen.

De boter was gister het hoogst 28 en de nagelkaas 14 a 15 gulden, de aardappels 12 Stuivers de korf en de appels 15 Stuivers – Wij zijn zeer goed van appels voorzien, over het geheel zijn ze overvloedig.

De varkens ziekte ontstaat vrij algemeen, de onzen zijn nog gezond. Ook zijn de varkens zeer goedkoop, de zulken waar voor men in voorgaande jaren, omtrent dezen tijd 14 a 15 gulden, worden thans voor 10 gulden verkogt. De weidkoeijen worden ook voor een matigen prijs gekogt.

Den 6 September, goed weer, dog harden wind. Ingevolge aankondiging kwamen heden twee Battallons Stedelijke en landelijke schutters ‘s nademiddags twee uur hier door marcheren. Men had bevorens een Staatlijke aanstalte gemaakt omze met alle Eer te ontvangen; de vlaggen wapperden overal van de toorens, openbare en particuliere gebouwen. De musikanten in korps, waren hen gister tot het Heerenveen tegemoet getrokken, omze bij het inkomen aldaar, met krijgsmusiek te verwelkomen; en heden trok een of twee Compagnien

 

Blz. 53
thans in stedelijken dienst zijnde Schutters met hunnen Chefs aan het hoofd hier door om de thans verwacht wordende manschappen met krijgseer te ontvangen; ik sprak Deketh Kapitein van dit Korps, en hield zich bij het tolhuis wachtende, ik riedt hem dat hij zijne manschappen maar in beweging moeste houden, om dat zijn Ed. zelf niet wiste wanneer de schutters zouden aankomen; ik hoorde daarna, dat hij daarop door Wijtgaard was gemarcheerd tot aan de 3 Roomers, alwaar zij elkanderen ontmoeten; ik vroeg zijn Ed. ook of zij voor of agter de schutters moesten optrekken, hij zeide mij agter, zoo als ik ze ook in de stad zag binnen komen; want om de meerdere plegtigheid te zien, ging ik ‘s voordemiddags naar de Stad, de poort en meest alle de partikuliere gebouwen op de Wirdumer Dijk en de nieuwe Stad tot voorbij de lange pijp waren niet alleen van vlaggen voorzien, maar ook behangen met guirlanders, hetwelk een prachtig vertooninge gaf, en dit gevoegd bij een ontzachlijken massa van menschen van allerlei rang, waar van bij duizenden, uren verre hier voorbij de aannaderende schutters tegemoet trokken; ik stond op het bolwerk bij de poort, toen alle de menigte om 3 uur

 

Blz. 54

te zamen met de schutters binnendrong, waar door de musikanten en tamboers zoo verdrongen wierden datze het speelen en trommen niet behoorlijk konden uitoefenen; ik zag van boven de poort langs de Wirdumer Dijk, en die was met de aldaar aanwezige, en binnenkomende schutters en de gehele binnendringende massa, zoo opgepropt vol van menschen, dat men als het ware op de hoofden konde gaan tot aan en over de lange pijp; de Burgermeester en alle de leden van de Stads regering trokken in groot gala, tot op de stadsjurisdictie bij de Schrans te gemoet, alwaar met den plegtige aanspraak, de schutters binnen de jurisdictie verwelkoomt wierden, waar na ook weder te rug binnen kwamen; de musikanten, tamboers en hoornblazers, speelden tromden en bliezen, na het maken van eenige manuvres der manschappen op de lange pijp, ontvingen daar hunne billetten van  inkwartiering, en ten slotte speelden de musikanten in massa het Wilhelmuslied, waar na een ieder naar de plaats zijner bestemming ging; tot verhooging van dit feest zal er behalven andere vreugde bedrijven vanavond te 10 uur op de lange pijp een aanzienlijk vuurwerk afgestooken worden; dog om dat mij dit te laat wierd, begaf ik mij te rug na huis.

 

Blz. 55

Zoo zag ik dan deze manschappen weder, welke ik in 1830 hadde gezien met musiek tot aan het tolhuis uitgeleide doen, dog met een geheel ander gemoetsgesteld heid als nu, toen waren de gemoederen bedrukt, om dat men niet wist wat er van deze manschappen en van het vaderland worden wilde; thans was de vreugde op een ieders aangezigt voor al die der betrekkingen bij het te rug komen te lezen. Schoon allen niet van den dienst ontslagen, is het dog met groot verlof, waar na eindelijk zoo als wij hoopen dat een gunstige overeenkomst en vrede voor ons dierbaar vaderland, de gehele ontbinding van den schutterlijken dienst zal volgen.

Den 13 September, het weder als voren, droog en na de tijd van het jaar schoon.

Den 7 zijn weder een Bataljon schutters, en den 9 het laatste Bataljon landelijke Friessche schutters voorbij gemarcheerd dus te zamen 5 Bataljons, allen op dezelfde wijs te Leeuwarden met eer en musiek ingehaald en door de burgerlijke autoriteiten verwelkoomt.

Den 10 waren wij in familie bij mijn broeder op streek, de andere vrienden vertrokken ‘s avonds, dog mijne vrouw en ik bleven aldaar dien nacht en vertrokken ‘s nademiddags met het 2 uur naar Leeuwarden, alwaar onze knegt met het rijtuig op het Aarnsentuin [Variant van Arendstuin; zie W.Dolk, Leeuwarder straatnamen. Herz. uitg., Ljouwert 1997, p. 59] ons opwachte wij stapten op den wagen en kwamen behouden te huis.

Mijne dogter Hiemstra‘s vrouw in de buren, is sedert 8 dagen gevaarlijk ziek, wat de gevolgen zijn zullen

 

Blz. 56

zal de tijd leeren. De Chirurgijn vermeent dat het galkoorts is, althans is het om de andere nacht het slimst. Wij hoopen en wenschen dat het Gode mogen behagen, zijn genezende hand aan haar te koste te leggen, op dat zij eerlang moge herstellen en aan haar huisgezin te rug gegeven worde, twee harer kinderen om het huishouden te verligten zijn hier.

Den 18 September, sedert de vorige even schoon en de jongste dagen buitengewoon warm, hedennacht donder en regen, waar door het aardrijk buitengewoon verfrist is, te meer wijl de sterke daauw sommige nachten gevallen een rood poeijer in het gras naliet als het door de zon gedroogd was, zoodanig dat de bekken en pootten der beesten rood bepoeijerd waren, ook als men het land doorging, waren de schoenen insgelijks rood: of dit ook nadeelig voor de beesten is of niet kan ik niet zeggen, te meer wijl ik dit vaak in voorgaande jaren heb opgemerkt omtrent dezen tijd dog nimmer schadelijke gevolgen daar van bespeurd, maar door den verleden nacht gevallenen regen zal het gras van dit poeijer uitgeregent en gezuiverd zijn.

Heden even warm en zonneschijn als de voorgaande dagen.

Bevorens 16 waren Pier Lettinga en vrouw als mede een zusters zoon Jan bij hun inwoonende, mijn broeder en vrouw, Sipke van Goutum en zijne vrouw, allen in familie, hier; de vrienden vertrokken ‘s avonds, dog mijn broeder en zijne vrouw bleven hier ‘s nachts, ‘s morgens reden wij naar het gebuurte en bezogten mijne kinderen aldaar; hen allen behoorlijk gesproken hebbende, namen afscheid, en reden langs Wijtgaard om

 

Blz. 57

en toen den Heer Middachten zijn tuin en plantsoen gezien te hebben, naar huis, alwaar mijne vrouw ons met de koffij ons opwachte om 11 uur ‘s voordemiddags, dog even na onze terugkomst kwamen mijne dogter en zwager van Hallumer mieden, met 4 hunner kleinste kinderen, den middag alhier aangenaam met elkanderen doorgebragt en het middagmaal genooten te hebben, bragt ik mijn broeder en zijne vrouw met de wagen naar het tolhuis alwaar afscheid namen, en reed toen te rug, nam nevens ons, mijn dogter en zwager op, naar het gebuurte, alwaar mijne kinderen aangesproken te hebben, nam mijne kinderen uit de school mede op, en reden toen te rug, en kwamen om 4 uur te huis; wij hadden toen 13 kinderen en kleinkinderen bij elkanderen, makende te zamen met de overige mijne zuster Trijntje welke hier sedert een week uit van huis is mijne vrouw en ik benevens onze knegten een getal alhier uit van 20 zielen.

Na eenige ververschingen genooten te hebben, vertrokken mijne kinderen groot 5 uur weder met de wagen bespannen met twee paarden te rug naar Hallumer mieden, zij hadden het wagentje dus vol 4 kinderen en de beide ouders dus met hun 6.

Gister morgen is een Battallon militie welke in de stad, sedert eenigen tijd in guarnisoen gelegen hadde hier voorbij getrokken, ik weet niet waar heen.

Gedurende het vlaggen op de toorens wegens het binnenkomen der schutters, hadde men zich er op toegelegd, om de vlag boven uit de tooren alhier tot boven de haan uit te doen wapperen, het welk een deftige vertooning gaf, dog ongelukkig bij stilte, zakt de vlag om en over de haan en bij een opkomenden wind, vastzittende scheurt van de vlagge stok, welke men eindelijk heeft binnengehaald, en de vlag om de haan geslingert, heeft moeten laten te rug blijven, hetwelk

 

Blz. 58

een zonderlinge vertooning. Er is geen mogelijkheid dezelve zonder groote kosten met steigeren en daar mede verzeld gaande gevaar af te nemen. – Een harden wind zal dezelve moeten afscheuren en als dan doen afvliegen; men moet dan deze vlag welke 18 gulden koste, aan zijn eigen noodlot overlaten.

De aardappels blijven op dezelve hoogte. De appels zijn wegens den overvloed goedkoop. De druiven beginnen thans rijp te worden, dus meer dan een maand vroeger dan wel andere jaren, ook zijn alle de land en boomvruchten veel vroeger rijp. Men heeft dan met een woord een zeldzaam en buitengewoonen vruchtbaren Zomer

De boter was de laatste marktdag 27 a 28 gulden en de kaas 11-13 gulden – De varkens zijn wat levendiger, hier en elders openbaart zich sedert eenigen tijd de ziekte dog niet sterk.

Mijn dogter Hiemstra’s vrouw is aan de beter hand en hoopen dat zij eerlang geheel mag herstellen.

Den 20 Sept. heden veranderlijk donker lucht dog gebroken.

Gister was het zoo buitengewoon warm, dat men bezwaarlijk te voet of met het rijtuig konde reizen, marktdag zijnde, was er niettegenstaande, dog om het schoone weder, veel volk in de stad.

Dos. van Achlum kwam hier te voet van Leeuwarden tot daar was hij met een koopman van Achlum gereden, om zijne zuster Hiemstra’s vrouw te bezoeken ingevolge berigt welke hij van hare ziekte ontvangen hadde. Ik was uit de stad nog niet te huis, en na eenige ververschingen hier genooten te

 

Blz. 59

hebben, liet mijne vrouw hem naar Wirdum brengen, al waar genoemde koopman hem met het rijtuig zoude afhalen, om te zamen ‘s nademiddags weder naar Achlum te reizen.

Toen ik te huis kwam verhaalde mijne vrouw mij dat mijn zoon te Wirdum ware; maar om dat hij vroeg van daar zoude vertrekken konde ik hem niet spreken; te meer wijl ik belet kreeg van een zwager van Hallum de weduwnaar wijl. mijne zuster. Na evenwel het middagmaal genooten en deze benevens een zusters zoon, welke ook hier een uitstap was gaan doen, vertrokken waren, bragt ik mijne vrouw en zuster langs de Swichumer Dijk met de wagen naar een zusters dogter aldar woonende, naast Jousma State, welke in de kraam was, om deze te bezoeken, ik liep toen naar Wirdum, om dat ik digt bij was, en sprak toen mijn zoon nog, tot over 3 uur in zijne tegenwoordigheid geweest te zijn, kwam de koopman om hem aftehalen, nam afscheid van hem, en ging toen naar mijne vrouw, alwaar een kopje thee dronken en vertrokken groot 6 uur weder naar huis. Dezer wijs was deze dag een drukke dag, eerst naar de stad, vervolgens belet aan ons huis, toen naar de kraamvisite, van daar naar Wirdum, eindelijk te rug, en zoo naar huis.

Blz. 60

Het gaat mijne dogter zeer langzaam met de betering, zij blijft genoegzaam op dezelve hoogte, en ligt steeds te bed.

Schoon hier en elders koortsen ontstaan, gaat het boven verwachting met heerschende ziekten; behalven nu en dan hoort men van de nieuwe ziekte (cholera) welke sterk te Leeuwarden in de kasern onder het aldaar liggende guarnisoen zoude uitgebroken zijn; ook in andere landen heerscht deze ziekte zoo als de nieuwspapieren opvolgende melden, onder anderen Spanjen, Zweden enz. dus gelijktijdig in de warmere en koudere landstreeken.

Ons volk zijn thans bezig met de appels aftenemen welke een goede kwantiteit opleveren, zommige boomen zijn zoo vol, dat zij gebogen en nederwaarts gedrukt worden – Alleen de aanhoudene stilte heeftze bewaard voor breeken, en afstorten.

Het blijft droog, afwisselende zonneschijn, schoon het den verleden nacht zeer sterk heeft gedaauwd, ook in den voormiddag was het nevelachtig en zeer nat.

Den 23 September. Koud en buijig N.W. Wind, het weder is dus zeer veranderlijk, sedert eenige dagen buitengewoon warm thans herfstweder, hoe is het mogelijk, dat er zulke veranderingen konnen ontstaan.

Gister hadden wij vergadering, van het Friesch geschiedkundig taal en oudheidkundig genootschap bij v. d. Wielen, in de Sacramentstraat te Leeuwarden, een aanzienlijk aantal leden waren bij elkanderen; Amersfoort Rector van Sneek presideerde de vergadering, welke bij de voorgaande Agtiende vergadering tot voorzitter verkozen was. D. Fokkema voormalig lid der Staten Generaal benevens den Heer Everts toen tot mede directeuren benoemd. Den Heer Deketh

 

Blz. 61

continueerde als penningmeester zoo mede den Heer Felting als Secretaris.

Den Heer voorzitter aanvaart het presidium met een redevoering. over het doel des genootschaps, en den Heer Fokkema met een redenvoering over den oorsprong der talen; de Contributie betaald waar van voor mij als gewoon lid vijf gulden, het verslag der onderscheidene commissien aangehoord, zeven voorgedragene personen tot leden benoemd, en alle de werkzaamheden afgeloopen zijnde, besloot den Heer Everts de vergadering met een redenvoering over de onderscheiden Eeden, bij de oude Friezen en Germanen in gebruik – waar na deze vergadering gescheiden wierd.

Den 4 Oct. sedert de vorige nog altoos even goed weder eenmaal dat is heden voor 8 dagen met regen afgewisseld; de nachten worden wel koel maar de dagen zijn zomerdagen; het gras is hier in den omtrek en elders zoo overvloedig, dat men uit vele landen, indien de tijd niet zoo verre gevorderd ware een menigte hooi konde verzamelen. Zonderling evenwel zijn er streeken lands, onder anderen b.v. in Baarderadeel in den omtrek van Baard en wijders tot aan Bolsward zoo schaars, dat de boeren vroegtijdig de beesten op stal moeten zetten. Mijn buurman heeft boven zijn beslag tot aan Allerheiligen 9 en mijn overbuurman 14 koeijen in de weide van de kooplieden aangenomen.

Thans met het mooije weder maken de boeren alhier opvolgende gebruik, om aardappels van de Bouwkant te halen, waar van de prijs 40 Cents de korf is, wij hebben rede 40 korven Barge en 25 korven winteraardappels gehaald.

Wij hebben rede tusschen de 30 en 40 korven Appels op de zouder, er zijn nog 3 boomen, waar van wij nog verscheidene korven konnen plukken.

 

Blz. 62

Den 8 October, sedert de vorige zonder eenige afwisseling nog even goed weder.

Verleden Zondag over een week was des nademiddags Godsdienst te Wanswerd gestoord geworden, zoodanig dat de vergadering in de grootste verwarringe de kerk verliet, na dat alvoorens de predikant eenen Domeni Los, geheel van zijn stuk geraakt de predikstoel verlaten hadde; hier door ontstaan: sedert de invoering van de zoogenaamde Evangelische gezangen, hebben veele menschen zich daar tegen verzet: om datze dezelve beschouwen als strijdig met de leerstukken van de gerevormeerde godsdienst, bij de Sijnode van Dordregt 1618 en 1619 vastgesteld en aangenomen. Die menschen welke deze leer ernstig toegedaan zijn, zingen dezelve niet met, een lijden tegen wil en dank dat dezelve in de openbare godsdienst gebruikt worden, zoo als de predikanten volgens kerkenorde gehouden zijn ten minsten eenmaal in ieder openbare godsdienstige vergadering te doen zingen. Sommige predikanten maken er veel gebruik van andere minder, om de gemoederen niet te ergeren. Domeni Los gebruikte dezelve altoos maar eenmaal bij den aanvang der godsdienst oefening. Maar er waren drie jonge lieden gebroeders onder anderen, welke zeer tegen de gezangen ingenomen waren, waar van de een schutter zijnde, met groot verlof thans te huis ware, en aldaar behorende, zich mede in de vergadering bevond.

Blz. 63

Des morgens had hij de hoed onder het zingen opgehouden, daar door te kennen gevende, dat hij de minste eerbied voor deze zoogenaamde Evangelische gezangen niet hadde, tot ergernis van de gehele vergadering, zoo wel van die gene welke voor als die tegen die gezangen waren.

Des nademiddags bevond hij zich weder met zijne beide broeders in de godsdienstoefening, volgens gebruik liet Dos. Los, bij den aanvang een vers van de gezangen zingen. De schutter hield niet alleen de hoed op maar verwijderde zich van zijne plaats door de vergadering zich heen en weder begevende, allerlei gebaarden tegen Domeni makende, tot zoo lang dat de Dos. van zijn stuk en de vergadering in verwarringe geraakte, waar na een zijner broeders in de handen klapte en uitriep: dit is van den Heere maar eene vrouw daar tegen uitriep neen dit van den Duivel. En hier mede was alles in de war zoo als wij boven zeiden.

Schoon ik van zoodanige verwarringe nog niet gehoord hebbe, bestaat over al geen enkelde plaats uitgezonderd in geheel onze Nederlandsche Kerk een aanzienlijk gedeelte van onze gerevormeerde belijders, welke sedert de invoering tot op heden tegen deze gezangen ingenomen zijn, het welk eerder toe dan afneemt.

De Kerkeraad van Wanswerd waar onder mijn broeder ouderling is, heeft ten overstaan van den Grietman, van het gebeurde proces verbaal gemaakt en aan den procureur generaal verzonden; wat het gevolg hier van wezen zal, moet de tijd leeren.

 

Blz. 63A

Den 17 October. Heden allerstuimigst, ten gevolge van opvolgende onweders; tot den 14 hadden wij sedert de vorige even droog en schoon weder, maar ‘s avonds om 9 uur, ontstond onverwacht, zonder dat men gedurende den dag daar van eenige voorteekenen hadde bespeurd een hevig onweder van donder en Bliksem verzeld van sterke regen, evenwel bleef het luchtgestel gedurende den volgenden zacht met afwisselende regen, gister was het droog en goed reisbaar weder; maar op den avond dreigde het tot onstuimigheid zoo als dan gedurende den nacht ook een sterke regen gevallen is, verzeld van donder en harden wind; thans zoo als boven zeide onstuimig en dreigt tot storm, volgens teekening van het weerglas, ook is het heden avond volle maan en dreigt een hooge zee. – Wij zijn dien ten gevolge bekommerd over ons jongvee op de pollen, en beklagen ons dat wij dezelve niet tijdig weggehaald hebben, zoo als wij voorgenomen hadden omtrent dezen tijd te zullen doen, behalven het dreigen om onder te loopen, is de reis derwaarts en de drift der beesten van daar allermoeielijkst om den modder, te meer wijl het heden marktdag is, en de rijtuigen de wegen genoegzaam door opvolgende regen diep en onbruikbaar maken. Wat schikkingen mijn volk met anderen die daar ook beesten hebben, maken zullen omtrent den tijd van wegtehalen weet ik niet, om dat ik wegens het onstuimige weder, niet naar de stad ben.

 

Blz. 64

Van tijd tot tijd voorgenomen hebbende onze kinderen te Achlum te bezoeken, zijn wij in het voorjaar door het roodvink waar aan alle onze kinderen laboreerden, na derzelver genezing door de daar opvolgende onleegtijd en hooibroeijen verhinderd geworden, hier mede verliep den zomer, en in de daar op volgende schoone nazomer en herfst wierden wij dan door het eene, en dan weder door het andere verhinderd aan ons en der kinderen verlangen te voldoen met het rijtuig hen te bezoeken – dog door de naderende wintertijd en om dat het bijkans een jaar geleden was dat ik daar geweest hadde, en om geen tijd te verliezen, reisde ik verleden maandag den 13 alleen te scheep derwaarts. Zij waren over mijne komst zeer verblijd, de Domeni mijn zoon was in huisbezoeking, het huisgezin bevond zich behalven de koorts onder de kleinen, in een goeden welstand. Aangenaam en genoeglijk tot gister bij elkander geweest te zijn, vertrok in gister morgen van daar, en kwam gedurende onder goed weder, zoo als boven zeide tot blijdschap van mij en de mijnen weder t’ huis ’s nademiddags om 4 uur.

Aldaar was veel ziek en koortsig volk, vooral onder de kinderen, ook hier heerscht de koorts een mijner dogters Ytje laboreert aan den derden daagsche koorts.

 

Blz. 65
Bij menschen geheugen heeft men nimmer zulk eenen schoonen zomer, nazomer en tot hier eenen herfst gehad, men heeft alles tijdig in den landbouw en andere werken konnen doen, verleden week wierd het nagemaaide gras en tamelijk rijp geworden hooi ingezameld hier en in den omtrek, zoo oogste men op Tjaard bij voorbeeld liezen, gedurende in den loop van dezen zomer en herfst voor de derdemaal gemaaid, en voor deze laatste maal een groote kwantiteit, de weg hier voorbij was ook gemaaid en heden over 8 dagen heeft men 2 wagens vol schoon rijp hooi daar van gewonnen.

De nieuwe Zijllen onder Ængwierum, waar aan een zware reparatie en herstelling in het vroege voorjaar door de regering besteed ware, heeft de aannemer gedurende den zomer tot nu toe onafgebroken aan derzelver herstelling volgens bestek en aanneming konnen werken, het getal werklieden daaraan, bedroeg gedurende tot over de 130 man, en men is bij advertentie in de courant thans zoo verre gevorderd dat het werk bijkans boven verwachting ten einde gebragt is, en men eerlang zal konnen overgaan tot het uitwerken, van de ontzettende geslagene buiten en binnendammen; dit werk meen ik is besteed voor 70000 Gulden.

 

Blz. 66

Den 21 Oct. sedert de vorige zeer onstuimig, men heeft gedurende donder en bliksem, den 17, 18 en 19 heeft een verbazende storm gewoed. – Wij hadden benevens anderen voorgenomen ons beesten van de pollen te halen om dat wij wel van gras voorzien waren, en om niet in ongelegenheid van herfststormen te geraken. – Niet tegenstaande ons tijdig voornemen juist bepaald op den 20 dezer wierd ons vee door den voormelden storm aldaar belopen, dit haaste ons des te meer, om gister ons knegt benevens anderen derwaarts tot de afhaling te zenden, welke het aldaar zoo bevonden als wij gevreesd hadden, sedert 3 dagen hadde men voor de veiligheid der beesten aldaar gezorgd, en ten dien einde op de zeedijk afgesloten gehouden, dewijl de zee de pollen door gemelden storm geheel overstroomde, het water begon gister weder af te vloeijen, zoo dat hier en daar drooge plekken begonnen gezien te worden. – Om 6 uur ‘s avonds kwam ons knegt behouden en wel met de beesten te huis, hij was ‘s nachts om 2 uur van hier vertrokken, zij zien er uitmuntend uit en hebben nooit beter dan dezen zomer aldaar gegroeit.

De spraak loopt dat de Lendedijken door den laatsten storm doorgebrooken zijn, en veel wrak in de zee drijft.

 

Blz. 67

Den 25 Oct. schoon het weder eenigzins bedaarder, wisselen de buijen elkanderen steeds af, bij aanhoudenheid heeft het gedurende den nacht geregend, zoo dat de landen zeer waterig beginnen te worden.

Volgens de courant van gisteren, zijn er in de jongstgeledene stormen, welke gedurende de laatste week elkanderen afwisselden, vooral den 17 en 18 dezer, verbazend veel ongelukken op Zee gebeurd. Veele schepen zijn vergaan; ook is de Lindedijk doorgebroken en de landen in dien omtrek geinnundeerd geweest, waar door in het Overijsselsche veel vee zoude verdronken zijn. – Onzen Gouverneur heeft al aanstonds in persoon order om te digten gesteld, daar ter plaatse alles alvoorens in oogenschouw nemende.

De boter was gister tot 32 Gulden gelooft trouwens het gemaak begint minder te worden.

Den 23 was ik benevens mijn zoon en zijne vrouw gedurende dien dag bij Zije Wijngaarden geweest, mijne vrouw was ook genood, maar zij zag tegen de reis aan, om dat het zoo onstuimig ware.

Den 28 Oct. het weder begint opvolgende bestendiger te worden, thans eenigzins afwisselende mattig verzeld van zonneschijn, geheel niet koud.

 

Blz. 68

De molens zijn overal aan den gang, wegens den menigvuldigen gevallen regen, het water stijgt dus tot een aanmerkelijke hoogte.

De polder molen, welke, men in en de Jellumer polder, gedurende dezen zomer ongeveer 500 pondematen ingepolderd, oprigt, is nog op verre na nog niet klaar; de belanghebbenden geraken daar door thans in ongelegenheid, trouwens dezelve moest met het einde van deze maand volgens aanbesteding gangbaar zijn, mogelijk heeft de aannemer door nalatigheid niet klaar konnen worden.

Den 4 November, sedert de vorige allerschoonst herfstweder, dog heden wind, en dreigt veranderlijk te worden.

Eergister hadden wij oproeping van de hervormde floreenpligtigen, om de staat van begrooting over 1835 door kerkvoogden voor te dragen, vast te stellen en is bij die gelegenheid, zoo als dezelve voorgedragen is, vastgesteld; tevens is een Commissie benoemd bestaande uit Anne Himstra, Jan Valkema en Aize Renema, om te staan over de Rekening van 1834.

Opvolgende heeft men de Battallons Friessche Schutters met onbepaald verlof te huis zijnde, geinspecteerd, zoo wierd onder anderen het laatste Battallon gister geinspecteerd, de nieuwsgierigheid dreef mij naar de stad, om die inspectie bij te woonen welke ik nooit gezien hadde. Ik rookte alvorens een pijp bij Neef en Nigt, en begaf mij toen naar de Kasern, alwaar deze manschappen

 

Blz. 69

opvolgende bijeenkwamen, sommige met geweren, andere hadden dezelve bij hunne terugkomst rede overgegeven; men schaarde deze manschappen in compagnien en lieten die met de geweren eenige presentatien doen, waar na de namen compagnies gewijs opgeroepen wierden, als toen nam de inspectie een aanvang eerst de geweeren, toen de ransels, welke een ieder op de grond uitpakte, waar van de meest hunne zakdoeken eerst uitspreiden, en daarop hunne goederen netjes uitspreiden; ik stond verwonderd over de veelheid van kleedwaren, welke de ransel bevatte en zoo netjes gevlijd waren, dog omdat dit onderzoek van een te langen adem was, bleef ik niet ten einde, maar begaf mij langs de gragtswal weder te rug naar huis.

Wij hebben berigt ontvangen dat Domeni van Achlum niet wel is, waar over eenigzins ongerust ben, hij wilde gaarn: dat een of ander kwam, maar omdat mijn zoon in de buren, thans zoo veel drukte aan het Kantoor heeft, en mijn behuwd zoon aldaar met bezigheden overladen is, en ik er onlangs geweest ben, is er niemand onzer tot nog toe niet henen gereist, wij hoopen dat wij aanstaande vrijdag geruststellende berigten zullen ontvangen, anders zal ik daar moeten henen reizen waar tegen ik in den vergevorderden herfst al eenigzins opzien.

 

Blz. 70

Den 12 Nov. Heden nacht voor het eerst vorst, stijve Oostenwind. – Schoon verleden vrijdag gerustellende tijding van Achlum ontvangen hebbende, nam ik echter voor hen aldaar te bezoeken, en reisde den 7 bevorens met het 9 uur van Leeuwarden tot Franeker en van daar te voet naar Achlum, alwaar om 2 uur aankwam, zij waren over mijne onverwachte komst zeer verblijd, bevond mijn zoon beter als ik verwachte, hij hadde gedurende den dag opgezeten overigens was het huisgezin tamelijk wel, de kleinste kinderen laboreerden nog eenigzins aan de koorts. – Domini hadde van de naburige Domeni’s de beide voorgaande zondagen, de predikdienst vervuld, tevergeefs hadde hij tot de volgende zondag aanzoek gedaan wijl zijne naburen ziek of aan de koorts waren, diens volgens werd er niet gepredikt; ik ging dan de zondags morgens naar Harlingen en hoorde met genoegen Domeni Farret aldaar, na de godsdienstoefening dronk ik koffij bij de wed. Reitsma en kinders, naastbestaande vrienden van Pieter Hiemstra mijn behuwdzoon uit de buren. Waar na ik de haven schepen en de zee zag, en om dat het goed weder ware hadde ik in overweging genomen om langs de zeedijk naar Kimswerd en van daar naar Achlum te wandelen, maar om dat er zich weinig verscheidenheden voordeeden, zag ik daar van af, en wandelde weder dezelfde weg te rug naar Achlum; mijne kinderen wachten op mij met de maaltijd, ‘s maandags dronken Neef Draaisma en IJtje thee bij ons en na aldaar tot dingsdag den 11 verbleven te zijn vertrok ik tijdig van daar naar Franeker en van daar naar Leeuwarden met het Harlinger schip en kwam toen

 

Blz. 71

‘s nademiddags tot blijdschap van de blijdschap van de mijnen weder te huis. – Heden in mijne zuster Trijntje vertrokken, wij bragten haar met het wagentje in het 12 uur schip.

Heden den 17 Nov. sedert de vorige afwisselende stofregen, dog thans droog allerschoonst weder. Ons vee loopt nog uit, wij melken daags nog 10 emmers melk van 27, verleden vrijdag verkogten wij 2 kalvers voor 14½ Gld. de beiden; best vee geld goed maar middelsoort en gemeenen zijn zeer goedkoop om den overvloed het spek 2 St. of 10 Cents, koopt men vette spallingen, het vleesch of vette koeijen voor 12½ Cent het oude lb – De aarappels 11 a 12 Stuivers de korf – De boter 1 a 32 Gld. de kaas 13 Gld. Het beste melk vee en vare koeijen gelden goed –

Des vaderlandsch aangelegen blijven nog altoos het zelfde, althans hoort of leest men dien aangaande niets.

Den 22 Nov. sedert de vorige vorst, het ijs is op de sloten sterk genoeg voor een volwassen persoon om te rijden; gister hebben wij dien ten gevolge al ons melkvee en de kalvers op stal gezet, de jongbeesten loopen nog uit. Indien de vorst niet ingevallen ware, zoude men nog al eenigen tijd geweid konnen hebben, om dat er nog veel gras overgebleven is.

Gister was er nog veel vee op de markt, de beste vette, vare en melke koeijen, wierden met graagte gekogt, het was om zoo te zeggen een levendige markt.

Het is iets buitengewoons dat er gedurende den Herfst zoo weinig gevogelte zich hier ophoudt.

 

Blz. 72

Den 2 Dec. sedert den 23 niet alleen dooi, maar gedurende tot het laatst der vorige maand allerschoonst weder, waar door sommige boeren, welke hun melkvee nog uit hadden, onverlet zonder melkverlies konden weiden, dog thans is het rede van den aanvang dezer maand zeer onstuimig evenwel zonder koude; waar door het jongvee hetwelk nog uitloopt, schoon veel wind en regen het harden kunnen.

Ons hooi voedert uitmuntent en melken ‘s daags nog negen emmers melk. De boter blijft op dezelfde hoogte van 32 Gld.

Het wemelt hier in den omtrek van wilde ganzen ook van zee vogels, de wilsters welke gedurende den herfst maar weinig geweest, ziet men thans opvolgende maar enkelden, ook gene kievieten. Ook heeft men weinige wilsters aan de Birdaarden kant, alwaar ze bij andere jaren zeer overvloedig zijn waargenomen, zoo dat wilstervangers aldaar daar mede zeer weinig verdienen; waar dat gevogelte zich gedurende den herfst ophoud, is ons volstrekt onbekend; misschien heeft het gunstige jaargetijde hen deze oorden onthouden, om elders beter te tieren en aldaar overvloediger voedsel verschaft.

 

Blz. 73

Den 4 December sedert de vorige regen en harden wind, dog thans allerliefst weder.

De schatter van het slachtvee heeft heden bij ons drie varkens gepriseerd, waar van een oude en twee spallingen, te zamen geschat op 78 Gld. Wij mesten altoos met beversche aardappelen waar van wij 30 korven a 25 Cents de korf opsloegen, dus zijn de kosten wegens de mesting zeer gering, als men de zuip niet rekent. De schatter oordeeld datze te zamen 900 oude ponden zullen weegen.

Men loopt de gemene lied en namentlijk met St. Nikolaas snuisterijen langs de huizen om nog een stuivertje te verdienen.

Den 13 December, sedert de vorige allerschoonst en zacht weder, zoodanig dat het gister een zomerschen dag scheen, thans mistig en min of meer vorstig; het weerglas staat geruimen tijd zeer hoog, indien er geen maansverduistering aanstaande ware, zoude men denken dat er vorst op handen ware.

Niet tegenstaande de schutters en vele militiens met groot verlof te huis zijn heeft men evenwel de schutters van den tweeden mobiel verklaart, dien ten gevolge zijn gemelde schutters opgeroepen.

 

Blz. 74

en hebben zich in de vorige vier dagen naar den rang der grietenijen en steden opvolgende in de kasern laten vinden, alwaar een ieder gekleed is geworden wijders de krijgswetten geteekend hebbende, heeft men deze manschappen een ieder naar het zijne weder laten gaan, echter met die bepalingen om zich op den 23 dezer aan de kasern te laten vinden. Onder Wirdumer behoor, waren er zeven die onder dezen dienst gevallen zijn.

Gistermorgen is een zoon van Anne v.d. Zee Mr. Bakker alhier, overleden, deze was in het voorjaar onder de Militie aangelot, en dewijl de ouders het vermogen niet hadden, een remplacent te koopen, heeft dezen moeten uittrekken dog daar na onpasselijk geworden zijnde, heeft gedurende te Groningen in het hospital gelegen; maar dit Battallon thans in guarnisoen te Leeuwarden verlegd, was deze jongeling in een hospital aldaar ook gepleegd. De ouders kregen eindelijk op ernstig aandrang, permissie om hunnen zoon te huis te hebben, hij kon nog van de Stad naar huis gaan, alwaar zijne ongesteldheid van dag tot dag toenam tot dat hij eindelijk bezweek. – Men wil dat hij aan de teering gestorven is, veroorzaakt, door een hartzeer tegen den dienst waar aan hij zich moeste onderwerpen.

 

Blz. 75

Den 15 December, sedert de vorige stil en zacht weder, de vorst is geweeken, en thans damp en nat.

Schoon de landen overvloedig van gras voorzien zijn hebben wij den 11 bevorens onze jongbeesten echter op stal gezet, om dat de landen begonnen te trappen.

In Groningerland heeft men een Domeni Kock predikant te Ulrum, ook een Domeni Scholte, predikant op de grenzen van Gelderland tegen het Brabandsche te Appingadam voor de regtbank veroordeeld tot een gevangenisse van eenige maanden benevens eenig Oefenaar of Katigiseermeester aldaar, om dat ze zich niet verbonden achten aan de besluiten der Synode van 1818 vooral ook om de zoogenaamde Evangelische gezangen in den openbaren Godsdienst te gebruiken, maar zich aan de besluiten aangaande onze Godsdienst leer der Dordsche Synode 1618 en 1619 vasthielden. Zij hebben zich dien ten gevolge met hunne gemeenten en duizenden anderen afgescheiden, waar van zij met onderteekening van alle de duizenden hunne Klassen en wijders aan de reegering kennis gegeven, bovendien heeft men in Groningerland alle bijeenkomsten van godsdienstigen verboden zoo als de gerugten zeggen; schoon zoodanige vervolgingen in ons gewest niet aanwezig zijn, heeft men echter drie broeders in de Gemeente van Wanswerd, om datze eenige stooring aldaar onder

 

Blz. 76

den openbaren Godsdienst, uit hoofde van de nieuwe gezangen verwekten, te Leeuwarden voor drie maanden gevangen gezet.

In de Nederlandsche gewesten, ook in ons gewest neemt opvolgende de afkeer tegen de evangelische gezangen toe, zij worden meer en meer beschouwd strijdig te zijn, tegen de leerstukken van onze Nederlandsche Kerk bij de Dordsche Synode vastgesteld. Duizenden zijn er onder de ernstige godsdienst gezindten, welke de invoering van de gezangen en besluiten van de Sijnode van 1818, als een afval van onze Gereformeerde Kerk beschouwen en daarom treuren!!

Ons Domeni heeft nu twee zondagen avonden Bijbeloefeningen gehouden over het gevangen zetten van Petrus en de Goddelijke verlossing van denzelven, waar aan hij verleden jare gevorderd ware; en bij de verhandeling daar van aangemerkt vooral gister avond: dat het in onzen tijd aan zoodanige vervolgingen niet ontbrak: dat de bijeenkomsten van de opregten van harten, om elkanderen godsdienstig te stigten, geen doel hadden, tot het plegen van ongeregtigheden, zoo als de wereld en de booze menschen lasterlijk deze bijeenkomsten ten toon stelden; maar dat er van staatswegen order gegeven wierd om in plaats van deze alle openbare goddelooze tezamenkomsten uit te roeijen en uiteen te drijven.

 

Blz. 77

Den 29 December, tot hier toe droog en zacht weder, dog heden nacht gevroren, de grond was hard, maar evenwel op den middag door zonnenschijn glad en slibberig.

Ik was heden morgen aan het Kantoor om ‘s Rijks Belastingen te ontvangen, waarvan wij ruim 400 Gulden inkasseerden, dus meer dan wij gewoon zijn op den eersten der drie dagen in het laatst der maand te ontvangen, nadien de belastingschuldigen den laatsten dag der maand gewoonlijk hun verschuldigde voldoen.

Den 22 bevorens bezogte ik een paar nachten mijn dogter en zwager op Hallumer mieden, zij bevonden zich wel, behalven dat mijne dogter zich met kookend water, op den voet hadde gebrand, zij zat dien ten gevolge met den voet in het kussen. Hun boerderij stond wel, het vee zag er uitmuntend uit, 46 runderbeesten benevens een stuk of 4 paarden maakten het getal vee uit dat zij stalden, overigens had hij 30 schapen buiten loopen.

Overal beginnen de boeren van hunne benoodigde schapen weder voorzien te worden, door aankoop en aanvoeding. Wij hebben er tien, waar van twee in 1832 aangekogt voor 28 gulden van deze zijn vier lammen voortgekomen die als weidschapen onlangs voor 52 gulden verkogte, nog zijn van deze in het voorjaar zes lammen voortgekomen, en de 2 ouden met 2 aangekogt voor 20 gulden maken 10 schapen.

 

Blz. 78

Den 31 December sedert de vorige even zacht dan bevorens, zonder vorst, het weder is zoo bijzonder als men sedert voorgaande jaren het maar selden gehad heeft.

Het Klimaat schijnt ook gezond te zijn, althans hoort men van geen aansteekende ziekten, behalven van het Roodvonk en enkelde Koorts, zoo als mijne dogter IJtje sedert het begin van October tot nu toe nog aan de Koorts laboreert, ook hoort men nu en dan van haastige sterfgevallen.

Gedurende de laatste dagen dezer maand, hebben wij ons onledig gehouden met het ontvangen van ‘s Rijks belastingen, hoewel men een zeer vruchtbaar jaar heeft, en het boeren bedrijf in eenen goeden stand geraakt, is de landbouw door de voorgaande jaargangen te zeer gedrukt geworden, dan dat men zoo eens in staat zoude zijn, om zoo prompt op tijd, als wel in de goede jaren ‘s Rijks belastingen te voldoen; althans heeft het ons zeer veel moeite en aanmaningen gekost, om de grondlasten ten minsten met het einde van dit jaar aangezuiverd te krijgen; op het personeel is nog veel te kort gebleven ingevolge de verschenen termijnen; trouwens het gaat de gemene man slecht, indien de landbouw kwijnt, zoo als het geval geweest is, vooral de veeman kan zoo niet laten werken, als hij anders wel zoude laten verdienen, het kan er niet af, hij is nog te veel agter uit.

 

[Ongenummerde pagina]

De opbrengsten der Belastingsten voor 1834 hebben bedragen als volgt

 

Grondbelasting   f 18518-72
Personeel   2583-31
Patenten   326-25
Schutloon voor ‘t Personeel    

    129-05 

Directe Belastingen   f 21557-34
     
Geslagt f 940-41  
Gemaal 570-63  
Turf 3-72  
Collectief Zegel 151-83  
Consent Zegel 4-20  
Gemeente Opcenten 1142-25  
3% perc. Kosten der gemeente 34-27  
Accijnsen        2847-33 
  Totaal f 244404-67
  Pensioenf. 26-60
Grietenij Accijnsen    
Turf 1090-05  
Steenkolen 3-32  
Geslagt 2-79  
Wijn 36-48  
Gedistilleerd 285-35  
  zamen      1417-99 
  Totaal  f 25849-26

 

Wirdum den 31 December 1834

D.W. Hellema, Rijks Ontvanger