1830

 

Blz. 1

Het wordt mij gegund nadien God mij leven en gezondheid in den gehelen loop van het voorgaande jaar geschonken heeft, met dit jaar volgens mijne wijze van aanteekeningen weder aan te vangen. Wat er in den loop van dit jaar gebeuren zal is mij onbekend; maar zal, indien God bij voortduring leven en gezondheid aan mij verleend, mijne aanteekeningen van minder of meerder belangrijke dingen zoo veel mogelijk vervolgen; met dien wensch dat het aangevangen jaar gedurende den gantschen loop ten aanzien van der boerenstand, en dus voor de gehele bevolking een gunstiger opkomst mag opleveren dan het voorgaande, schoon gelenigd, door een altijd opvolgende gezonde jaargang, eenige koortzigheid uitgezonderd, daar in niet minder gezegend zij, dan voormaals; met een woord, dat zegen en welvaart op de gehele bevolking over dit jaar moge rusten.

Den 1 Januarij, gedurende de vorige aanhoudene vorst, het ijs is zoo sterk dat het zelve met paard en wagens gebruikt wordt.

Volgens gebruik heeft de Diakonie rekening ’s nademiddags plaats gehad, en de uitkomst lever

 

Blz. 2

de een voordelig slot, niet tegenstaande de vacature dewijl altoos des zondags maar eenmaal Godsdienst oefening hadden en de collecten dus ook in plaats van voormaals twee of drie keeren t’elkens, ook maar eenmaal geschiedde, evenwel na evenredigheid veel meer en voordeliger uitkomst gaf, zijnde na andere jaren pas honderd Gulden minder, ten bewijze dat de Gemeente overvloedige gaven heeft uitgereikt.

Op den avond van dezen eersten dag zijn volgens jaarlijks gebruik door Brandmeesters de diensten van de invallende of vervangende leden voor 1830 aan den Brandspuit geregeld, ten einde daarvan aan een ieder deszelfs aanstelling uitgereikt worde. – Dit geeft veel inspanning en bezigheid telkens; toen de schrijver Brandmeester ware hadden wij door gaans drukke bezigheid van ’s avonds 5 tot 9 a 10 uur eer men zich volkomen konde verlaten, of de lijsten en daarop bepaalde diensten wel gesteld en op de kennisgevingen duidelijk afgeschreven te boek gebragt waren; met dezelfde naauwkeurigheid is men nog jaarlijks gedurende onledig.

De Brandspuit sedert 1802 aanwezig is tot den dienst, door een goed toeverzigt en onderhoud uitmuntend geschikt voormaals tot gebruik van onze plaats door de Kerkvoogden aangeschaft, heeft het Ed. Achtb. Grietenij Bestuur van Leeuwarderadeel goed gevonden, de Brandspuit tot een meer algemeen gebruik voor de Grietenij te eigenen, en de gemeente

 

Blz. 3

van het onderhoud en de kosten te ontheffen, waar bij verstaan is, de tijdelijke Kerkvoogden met het toeverzigt en bestuur in hoedanigheid als Brandmeesters te belasten terwijl de Grietman zich opperbrandmeester benoemd de kerkvoogden tevens gelast worden aan het voors. Bestuur nader op te geven geschikte perzoonen tot onder brandspuitmeesters en bestuurders, ten einde dezelve van wegen het bestuur worden erkend – aan welk verzoek door de Kerkvoogden is voldaan, en in plaats van mijn zoon, welke bedankt heeft tot mede brandspuitmeester mijn zwager Pieter Eelzes Hiemstra uitgekozen is, blijvende overigens het Bestuur als voren.

Den 6 Januarij heden nadenmiddag veranderlijk en gedurende den avond dooi.

Den 8 Januarij, gister sterke dooi en gedurende den nacht regen en wind, doch heden morgen weder vorst met aangenaam weder, ten gevolge daarvan waren de wijde wateren en vaarwateren uitmuntend te schaatsrijden, doch de naauwere vaarten wegens de dooi met water overdekt onrijdbaar, ten gevolge daarvan is de schrijver in plaats van op schaatzen te voet naar de stad gereisd, hetgeen zeer ongewoon en bijkans ongemakkelijk langdurig viel, aan het schaatsrijden naar elders gedurende vijf weeken zoo gewoon zijnde.

Heden marktdag en tevens vergadering van de gecommitteerden der Brand Assurantie Societeit in ’s Lands welvaren te Leeuwarden; mijn zoon doet rekenschap over 1829, welke rekening goedgevonden, gesloten en geteekend is, na welks verslag gedaan is, dat de Sshrijver als gecommitteerde van Leeuwarderadeel en S. Schoustra wegens Idaarderadeel uitvielen, ten einde op de

 

Blz. 4

naastvolgende volgende vergadering van gecommitteerden en deelnemers den 15 dezer, nieuwe te stemmen of voor de volgende 4 jaren te continueren. De goede staat waarin deze Societeit bij de rekening bevonden is, verdiend alle aanmoediging ten blijke daar van zijn er opvolgende nog nieuwe inschrijvingen.

Den 9 Januarij vorst, zuiden wind, volle maan, goed weder. De schrijver is voornemens op verzoek heden het lijk van Andries Dooitzes Smeding, welke op den 4den dezer overleden is na eene zukkeling van 8 weeken de laatste eer mede aan te doen; hij was een aanzienlijk landbouwer in deze plaats, hij laat eene weduwe en zes volwassene en getrouwde kinderen na. Zie over dezen perzoon onze voorige aanteekeningen en vooral onzen tegenwoordigen staat op het artikel de bewooners van Wirdum.

Op de gewoone wijze de begravenis bijgewoond te hebben, kwam ’s avonds weder bij de mijne. Deze overledene man was gedurende zijn opvolgende leven, ongemeen dik geworden, schoon van een middelmatige groote, de beweging waar aan hij zich zeer gewende viel hem zeer lastig, zoo dat hij op het laatst zijns levens met veel moeite van zijne op het nieuwland de straatweg over staande huizinge de reis te voet naar Wirdum afleide; de kiste was daarom 7 duim wijdder dan de gewoone, de beneden einde van de kiste konde in de baar en de boven einde stond er boven op, een dwarshout over de draagboomen gelegd hebbende. – Dit gaf bij de opdragt een zonderling aanzien, bij het hoog opstaan van de kiste.

 

Blz. 5

Den 13 Januarij sedert de vorige afwisselende vorst en veel sneeuw. – De beschrijving of het Kohier van de personeelbelasting is reeds ter executie verklaring van ons bij de Administratie ingezonden, de aangaven dezer belasting zijn door de Ingezetenen op de schatters gegeven en zijn deze reeds bezig met schatten. – Ook heeft de Gouverneur de Kohieren der grondbelasting executoir verklaard met bevel omze aan de Rijks ontvangers te doen toekomen ter invordering dezer belasting, waar van de drukte ons zeer op handen staat, om namenlijk bij het ontvangen de kennisgevingen op te maken rond te zenden en indien mogelijk bij het einde dezer maand te ontvangen.

De beide jonge Heeren van v.d. Zwaag, hebben dadelijk na het overlijden hunner moeder, de huishouding opgebroken, de huisgeraden hier en daar in bewaring gegeven het huis bij hunne moeder van A. Hooghiemstra in huringe ontruimd en gesloten en heden met de postwagen weder naar Groningen vertrokken.

Door het sterke ijs worden uit vele plaatzen van ons gewest uitnoodiging tot harddraverij met paard en sleed en hardrijden op schaatzen gedaan, doch door de invallende dooi en sneeuw tot nader gelegenheid uitgesteld, zoo bepaalde men onder anderen een hardrijden op zee te Makkum, en of zulks op morgen te Leeuwarden volgens de Courant van gister daar het tegenwoordig weder vriest maar het ijs door de sneeuw bedorven, dog door de baanvegers geveegd word, voortgang zal nemen, staat wel te denken, alles bij uitloving van zeer aanzienlijke prijzen en premien aan de winders.

Door de aanhoudene vorst belopen de kosten om de Eenden te voeden zeer aanzienlijk, ook moeten de schapen geheel van hooi bestaan, dewijl het land met sneeuw overdekt is, nu reeds al eenigen tijd.

 

Blz. 6

Den 17 Jan. Gedurende een paar dagen stil staand weder tusschen vorst en dooi. – Het hardrijden heeft op de stads gragt den 15 wel aanvang genomen en den 16 voltooid, maar om dat het nu een geruimen tijd onrijdbaar is, was er niet veel volk.

Ook heeft hardrijden op zee den verleden week wel aanvang genomen maar om den dooi het afdoen uitgesteld, namenlijk te Makkum.

28 Gulden was de boterprijs gister marktdag. Ook hebben volgens advertentie de deelnemers en gecommitteerden van de Brand Societeit gister in ’s Lands Welvaren te Leeuwarden vergadering gehad en hebben den schrijver en Schoustra als gecommitteerden op nieuw gecontinueerd, en dewijl den Heer Beijma als voorzitter afwezig was heeft men mij het presidium bij die gelegenheid doen waarnemen. Ook is N. Hoginga prov. gecommitteerde in plaats van W. Brouwer overleden als vaste gecommitteerde verkoren.

Den 21 Januarij, min of meer dooi weer, gister aller onstuimigst met harden wind, sneeuw en regen.

Daar mijn zoon mede als schatter van het personeel is benoemd is hij benevens Hiemstra mijn dochters man uit de buren te zamen te Stiens bezig om te schatten, waarom ik mij belast heb gedurende deze dagen dat zij afwezig waren, de belangen van het Kantoor alleen waar te nemen – aldaar tevens een paar nachten logerende, wakende bij mijne schoondochter, mijn zoons vrouw, welke ziek is, haar dienende, gedurende een gedeelte van den nacht, hoopen echter dat deze ziekte spoedig in beterschap en herstellen mag afwisselen.

 

Blz. 7

Gedurende de afgelopen week is het zeer onstuimig geweest van wind en sneeuw, de sloten en vaarten zijn bijkans tot boven vol gejaagd, waardoor het land bloot is geworden.

Gedurende den afgeloopen week zijn er verscheidene sterfgevallen onder Wirdum geweest, een vader van een talrijk huisgezin en een grote boerderij in de noodeind drijvende van den R.C. godsdienst, werd zijn gezin ontrukt, een bejaard man voormaals een grote boerderij drijvende van den R.C. godsdienst overleed, een bejaard weduwnaar boere arbeider stierf tevens van den R.C. godsdienst, gister stierf mede een boer nevens de R. Kerk aan Wytgaarder buren en waar onder de andere ook behoren, welke een aanzienlijke boere huizinge en schuur bouwde, sedert een paar jaren, van den R.C. Godsdienst, zoo dat er vier niet min onaanzienlijke Roomschgezinden opvolgende in een zoo korten tijd der wereld ontrukt zijn. Heden stierf een boeren knegt van Anne P. Hiemstra, een arbeiders zoon uit de buren.

Elders hoort men ook dat er vele menschen sterven schoon men van geen aanstekende ziekten althans in deze nabijheid niet hoort. Vlaskamp ons Chirurgijn verklaarde mij gister evenwel dat hij veel patienten hadde.

Den 25 Jan. mooi weer met vorst, welke den 22 dezer na voorgaande ontlating, met nijpende koude weder inviel, men meende dat de winter ons dreigde te verlaten, maar vruchteloos, dewijl het weerglas thans zeer geklommen is – elders wordt de nood zeer groot dewijl de arbeiders niets verdienen konnen, er wordt bij wijze van inteekening vooral aan den bouwkant in de dringende behoefte voorzien. In onze plaats is men noch niet tot dien maatregel gekomen, dewijl de nood alhier zoo drukkende niet is, als wel elders, trouwens

 

Blz. 8

de gemeene armen, dezulke welke niet gealimenteerd worden, genieten uit het besprek, aanmerkelijken onderstand, zoo als turf als anderzins; welke artikels vooral de turf onlangs met sleden aangebragt, in dien nood aanmerkelijk voorzien geworden is – terwijl elders de behoefte aan turf buitengemeen drukkende is, te meer wijl met sleden zooniet vervoerd konnende worden bij gebreke van goed ijs, door de menigvuldig gevallen sneeuw en daar op eenigzins afwisselende dooi.

Ook heeft de gouverneur dezer provincie door de Couranten laten bekend maken, dat er zoo veel mogelijk gestroomd wordt, hier door en wegens de sneeuw verliest hij ijs deszelfs kragt, althans wordt met zwaar geladen vragten niet vertrouwd.

De prijs der boter was verleden vrijdag 2 a 33 gld. doch konde geen prijs houden; de boter wordt per wagens naar Amsterdam vervoerd, en bevragt met 25 fandels min of meer, althans die hierlangs den den straatweg passeeren men zegt dat daar grote behoefte van dit Art. ook is. Overigens zijn de Engelsche schepen in Harlingen leggende reeds bevragt, en hebben reeds in den voor voorgaande week op de gelegenheid van een open zee gewacht om naar Londen te vertrekken of dit gelukt is, heb ik niet stellig gehoord; maar het schijnt wel zoo om dat de boter zooveel duurder geworden is. Trouwens het gemaak is gedurende den winter zeer gering om de schaarsheid van hooi, en zal nog wel eenigen tijd aanlopen eer de markt daar mede zal voorzien worden.

 

Blz. 9

Den 29 Jan. Vorst, sedert de laatste tot heden zonder afwisseling hetzelfde weer, anders stil en bedaard maar koud en sterke vorst.

Sedert de voorige de werkzaamheden aan het Kantoor alleen verrigt, wijl mijn zoon en schoonzoon zich te Stiens met schatten bezig waren. Gister had ik het ongemeen druk, wijl men kwam de verponding, waar van de aanslag billetten reeds voor 1830 bij ons uitgegeven zijn te betalen, tevens wordt het geschatte slachtvee, veeaccijns, schapen en varkens, waar mede de slachters gister mede ter markt trokken, het zij in stukken of gehele buiken vleesch, zooveel ik mij herinnere 19 Schapen en 3 varkens, daarbij kwamen de drie bakkers, om het belaste graan ten voordeele der Grietenie, zijnde van rijks wege met den aanvang van 1830 onbelast geworden; aan te geven, zooveel ik mij herinnere 5 mudden tarwe en 18 a 19 mud Rogge, en dit bij gedeelten, veroorzaakt een verbazende drukte, vooral ten aanzien van het slachtvee om dat het stuk voor stuk verimpost wordt, het lastigste voor mij was de accijnsen en de verponding telkens bij afwisseling te moeten bewerken; het slachtvee en de bakkers zijn weekelijks meer en min wel het zelfde, maar nu kwam de verponding er midden.

Er was gister veel boter ter markt van tijd tot tijd agter uit gehouden, maar de prijs 30 gulden, dus minder dan in den verleden week.

Den 30 Januarij felle vorst met stijve oostenwind gedurende de geheelen winter is de reis mij niet naar het Kantoor geweest als heden morgen, stijf tegen den wind, sneed de koude mij geweldig in het aange-

 

Blz. 10

zigt, schoon met doek omgewonden – even zoo kwamen de belasting schuldigen aan het Kantoor, klagende over de nijpende koude; niet tegenstaande den korten tijd ons gegeven na het executoir verklaren der Kohieren van de grondlasten, en daar na door het Grietenie Bestuur ons dezelven ter invordering aangeboden, de kennisgevingen daar uit gevormd en aan de belasting schuldigen uitgereikt niet tegenstaande dit alles, is er nog een aanzienlijk gedeelte van deze maand bij ons ontvangen. Mijn zoon is thans bezig om de staten ter verantwoording op den 1 Febr. om dat het morgen zondag is, op te maken.

Den 3 Febr. Sedert de vorige felle vorst, tot heden altoos vermeerderende, verzeld van stijven oostenwind en heldere lucht. De vorst is zoodanig in de huizen doorgedrongen, dat het tot den haard vriest, niet tegenstaande sterk vuren kan men naauwelijks beletten dat alle vogtige voorwerpen tot op den tafel, daar van aangedaan worden. – Deze toestand van den vorst en felle koude, zal grotelijks de ellende van een menigte menschen vermeerderen, bij het algemeen gebrek van turf en brandstof, behoefte aan voedsel en deksel vooral onder den gemenen stand. Aardappels bij vele menschen nog in voorraad, en tot nog toe buiten den vorst gehouden, zullen niet langer daar voor bewaard konnen blijven. – Van een aanzienlijk voorraad van appels voorzien zijnde, en in een goede kelder bewaard, zijn merendeels ook al gevroren.

 

Blz. 11

Ten gevolge van dezen vorst, althans men schrijft het daar aan toe, heeft men den 31 Jan. l.l. eene koopvrouw met een korfke koopwaren van linten en anders voorzien bij haar, tusschen de Him en Goutum op het vlakke land doodgevonden; eene vrouw misschien bij de 40 jaren. – Het Bestuur alhier daar van kennis gekregen hebbende, heeft bevolen het lijk bij de naaste boer te brengen, van daar is het in de buren gebragt alwaar spoedig een kiste gemaakt en daar in gelegd gister avond op het Kerkhof te Wirdum begraven is; met alle mogelijke nasporingen te Leeuwarden en op het Gouvernementshuis, heeft men niet stellig zeker konnen weten, wie dit mensch geweest is en waar te huis behoorde, evenwel wordt er vermoed, dat zij in de stad gehuisvesd is, op zich zelven of bij anderen inwoonende, zonder eenig huisgezin, haar kost langs de huizen met deze kleine koopmanschap winnende.

Mijn zoon en behuwdzoon zijn gister weder naar Stiens getrokken om het nog overgeblevene van de Schatting van het personeel aldaar af te doen, ten gevolge daarvan heb ik den verleden nacht en gedurende dien tijd aan het Kantoor geweest.

Den 2 Febr. hadden wij in de dingsdaagsche Courant № 10 een geschiedkundig berigt van Sjaardama huis te Franeker en van de Kanselarij te Leeuwarden, beide wetenswaardige stukken.

Den 8 Febr. sedert de vorige felle koude en vorst afwisselende sneeuw en sneeuwjagt, dog heden morgen

 

Blz. 12

zeer onstuimig en dooi, overal zelf op de bedsteden alwaar de uitwaseming gevroren, thans ontliet, en een sterke drupping ten gevolge hadde, en meestal vespreid door het dagelijksche woonvertrek in de schuur en het buithuis, waardoor de beesten het water van den huid droop en de stallen als het ware met water overgoten ware, eene grote ongelegendheid veroorzaakte. Doch wij en alle andere menschen, die zulks met ons gemeen hebben, zullen zich gaarn de moeite troosten, om te hemelen en alles weder te drogen en in order te schikken zoo dra het druppen ophout; want een ieder verlangde vaak met ongeduld, rijk en arm, dat deze felle koude en nijpende vorst, een keer mogte nemen, en deze benaauwde en zonder afwisseling langdurige winter ons mogte verlaten; mogte de dooi maar aanhoudende zijn en daar door ijs en sneeuw verdreven worden, opdat de landbouw en scheepvaart neering en hanteering, tot welzijn der maatschappij en vooral tot het leeningen van de drukkende behoeften van den gemenen stand, tot bloei moge geraken, en de langdurige ledigheid in een drukke werkzaamheid vervangen worde.

De felle vorst gedurende het laatst der voorgaande en tot hier toe dezer maand heeft inzonderheid het algemeen buitengemeen gedrukt, waar door nog vele levensmiddelen inzonderheid de aardappelen bedorven zijn. Wij hebben de beiden verlopen marktdagen niet te Leeuwarden geweest, er is volgens zeggen ook zeer weinig te doen geweest, binnenlandsch heeft men geen ijs konnen gebruiken, maar wel op meeren en wijde vaarten, heeft men nog altoos op schaatzen gereden.

 

Blz. 13

Den 9 Febr. heden zeer onstuimig en dooi, de sneeuw is merendeels gesmolten, waardoor het water over de landen buitengewoon hoog is; schoon telkens geadverteerd wordt namens den Heer Gouverneur, dat men gedurende met de zeesluizen stroomt, maar om dat de waterlossingen binnenlandsch gevroren zijn, heeft het overtollige water van de landen geen uitloop.

De Courant van heden bevat onder andere uit Harlingen dat er zes perzonen over ijs te voet van Terschelling aangekomen waren, als een gevolg van den fellen vorst, niet tegenstaande deze perzonen een ijsschip bij zich hadden, hadden zij er echter geen gebruik van gemaakt. Ook was de Maas zoodanig gevroren, dat men zich daar op allerlei ijsvermaak veroorloofde.

Deze Courant bevatte ook onder anderen een spookvertelling aan een voormalige koning van Zweden verschenen, als mede andere geen onaardige dingen.
Gedurende dezen winter hebben wij vier Eenden verloren, een grote 70 verspreid en zich thans in het veld om
hun eigen voeder te zoeken, waar door wij heden avond voor de eerste maal ophouden dezelve te voederen, met de zesde zak boonen waren wij bezig ieder zak ruim 4½ gulden.

Den 10 Febr. nog dooi weder; de watermolens beginnen reeds te malen, het water is door het smelten der sneeuw buitengewoon hoog, zoo dat het land over al sloten en greppels van water blinkt; als de dooi aanhoudende mag zijn, zullen wij ook spoedig van het overtollige water ontdaan zijn.

 

Blz. 14

Den 13 Februarij, sedert de laatste vorst dog door zonneschijn ontlatend; ten gevolge van den vorst rijdt men weder op schaatzen, vooral op openbare vaarten, daar het ijs op geborsten is, dewijl het overal nog sterk genoeg, zoo werd de Sneeker vaart heden nog bereden, en gister marktdag te Leeuwarden, werd de Ee algemeen met schaatsen en sleden algemeen gebruikt, dog toen was de Sneeker vaart niet te gebruiken; de lucht heeft thans bij flaauw zonneschijn geen vorstig aanzien, men hoopt steeds dat de winter ons moge verlaten.

De prijs der boter was gister 30½ gulden, sommige boeren houden te rug, nadien zij menen dat de prijs wel hoger zal steigeren, om dat het gemaak in het voorjaar om de schaarsheid van hooi geringer dan wel in andere jaren zal zijn; het zal wel bijzonder niet alleen daar door, maar van een open zee afhangen; aan den uitvoer; want zoo lang de boter ter plaatze harer bestemming niet gevoerd is, kan zij ter consumtie of tot andere einden niet gebezigd worden, en wat dit hooger in het voorjaar oploopt, wat de overvloed als dan de prijs ook wel kan afslaan.

Het nieuwe ijs op de sloten en anders, is sterk genoeg om gebruikt te konnen worden, zoo even reed iemand op de sloten hier voorbij en zoo even bragt de bakker ons met een sleed het brood tot de wekelijksche consumptie waar toe wij alle weken drie benoodigd zijn – waar in wij deze order houden en vele der boeren met ons: dat wij niet altoos het brood van en den dezelfde bakker ontvangen, maar bij afwisseling van de beide bakkers uit de buren alle vierendeels jaars elkanderen afwisselen.

 

Blz. 15

In de Couranten wordt opvolgende gemeld, dat de winter overal buitengewoon langdurig is, zelf in de zuidelijke landen alwaar men zelden of althans zeer gering de winter gevoeld, als in Frankrijk, Spangjen en Italien; men schrijft vandaar van het omkomen van menschen en dieren – ook waar men zelden vreemde vogels als ganzen en arenden, en welke in het noorden te huis behoren, worden in Frankrijk en elders geschoten. Ook de wolven dringen in menigte bij koppels van 3, 4 tot 8 of 9 incluis, uit de bosschen, en maken de velden en wegen niet alleen onveilig maar laten zich bij woningen en dorpen zien, waar door rede menschen verscheurd en ongelukkig zouden geworden zijn. In Zuidholland zijnze ook waargenomen, dog alhier heeft men tot nog toe, geen vreemd wild gedierte gezien.

Om dat de noodzakelijke goederen, niet als met wagens en karren vervoerd konnen worden naar andere provincien en van daar naar Friesland, Leeuwarden en elders, ziet men hier gedurig vreemde wagens langs de straatweg voor bij passeren, en dat die paarden als ook vele inlandsche met scherp beslagen zijn, om het ijs en de vorst lijdt de straatweg ongemeen, wijl dezelve op vele plaatzen van zand ontbloot is, en wegens den vorst niet kan overdekt worden.

Het mensch onlangs doodgevonden is bekend en behoord in de stad te huis, onder eenen der armen directien, welke de kosten hier, daarover gemaakt al moeten restitueren.

 

Blz.16

Den 18 Febr. sedert de vorige vorst, de winter wil ons nog maar in het geheel niet verlaten, thans koud en N.W. wind den 15 zijn hier op schaatzen geweest, onze Hallumer mieden vrienden, mijns dochters man en mijne zusters man benevens een der voorzoons; de Dokkumer Ee was uitmuntend te rijden dog de Sneeker vaart was gebrekkig geweest.

Er heerscht over het algemeen een zware verkoudenheid, zijnde tevens zeer langdurig, zoo dat de gene die er van aangetast zijn, in geen weken er afkomen, verzeld gaande met een zware hoest, ook mijn huisgezin kleinen en groten, dienstbaren en eigen, zijn de eene min en de andere sterk daar aan laborerende, ook ben ik zelf daarvan hevig aangedaan, mijn inziens veroorzaakt in de felle koude dagen agter een bij het vuur zitten; wij vuurden sterk en ik schreef toen de bijdragen tot mijne oudheden van Wirdum en de ijver waar mede ik mij daar toe verledigde, veroorlofde mij in dagen niet, dat is gedurende de felle koude, buiten te gaan was ik, ook gedurende de nijpende vorst, aan mijne levenswijs gewoon gebleven om uit te gaan, mogelijk had de verkoudenheid mij ook verschoond. De buitenlucht hinderd mij nu meer, dan eenigen tijd de felste vorst, ten bewijze dat mijn gestel thans zoo fris niet is als toen.

De eenden konnen wij met alle voorzorgen naauwelijks in het leven houden, 8 zijn er rede gestorven en indien de winter ons niet verlaat zullen er wel meer sterven, de winter is te langdurig en ten gevolge daarvan zullen er over het geheel bij duizenden gestorven zijn.

De boter was verleden vrijdag eenendertig Gulden, wat morgen de markt zal zijn, moet de tijd leeren.

 

Blz. 17

Den 22 Febr. Sedert de vorige vorst en heden nacht veel sneeuw, zoo dat de oppervlakte der aarde thans weder met dikke sneeuw bedekt is, verzeld van N. wind en koude.

Het is of men zich in het diepste van den winter bevind, zoo bar ziet het er uit, een bekrompen hart ontstaat er bij het afwisselen van ieder dag en nacht dewijl men bij het aanbreken van den nacht hoopt dat er des morgens eenige verandering in het luchtgestel zal zijn, ten goeden, des morgens op den avond, en zoo wisselen zonder eenige aanmerkelijke verandering dag en nacht elkanderen af.

Het is reeds lang winter, het blijft winter, en hoe lang zal de winter nog duren? men hoopt nu weder op morgen om dat het dan nieuwe maan en bij ons onzichtbare zons verduistering is.

Den 23 Febr. Het weder als voren, behalven dat in den verleden nacht buitengewoon veel sneeuw gevallen is; dit ondervond ik heden morgen eenige boodschappen in de stad te verrigten hebbende, reisde ik te voet derwaards maar door de dikke sneeuw, waarmede het aardrijk, de straatweg enz. bedekt is, viel het gaan zeer moeijelijk en zwaar, derwijze dat ik mij niet herinneren kan immer bij mijne thuiskomst zoo moede geweest te zijn; ook kan ik mij niet herinneren ooit zooveel sneeuw doorgewaad te zijn, dat wil zeggen dat de oppervlakte van het aardrijk, zoo egaal met sneeuw overdekt was; het moet zeer stil geweest zijn, toen de sneeuw gevallen is, anders jaagd de wind wel groote hoopen.

 

Blz. 18

Den 24 Febr. heden morgen vorst en sterke regen gedurende den gehelen voordemiddag, een zonderlinge tegenstrijdigheid in de natuur, vorst en regen, de sneeuw glinsterde overdekt met een korst van ijs, even zoo ook de boomen, waardoor de tederste takken zich kromden door de zwaarte van het steeds aanzettende ijs; eindelijk kreeg na den regen tegen den middag een zachte dooi de overhand, het ijs ontliet en de boomen schudden zich door een zuiden wind van hunnen overlast; thans op den avond is het nog dooiweer, men kan zien dat de sneeuw over het veld minderd, hier en daar wordt het gezigt door een kaal uitkomend plek min en meer gebroken; ook zoo merk men op de sloten eene ontlating ter plaatze waar de sloten niet gelijk staan met de oppervlakte van het land, door het voljagen der sneeuw onlangs door den harden wind.

Doch de mist is opgeklaard en de lucht gebroken, mogelijk heeft met den volgenden nachtvorst; althans zijn alle teekens nog tot vorst koud weer gedurenden den gehelen winter was de grep agter de koeijen van een opdrogenden aard, even als heden, ook de eenden pluimden, dit zijn bij de boeren al veel doorgaande merkteekenen van op handen zijnde koude.

Den 26 Febr. Tegen ons vermoeden, is het sedert de vorige aanhoudene dooi, den verleden nacht

 

Blz.19

inzonderheid heeft het zeer sterk gedooid, zoo dat de oppervlakte van het aardrijk bijkans van sneeuw ontbloot is; maar het is verwonderlijk hoe hoog het water in de sloten greppels en leegten is, het staat alles vol; te meer ons pijpke in de straatweg is met den aanvang der vorst gesloten geworden, zoo dat het water niet kan uitloopen als alleen door eene kleine opening dat de deuren niet te digt toegedaan zijn, het welk, wel eenig water langzaam doet verliezen, maar lang niet die kwantiteit welke met een open pijpke hadde konnen afvloeijen. – Indien de Gouverneur niet hadde gezorgd dat de Zee sluizen zoo veel mogelijk stroomden, dan hadden wij verbazend hoog water gehad.

Heden marktdag, dog om dat ik niet veel bezigheden aldaar te verrigten hebbe, blijf ik thuis en laat mijn kleine knecht derwaards gaan, om kleine boodschappen voor mijne vrouw te doen.

Gister heb ik steeds aan het Kantoor geweest om de verponding te ontvangen, waar mede wij steeds bezig gedurende het laatst der maand. De personeel billetten zijn op hoog gezag nog niet uitgegeven dewijl eenige veranderingen op handen, schoon zij aan het Kantoor sedert een maand in gereedheid liggen om uitgegeven te worden, alleen van de dienstboden wordt bij ons thans ontvangen tezamen met de grondlasten.

 

Blz. 20

Heden werd in de Leeuwarder Courant berigt: dat op den 15 Febr. 1830 van Stavoren 24 personen waar onder 5 vrouwen, ’s morgens 8 uur op schaatzen naar Enkhuizen reden alwaar zij half 11 voordemiddags de haven binnen reden, zich aldaar van een gedenkteeken voorzien en eenigen ververschingen genoten te hebben, en tevens met een plank voorzien zijnde om zich over een slenk te redden, waar over zij des morgens met een ijsschol zich gered hadden, vertrokken te twee uur ’s nademiddags van daar en kwamen ’s avonds half 5 behouden weder te Stavoren aan.

Den 13 bevorens hadden 13 personen van Stavoren, twee schippers en twee inwooners van Warns, op dien dag ook op schaatzen de reis naar Enkhuizen en van daar weder te rug gedaan. – Men had zich van een lange lijn op deze reis t’ elkens voorzien en waren digt aan elkanderen gereden vaak op zeer gladde en effene ijs velden; die van den 15 hadden het onaangename van mistig weer.

Den 1 Maart, aangenaam weer heden morgen eenigzins vorstig, gedurende het laatst der voorgaande maand hebben wij ons onledig gehouden met het ontvangen der verponding, en mijn zoon verantwoord heden de gelden enz. dewijl het misweer is, en de binnendijken ongeschikt om met den wagen te rijden zijn, heeft mijn knegt het geld met een onzer paarden gehaald tusschen de 2 en 3000 gulden; en dewijl mijn zoons schoonvader, de ontvanger van Roordahuizum, juist deze met een wagen, ook om te verantwoorden, elkanderen op den straatweg aantroffen, nam men ons geld van het

 

Blz. 21

paard, op den wagen, en reden toen te zamen naar Leeuwarden, waar door de knegt vrij was met het paard naar de stad te trekken.

Heden moeten de jongelingen, welke in de jaren der militie vallen, loten. Dien ten gevolge is mijn kleine knegt ook naar Leeuwarden getrokken, om te loten, vermits hij den ouderdom van 18 jaren bereikt heeft.

Ik hoop dat hij zal vrij loten, schoon hij zeer klein van perzoon is, en dog de maat niet heeft, zal hij egter ingeval van aan te loten, vijf aan een volgende jaren er voor moeten staan, om bij verkregene hoogte soldaat te worden.

Er waren verscheidene te Wirdum die in de jaren der loting vielen; onze knegt Hotze Sijmens Dijkstra welke nu ongeveer zeven jaren bij ons gediend heeft van Wirdumer geboorte, heeft № 37 getrokken, waar door het zeer te bevrezen staat, dat hij mogelijk invalt, nadien № 13 gerekent wordt № 1 te zijn, en er 15 uit de Grietenij soldaat moeten worden, dus zijn er van 28 tot 37, maar negen tusschen beiden, welke door gebreken of onder de maat, ongeschikt tot den dienst zijn.

Den 3 Maart uitmuntend schoon en droog weder, dog sterke nachtvorst, waar door het te vrezen staat: dat de trekschepen zullen konnen doorbreken zoo als op den 4 en 5 dezer voor een jaar, de trekschepen ook doorgebroken zijn.

 

Blz. 22

Heden is onze Oojevaar tot onze blijdschap weder terug gekomen en heeft bezit van zijn nest genomen, waar dezelve gedurende deze langdurige ongestrenge winter zich opgehouden heeft? is al weder onze oude vraag! Dit weten wij stellig, dat het verblijf alwaar zich ophield, een genoegzaam onderhoud heeft aangeboden en aangeschaft, zeer onderscheiden van onze gewesten en een menigte aangrenzende landen; alwaar gedurende den vorst althans geen voedzel voor deze vogels in het allerminste te bekomen is geweest, om te bestaan en te leven.

Den 6 Maart, zonder eenige verandering allerschoonst en droog weder O. wind en sterke nachtvorst, en indien het voorjaar niet zoo verre gevorderd ware, zoude de vorst nijpende zijn. Men meende dat de schepen gister marktdag zouden gevaren hebben, maar door de sterke invallende vorst, is dit niet eens ondernomen te bestaan. De Engelsche schepen met boter bevragt zijn den 1 dezer en juist tijdig van Harlingen vertrokken en den 2 binnengekomen een ander Engels schip met ballast van Londen.

Door het vriezen kan men niet als den nadenmiddag dongslegten, door zonnenschijn zoo ver ontdooid dat ze maar even geslegt konnen worden telken dag. Misschien is het voor het land goed; maar des nadenmiddags de voetpaden slegt te gaan en de dijken onrijdbaar, dog des morgens is de grond hard. – De straatweg is van een onrekenbaar waarde, dagelijks

 

Blz. 23

passeren heen en te rug gedurige vragtwagens met allerlei produkten beladen. Inzonderheid met turf, welker gebrek hand over hand toeneemt, men voerd dezelve van het Heerenveen en elders naar den bouwkant alwaar het gebrek inzonderheid buitengewoon groot is.

Wij hebben verzuimd te melden dat op den [wit] Febr. l.l. op de landhoeve van den oud Gouverneur ter aldaar afgezonderde grafplaats, bijgezet is. Het lijk werd met een wagen ter plaatze gevoerd en even als de Eyzinga’s bevorens gemeld ter aarden besteld, door dragers uit het gebuurte.

Den 8 Maart sterke nachtvorst schoon weder O. wind. Door den kragt der Zon, is het gedurende den middag ontdooijend. Ten gevolge van het sterke vriezen is mijn kleine knegt, heden morgen op schaatzen naar Warga gereden, om Reinder Boonstra van wien ik in de herst 2000 lijnkoeken a 12 guld. gekogt had en waar van rede 1200 vervoerd heb, aanzegging te doen dat wij de resterende benoodigd zijn, wijl wij aan koeken gebrek hebben. – Wij zullen thans hooi genoeg hebben, om de koeijen voortaan genoegzaam te voederen.

Den 10 Maart, heden aangenaam dooi weder gister avond ontstaan en steeds aanhoudende Z. wind ten gevolge van het ophouden der nachtvorsten is het Sneeker trekschip naar Leeuwarden, met twee paarden zonder hinder zoo het scheen hier voorbij gejaagd.- Dit gezigt was eenigzins nieuw, dewijl men sedert min of meer 15 weeken, thans nog voor 2 a 3 dagen, geen andere voorwerpen langs de Sneeker vaart passeeren zag, als schaatsrijders, paard en sleedjagers.

 

Blz. 24

Zoo hier zal het ook elders zijn, althans ziet men van hier zeilschepen in de Harlinger vaart; welk een verruiming zal dit te wege brengen? met den aanvoer der noodwendige behoeften, vooral de eerste behoeften des levens –

Gister den 9 is het wijfje Ojevaar ook te rug gekomen. Ook de eenden zijn buitengewoon fleurig kwaken, flodderen, vliegen op de korven, en vermaken zich op allerlei wijzen, de leeuweriken kweelen, de kievieten draaijen over de wieken, met een woord de gantsche natuur levert een aangenaam schouwspel op, eene gehele verandering zoo dat het schijnt dat deze strenge en langdurige winter ons thans verlaat.

Volgens kennisgeving is mijne behuwd dogter, de Dos van Achlum zijne vrouw den 6 dezer van een dogter bevallen, en bevonden zich in den besten welstand.

Gister is de man van de school maitres in 1829 van gouvernements wege te Wijtgaard op een traktament van 150 Gulden uit de grietenij kas, geplaatst, overleden, nalatende een zeer bezwaard huisgezin, van 6 a 7 kinderen, deze vrouw is onlangs als school maitres te Gorredijk beroepen; dog ontmoet zwarigheid, dewijl de vrouw hier aanzienlijke schulden opgelegd heeft, en dien ten gevolge bij het overlijden van haar man, onderstand van de diakens alhier heeft verlangd, welke haar dit ook zullen uitreiken, ten koste van SAnna parochje alwaar zij verjaard is – Hoe het vervolgens gaan zal met dit huisgezin moet de tijd leeren, hier te Wijtgaard heeft zij geen bestaan met zulk een groot aantal kinderen; Wirdumer Diakonie hoopen intusschen zonder bezwaar van haar af te komen.

 

Blz. 25

Den 13 Maart, heden harden wind W.N.West, verzeld van sterke droogte. De trekschuiten varen uit alle de steden; de landschepen uitwatering in de trekvaarten hebbende, waren velen gister ter markt te Leeuwarden, dog konden niet in de stad varen, wijl alle canalen in dezelve, nog niet gebroken maar met ijs bezet waren en het was een onaangenaam gezigt, zoo vele vuiligheden, bij alle de pijpen over de canalen door de gehele stad verspreid, neergeworpen, opgehoopt te zien, zoo zeer, dat het misschien tot den grond, gezonken ware en boven het ijs bij de wallen uitstak.

De hoogste prijs der boter was 32 Gulden; indien de oude boter rede verkogt ware, dan zoude er weinig boter ter markt gebragt worden, om dat er zoo weinig gemaakt wordt.

Heden wordt de overleden man van de schoolmaitres te Wijtgaard ter aarde besteld, waar van de diakens te Wirdum in gld. de kosten dragen, en dien ten gevolge volgens gebruik ons predikant de voorgang hebbende met de Kerkeraad om het lijk mede te volgen, omdat zij beide ledematen waren, te zamen een kopje thee in de herberg te drinken, de kosten worden hen van SAnna vergoed om dat zij daar verjaard zijn.

Ons naaste buurman is heden begonnen te rollen ook begint men uit te dollen, dog de grond is nog niet geheel door ontdooit, het geen niet te verwonderen is, daar de felle en langdurige vorst zoo diep ingedrongen is. Het ijs heeft boven de 20 duimen dikte gehad, en het is te verwonderen, dat het zoo spoedig verdwijnt. Geene woudschepen waren gister te Leeuwarden, de wijde waters lijden zoo veel niet, door het stroomen.

 

Blz. 26

Den 18 Maart, sedert de vorige harden wind verzeld van droogte, dog gister middag eenigzins regenachtig.

Den 15 bevorens reisde ik met de trekschuit naar Hallumer mieden om mijne kinders op de noorder mieden nevens het tolhuis woonachtig te bezoeken, bevond hen wel, behalven hun outst zoontje laboreerde nog aan de koorts, 44 hoornbeesten en 3 paarden hadden zij op stal en stonden met het hooi tamelijk wel; aldaar aangenaam den tijd tot gister morgen doorgebragt te hebben reisden mijn zwager en ik te zamen naar de Zuider mieden om mijne zuster en zwager te bezoeken; bevond hen allen wel, en vertrok van daar ’s middags met het Dokkumer schip te voet tot aan het tigchelwerk gegaan zijnde naar Leeuwarden, en kwam om 5 uur te huis, alwaar mijne dogter en behuwddogter uit de buren den dag bij mijne vrouw en huisgezin doorgebragt hadden.

De familie op de Hallumer noorder en Zuider mieden woonachtig en een kleine halfuur van elkanderen verwijderd hebben veel vriendschap met elkanderen, en bezoeken elkanderen steeds wederkerig.

Heden hebben wij ons eerste Eenden ei gekregen; ons Ojevaars zitten rede zeer bepaald op het nest, een bewijs dat zij al eijers hebben; dat er Kieviets eijers gevonden zijn, heb ik nog niet gehoord.

Groote boonen heb ik heden gelegd; de tuinlieden zullen het thans met deze droogte wel zeer druk hebben, met planten en pooten.

Het driejarig onderhoud der straatweg benevens het plantsoen wordt volgens advertentie in de Couranten op morgen aangeboden, openbaar te besteden.

 

Blz. 27

Den 23 Maart. Steeds harden wind verzeld van droogte. De boeren rollen bij deze schone gelegenheid hunne miedlanden, welke in den verleden jare, door de aanhoudene regen tot laat in den herfst, buitengewoon getrapt en dus oneffen waren – het is verwonderlijk te zien hoe effen de landen door het rollen worden, de grond is door den sterken vorst en daar door opvolgende drogen dooi, zoo bol en lenig dat de oneffenheden ingedrukt en slegt worden.

Gister den 22 had het Friesch genoodschap volgens aanschrijving te Leeuwarden hare voorjaars vergadering onder voorzitting van Professor de Crane. Vele zaken werden toen betrekkelijk de Friesche oudheid, geschiedenis en taalkunde behandeld. De Grietman Beijma, hield na den afloop daar van eene lofrede over de in het einde der 15de eeuw levende professor Farai Perœus, waar na de vergadering ontbonden werd en toen overgegaan om te balleteren tot de aanneming van verscheidene voor gedragene personen tot leden dezes genoodschaps, zullende alles met een aanzienlijke maaltijd besloten, dog vertrok alvorens, als niet beschouwende in verband te staan met den aard dezer inrigting, en aldus door onnoodige bezwaren, de contributie en bijdragen tot de noodige kosten tot dit genoodschap niet te vergroten. – Hebbende het genoodschap het dus ook begrepen, dewijl een ieder vrijheid gelaten wordt de maaltijd mede te genieten of niet.

De vergadering was bij deze gelegenheid zeer aanzienlijk door het aantal leden uit vele oorden van ons gewest tegenwoordig. Men heeft reeds aangevangen het handschrift van Janke Douwsma te drukken, ook waren er eenige afschriften betrekkelijk de Friesche geschiedenis in de boekerij te

 

Blz. 28

Oxford in Engeland voorhanden, tegenwoordig.

In het laatst der voorgaande week den 20ste dezer heeft de Controleur Bouricius tevens de functie van Inspecteur ad interim waarnemende, de stukken en registers van ons Kantoor geviseerd.

Den 31 Maart, sedert de vorige droogte, zoo dat deze maand gedurende zeer vris en droog geweest is, waar door over het geheel genomen, maar even regen gevallen is. Zelden heeft men zoo lang aanhoudene droogte; het wordt ook van zeer veel belang geacht voor al gedurende deze maand; de landen waren zeer vatbaar voor rollen, hetgeen algemeen gedaan is. Het gras begint uit te spruiten; Sijbe Leegsma op Tjaard heeft reeds de jong beesten in het land; hetgeen elders wel meer zal bestaan.

De prijs der boter was verleden marktdag te Leeuwarden de beste 8 a 39 gld. en gister te Sneek 40 a 41 Guld. De vette beesten zegt men zijn ook duur, de kalve ook na rato, zoo dat de boeren stand thans een goed uitzigt heeft, vooral als er maar genoeg gemaakt wierd en de prijs staande bleef.

Wij hebben ons in het laatst van deze maand onledig gehouden met het ontvangen der verponding enz. om morgen te verantwoorden.

 

Blz. 29

Den 6 April, koud en droog, gister nachtvorst, verzeld van hagel en sneeuwbuijen.

Gister hebben de Kerkvoogden zich onledig gehouden eenige noodige reparatien aan de Pastorie te besteden het welk door B. Vogel mtimmerman alhier aangenomen is voor 80 gulden.

Gemelde timmerman had alvoorens naar de stad geweest om een plaatsvervanger voor een zijner zoons te koopen, welke aangelot is tot de Militie, hij was niet klaar geworden niet tegenstaande hij 325 gld aan iemand geboden hadde.

Iemand, die een goed remplaicant koopt, moet tot de 400 gld met kosten en al besteden, indien hij zeker en veilig wil zijn, dat hij niet te leur zal gesteld worden.

Mijn kleine knegt is ook aangeloot hebbende № 37; maar om dat hij klein van gewas is en dus de maat niet heeft, tot de hoogte van een soldaat vereischt wordende is hij dit jaar vrij van den dienst, dog in het volgende jaar wordt hij weder gemeten, tot de 5 jaren successivelijk incluis, dan het 5de jaar de maat bereikt hebbende zal hij de volgende jaren moeten dienen, en dit is wel ongelukkig die het eerste, tweede, derde of vierde jaar te klein zijn, en dan vervolgens invallen, dezer wijs, raakt er selden iemand vrij van den dienst.

Den 10 April sedert de vorige allerschoonst weder tot heden middag, dog toen onstuimig en koud

Blz. 30

en dreigt tot onstuimigheid, morgen Paasch, bij het schoone weder, is het gelaat des aardrijks zeer veranderd, met een schoon groen begint het overdekt te worden, ten gevolge daar van heeft men hier en elders het jong vee uitgelaten, ook wegens de schaarsheid van hooi. – De boter was gister 40 gulden. De vette en kalve koeijen zijn zeer duur. Mijn zwager te Hallum heeft gister twee vet gevoederde vare koeijen afgeleverd voor 265 gulden wegende ieder groot 700 lb.

Des nademiddags om 5 uur hadden wij hier godsdienst oefening ten gevolge van den marktdag, zijnde voormaals een heilige dag; maar om dat de marktdag nu altoos des vrijdags is, heeft men goedgevonden den goeden vrijdag met eenmaal godsdienst oefening naar gelang van den bestgevoeglijken tijd ieders gemeente, af te doen; de Kerkeraad heeft voor den best gevoegden tijd alhier gemelde stond gekozen.

Hier en daar aan de straatweg zijn vele boomen gestorven, althans vertoonen geen leven, allermeest den eschdoorn. Dog de els neemt een spoedigen voortgang, waar door de straat met boomgewas een aangenaam bosschaadie eerlang het gezigt zal aanbieden, vooral als de stamboomen in groei zullen toenemen.

 

Blz. 31

Den 20 April, koud en onstuimige w. wind. Waarschijnlijk heeft het in den verleden nacht onweerd, althans had men sedert de vorige schoon weder en zacht, gister broeijig, gedurende heeft men avonds en nachts weerligt waargenomen op den 10 l.l. heeft het volgens de Courant in naburige provincien zwaar onweder geweest en op sommige plaatzen door het inslaan, brand doen ontstaan, menschen gedood en veel schade verwekt.

Mijne kinderen te Achlum, heb ik den 12 bezogt, reisde ’s morgens te 3 uur van huis in het 4 uur schip en bevond mij te 7 uur te Franeker en 8 uur te Hitzum alwaar mijn zoon opwachte, om dat hij aldaar moeste prediken. Hij was zeer verrast mij onverwacht aan te treffen; na de predikatie met de jonge lieden gecatichiseerd te hebben reisden wij te zamen naar Achlum, alwaar met blijdschap van mijn behuwd dogter tevens ontvangen werd, bevond haar en de jong geboren benevens hun zoontje allen in den besten welstand. Aldaar een paar nachten doorgebragt te hebben, vertrok den 14 en kwam ’s avonds bij de mijnen in goeden welstand. Sedert Augustus des vorigen jaars was ik niet te Achlum geweest.

Na de nademiddags predikatie den 18 l.l. hadden de Kerkvoogden benevens den predikant een te zamen komst in de Herberg, om met elkanderen te raadplegen aangaande het verwen der Pastorie, waar van een bestek voorhanden ware, de kosten daar van te hoog bevindende, heeft men besloten de Pastorie van buiten alleen te verwen en van binnen tot een volgend jaar te wachten. Waar van aan de beide verwers alhier een uitnoodiging gedaan is, om de kosten bij minst aanneming het werk aan hun te besteden.

 

Blz. 32

Den 27 April, heden allerschoonst weder. Sedert de voorige aller onstuimigst met zeer harden wind. Den 24 l.l. hebben ik mijne familie op de Hallumer mieden te Wanswerd en mijn broeder op de Streek een paar nachten bezogt, bevond hen allen meer en min in tamelijken welstand.

Ten gevolge van het mooije weder hebben wij de jongbeesten heden morgen in het land gelaten, ten einde ook op den 1 der volgende maand naar de pollen te brengen om alvorens aan de lucht en beweging tot die reis eenigzins voor te gewennen. De Pollen zijn thans tot ongeveer 24 guld. het schar geklommen.

Den 4 Mei sedert de vorige schoon weder, den 1 Mei hebben ons volk de jong beesten naar de pollen gebragt, en heden hebben wij 10 stuks koeijen in het land gebragt. Ons naaste buurman heeft zijn geheel beslag uitgelaten dewijl het hooi benevens het gekogte verteert was. Wij hebben vrij wat hooi overgehouden, en konnen de overige beesten een geruimen tijd na Mei op stal houden. – Overigens is het een grote weldaad der voorzienigheid, dat het thans overvloedig weert; want er zijn een menigte boeren, welke al het hooi vervoederd hebben, en daarom in de noodzakelijkheid zijn, om het vee in het land te brengen. De melke koeijen worden duur verkogt, maar inzonderheid de vette hetwelk een grooten zegen voor ons land is – de aardappels gelden een daalder de korf.

 

Blz. 33

Den 10 Mei, onstuimig verzeld van regen en natte sneeuw, Oostenwind, welk weder den 8 rede aangevangen heeft uitgezonderd de sneeuw; ten gevolge van dit gure weder, staan de beesten, welke opvolgende bij het mooije weder het zij uit noodzakelijkheid, het zij om dat den tijd er ware, in het land gebragt zijn, rond gaan te kleumeren; sommige boeren, die nog eenigzins van hooi voorzien waren hebbenze weder op stal gezet, ook wij hebben er van de tien welke wij reeds in het land hadden dezen morgen weder gestald, den 8 des morgens hadden wij het voornemen het gehele beslag uit te brengen, maar om dat de lucht toen dreigde tot regen, zagen wij er van af, en tot ons geluk hielden wij de beesten nog op stal, zoo als er vele in onze nabuurschap zijn, behalven agt melke en kalve rieren en twinter rieren en de 5 hoklingen op de pollen zijn uit, ook hebben wij de jonge kalvers welke in het land waren in de schuur genomen. – Het is te wenschen dat dit onstuimige door schoon weder moge vervangen worden, het zal er anders naar met den landbouw uitzien.

De aarden baan, om de stad, of het spanjers dijkje te maken, wordt met ijver voortgezet vooral ten doel hebbende, om een geschikte straat aan te leggen naar het nieuw aan te leggen Kerkhof zijnde eene terp in de nabijheid ten noorden van de stad, naar lang overleg, daar toe bestemd.

 

Blz. 34

Den 11 Mei. Het weder even onstuimig als de vorige laatste dagen; niemand kan zich herinneren omtrent dezen tijd zulk guur en koud weder beleefd te hebben.

Als eene bijzonderheid kan men aanmerken, dat de huiszwaluwen, welke in dezen tijd in schuren en elders nestelen en welke in menigte als aangename vogeltjes bij den boer althans hier om huis en in het hof rondzweven, ter opvanging van vliegen tot hun gewoon voedzel, gister in menigte gestorven zijn; twaalf stuks hebben de kinders doodgevonden, behalven de gene welke door de katten verslonden zijn, en zich hier en daar begeven hebben.

Den 12 Mei. Het weder is thans zeer bedaard, donkere lucht, en veranderlijke wind.

Twee zwaluwen schijnen hier overgebleven te zijn, althans ziet men maar dezelve her om zwadderen.

Zoo als hier is elders ook het geval met gedoodde zwaluwen, mijn zwager van Hallumer mieden is hier een nacht uit van huis geweest, deze berigte onder anderen ook, dat de zwaluwen aldaar mede gestorven waren, en al wat zorgen zij en ook wij aanwenden, om de zwakken welke zich met de hand vangen lieten, te koesteren om was het mogelijk bij het leven te houden, alles was vruchteloos, na eenigen tijd stierven deze ook – wat de oorzaak van deze nooit gehoorde of gelezene sterfte dezer vogeltjes zij, is mij geheel onbekend; het zij dat de langdurige harden wind, verzeld van een nijpende koude, de vliegen en insecten verborgen hebben, en daar door in de onmogelijkheid hun benoodigd voedsel te verkrijgen en dus uitgehongerd stierven. Of dat

 

Blz. 35

zij door de koude ongesteld geworden en langs dezen weg gestorven zijn. Het een en ander zal misschien door natuur onderzoekers eerlang stof tot opheldering geven.

Onze Ojevaars welke reeds jongen hadden zijn ook gestorven, althans werpen de ouden doode jongen buiten, en in plaats zij steeds in de eerste dagen van dit buitengewone weder hun kroost koesterden en overdekten, was deze voorzorg gister tot mijne verwondering opgehouden, althans zag ik dat zij treurig bij hevige regen en wind op het nest stonden, het geen nooit anders bij zoodanig onstuimige regen, terwijl dezer jongen nog klein zijn, het geval is, maar dit lostte zich heden op, toen de doode kiekens buitengeworpen werden.

Nog veel erger is het met de beesten gesteld, een menigte boeren welke hun vee buiten hadden, hebben een en meer stuks verloren, in het water of verstijfd van koude; zoo op het oogenblik heeft mijn buurman een dood rundbeest met de sleep te huis gehaald; verscheidene onder het behoor van Wirdum, heeft men het zelfde berigt en hoe velen zijn er niet, waar van men nog niet gehoord heeft. – Akelig was het op Hallumer mieden en in dien omtrek gesteld, sommige boeren hadden verscheidene niet alleen verloren, maar waren zoo bekleumd, dat zij dat misschien met de dood zouden moeten betalen. – Ook mijn dogter en zwager aldaar, hadden een koe en een paard verloren; de berigten van het vee op de Pollen zijn gunstig.

 

Blz. 36

Den 17 Mei, het weder is thans zeer gunstig en aangenaam. Den 15 bevorens hebben wij al ons benevens het weder opgezette vee ten gevolge van het verschrikkelijke weder, uitgebragt; een menigte boeren hier en elders, welke al hun vee in het land hadden, bragten ze weder op stal, behalven die geen hooi hadden waar onder ook mijn zwager, moestenze laten loopen en deze zijn het die de meeste ramp geleden hebben.

Den 25 Mei. Sedert eenige dagen tot heden allerschoonst vruchtbaar weder, de landen staan uitmuntent en het laat zich aanzien dat het maaijen vroeg aangevangen zal worden.

Gouvernements wege is er een opvrage geweest van het verlooren vee en de waarde daar van, ten gevolge van het onlangs verschrikkelijk onweder; niet alleen zijn hier maar ook elders de jonge Ojevaars gestorven; de zwaluwen zijn overal in menigte verloren geraakt. – Wij vermoeden dat hier maar twee overgebleven zijn, om dat wij geen meer na het overgaan der koude ontdekten, maar opvolgende zijnze weder vermeerderd, mogelijk van elders aangevlogen – als eene byzonderheid kan men nog aanmerken, dat er geen de minste vorst met de koude verzeld ging, maar een opvolgende Oost en noordooste wind, verzeld van regen en natte sneeuw scheen deze zoo zonderlinge koude aangebragt te hebben.

Ten gevolge van het mooije weder, zijn mijne vrouw, eene dogter en behuwddochter, benevens een voordochter

 

Blz. 37

van wijl. mijne eerste vrouw, te zamen met een overdekte wagen heden morgen 5 a 6 uur met eenen voerman, naar Achlum gereden, en behalven ’s avonds een zwaar onweder gehad te hebben, na een zeer goeden reis tegen 11 uur ’s nachts weder te huis gekomen; mijne kinderen te Achlum hadden zij zeer welvarende aangetroffen.

Gedurende den nadenmiddag dreigde een onweder het welk ongeveer 6 a 7 uur ’s avonds alhier met opvolgende regen zich niet meer in de verte hooren en zien liet.

Den 1 Junij, harden wind, sedert de vorige aanhoudene onstuimigheid verzeld van regen en wind. Het onweder waar van wij op den 25 melden, heeft inzonderheid, volgen de Courant van heden te Amsterdam en in dien omtrek gewoed, menschen op het land doodgeslagen, veel schade veroorzaakt inzonderheid een menigte glazen verbrijseld door groote hagelsteenen en stukken ijs daar mede verzeld gaande, veroorzaakt.

De pinxterdagen waren ten aanzien van het weder niet aangenaam, gedurende welke het zeer regende vooral op den 1sten dag dat is den 30 l.l.

Gedurende de laatste dezer maand hebben wij ons onledig gehouden met het ontvangen van ’s Rijks belastingen, en worden heden verantwoord.

Dewijl wij door den regen verhinderd wierden om de 5 bij de buren te bemesten, zijnde maar ten halven gedaan, zijn wij heden middag daar mede weder begonnen in hoop dat het weder ons zal toelaten, geheel te bemesten.

 

Blz. 38

Den 8 Junij steeds regenachtig; elders is het gewas zeer overvloedig, en belooft veel hooi, maar in dezen omtrek en vooral het nieuwland, is het schaars; door de menigvuldige regen en koude verzeld somtijds van stormachtig weder, schijnt het land alhier te veel bekleumd te zijn. – Evenwel zijn wij gister uit noodzakelijkheid begonnen te maaijen, de weidlanden en fennen beginnen zeer kaal te worden.

Ons Domeni benevens zijne vrouw en kind zijn in den verleden week naar Oostvriesland vertrokken om hunne familie aldaar drie a vier weeken te bezoeken, Andræ en van Dijk te Warga en Mantgum zullen twee zondagen aan een volgenden eenmaal telkens den dienst alhier waarnemen en op den derden zondag wordt er niet gepredikt.

Ten gevolge daar van heb ik mijne kinderen en familie een paar nachten bezogt. – en den 6 te Hallum de godsdienst onder het gehoor van den braven oude Domeni van Velden met zeer veel genoegen en stichting bijgewoond.

Den 14 Junij sedert de vorige opvolgende regen, de lage landen staan onder water, het ziet er voor den landbouw, vooral aan den bouwkant ook zeer bedenkelijk uit, door de nattigheid kan de bouwvrucht niet van het onkruid gezuiverd worden, het welk weelig tierd en daar door de vrucht onderdrukt; het hooi dat sedert 2 a 3 weeken gemaaid is, zoo als er naar de Sneeker contrije veel is, bederft, de weidlanden trappen, de wegen zijn bijkans onbruikbaar, kortom alles heeft een bedroevend aanzien.

Het gemaak bij den boer is in evenredigheid na voorgaande jaren zeer in mindering, een ieder klaagt, dat het melkvee weinig geeft, doch de boter geld ruim 30 guld. en de kaas 15 a 16 tulden.

 

Blz. 39

Den 3 Julij sedert de vorige afwisselende mooi weder waar door eenig hooi gewonnen is, dog telkens weder verhinderd door regen en wind, zoo dat de onleegtijd bezwaarlijk voortgang neemt, evenwel is het gedurende de 3 laatste dagen der vorige maand ongemeen warm geweest verzeld van zonnenschijn, zoo dat er toen vrij wat hooi verzameld is geworden en den 1 dezer maand ongemeen veel toestel gemaakt wierd om vervolgens spoedig en schoon hooi te oogsten, maar van den 1 tot den 2 ’s nachts regende het zoo sterk, dat het water niet alleen de greppels afstroomde, maar ook daar de landen niet wel afwaterden blank stond, dog heden morgen heeft het boven dien zoo buitengewoon geregend dat de sloten tot de boorden toe vol water staan, en het hooi in het water drijft, daar namelijk de uiterste einden van de akkers tot de sloten afdalen. Het is thans hier een aller bedroevends omstandigheid, maar hoe akelijk zal het er in de lagere gedeelten van ons gewest uitzien, het is tegenwoordig buitengewoon winterwater, hoe beklemd is niet de landman?, hoe zucht de werkman? de markten van Sneek en Leeuwarden zijn telkens vol van werklieden, om zich te besteden in de hooijing, maar moeten telkens onbesteed weder vertrekken; de bevolking lijdt dus ongemeen! te meer daar de meeste levensmiddelen zeer duur zijn; schoon de boter, het dierbaar suivel en de voornaamste opbreng der greidplaatzen, weinig getrokken wordt, de markten zijn buitengewoon slap, niet tegenstaande de helft minder boter gemaakt wordt dan bij gewone tijden, de prijs is thans 6 a 27 Gulden.

 

 

Blz. 40

De kaas houd prijs 16 a 17 Guld. het hooi is zeer duur, in dezen omtrek wordt geen genoeg hooi gewonnen, daar door ook wijl er een menigte hooi tot weidland aangelegd is, door de schaarsheid van gras; gedurende de voorzomer hadden de weidlanden de gedaante van herfst, door het ongure weder en den regen veroorzaakt, zoodanig dat men in den laten herfst niet aarselen zoude om de beesten op stal te zetten indien het land als dan zulk een gedaante hadde en zoo weinig kragt in het nog weinig voorhanden gras ware; elders zijn een menigte beesten op stal gezet, en worden met afgemaaide mieden gevoerderd, het welk, indien de werkzaamheden zulks gedoogden, nog het verkiezelijkste boven allen zoude zijn; eensdeels om dat zulke mieden daartoe gebezigd, op de stallen veel meer tot voedsel zoude strekken dan het zelve om te weiden, veel vertrapt en vertreden wordt, ten anderen zoude men het land bevrijden van te trappen, het welk thans algemeen het geval is. Met dit weder gaat er afwisslende donder mede verzeld. Sedert het passeeren van den langsten dag is het veel vruchtbaarder geworden, en indien men warmte en droogte mogte genieten, zouden de landen overigens overvloed van gras voortbrengen.

Gedurende de laatste dagen der voorige maand hebben wij ’s rijks belastingen ontvangen, den 1 dezer verantwoord. – Ook zijn mijne kinderen, de Domeni van Achlum en zijne vrouw, benevens hunne beide kindertjes hier uit van huis gekomen op den 1 dezer.

 

Blz. 41

Den 5 Julij, heden schoon weder, dog ook tot gister avond hebben de plasregens aangehouden; waar door het water tot een ontzettende hoogte is geklommen; het is wonderlijk te zien, dat midden zomer, buitengewoon hoog winterwater alle lage landen, leegten en greppels bedekt; wel mag het geheugen, dat er in een oogenblik door een waterbui, genoegzaam alles onder water gezet wierd, maar dan telkens in een korten tijd verdween, maar thans konnen het de outste lieden zich niet herinneren, zoo midden zomer op den duur met zulk hoog water bezogt te zijn geweest. – Op deze hooge landen vischt men het hooi uit de laagten en greppels. Het hooi dat in menigte op de velden in rooken staat, is zeer plat door den regen gedrukt, en waarschijnlijk veel bedorven is, durft men nog niet ontbloten, althans niet inhalen; het hooi dat reeds een paar weeken gemaaid is, wordt bijkans door den groei van het nieuw gras onzigtbaar, en zal waarschijnlijk aan den grond rotten. Na den middag zullen ons volk keeren. – Den 3 bevorens is er in de wouden verbazende sterke hagel gevallen, opvolgende heeft het gedonderd, dog in dezen omtrek niet sterk.

Den 7 Julij heden sterke regen, wij hadden gister veel gelegenheid gemaakt, om heden te zweelen, en ziet alles te vergeefs, gister hebben een menigte boeren gezweeld, maar het niet goed, trouwens ons werk van keeren is te ook vergeefs, en thans het hooi daar door minder geworden – reeds hebben wij in het weinigje hooi dat wij in huis gekregen gedold, en was reeds meer dan koffij bruin.

 

Blz. 42

Den 8 Julij heden zeer onstuimig, verzeld van veel regen, de watermolens werken thans zeer vlug het overtollige water uit, dat sedert door een zagten wind het geval niet ware, tegen den avond klaart het weder en de wind wordt westelijker, wij hoopen en verlangen dat het een goed voorteeken van droog weder zij. – Akelijk ziet het er uit, schoon het buitenwater sterk begint te vallen is het echter nog zoo hoog: dat de lage miedlanden diep onder water staan. – Men schreef in het voorjaar dat wij een droog en koud jaar hadden te wachten, dog sedert het uitgaan van maart is het altoos nat en allermeest in de maand Junij bij het uitgaan, en den aanvang van Julij. – Hoe oplettend men ook de wisselingen van weer en wind gade slaat sedert vele jaren en telkens vergelijkt zijn de weervoorspellingen althans zoo even gemeld zeer tegenstrijdig tot hier toe uitgekomen! Hoe weinig weet de nieuwsgierigste natuur onderzoeker ons met zekerheid over de toekomst voor te ligten! dat wij ons dan niet daar op verlaten; maar in ootmoed en eerbied alleen het gods bestuur erkennen, en zijne voorzienigheid ook in weer en wind als afhankelijke schepselen dankend bewonderen en eerbiedigen!!

Den 17 Julij sterke droogte, sedert gedurende deze week schoon weder, ten gevolge daar van hebben wij gister den 16 de onleegtijd gedaan gekregen, wij hebben gantsch geen genoeg hooi gewonnen, met Gods zegen moeten wij na maaijen; ons volk hebben den 15 met een buitengewonen ijver 37 rooken binnen gehaald, iets zeer zeldzaams.

 

Blz. 43

Den 22 Julij. Sedert de vorige, droog en schoon weder, waardoor de boeren in dezen omtrek den onleegtijd opvolgende gedaan krijgen, en mooi hooi gewonnen wordt, ook door de langdurigheid velen voor de behoefte toereikend; elders is het hooi zeer overvloedig vooral naar de Hallumer, Wanswerder contreijen zoo als den 20 dezer in het doorreizen na mijne familie aldaar ondervond, hebbende toen een nacht bij hun doorgebragt; het hooi wordt voor 7, 8 a 9 Gulden verkogt.

Gister hebben de gecommitteerden van de Brandsocieteit in de herberg te Wirdum zich onledig gehouden met het teekenen der acten van de geexpireerden, welke voor vijf jaren weder ingeschreven zijn, en die der nieuwe deelnemers, tevens voor het volgende jaar het tarif van vee, hooi en granen opmakende. De societeit breid zich nog opvolgende uit.

De domeni van Achlum na alhier en vooral zijn vrouw eenigen tijd uit van huis geweest zijnde, zijn zeer spoedig vertrokken, dewijl aldaar zeer haastig overleden ware Ulbe Draaisma, Kerkvoogd en mede tauxateur van het Kadaster.

Te Leeuwarden wordt zeer veel aanstalte gemaakt, om den Koning benevens den Erfprins op morgen te ontvangen. De vlaggen waaijen reeds van de Toorens zoo wel ten platten lande als in de stad. Indien het weder zoo gunstig blijft zal de overkomst van onzen geliefden Koning zeer veraangenamen, en de menigte als dan naar de stad uit alle oorden van ons gewest doen toevloeijen.

Den 23 Julij, gister avond half 10 is de Erfprins benevens zijn zoon in 2 koetzen ieder met 4 paarden bespannen zonder eenige staatsje dit doorgereden; en wierd met veel eerbied onder een grooten toevloed ontvangen. – Doch onder een ontzettende menigte kwam heden middag 1 uur de Koning binnen na alvorens

 

Blz. 44

het ontbijt bij den Heer Haarsma te Buitenpost genomen te hebben de stad was opgepropt van volk omdat het Kermis en tevens marktdag was; de Koning heeft een weinig na het inkomen, gehoor verleend het welk lang heeft geduurd.

Den 24 Julij een aanhoudene sterke regen heeft heden morgen, het mooije droge weder vervangen; een menigte boeren hebben den onleegtijd gedaan, maar velen hebben het hooi nog niet te huis, evenwel heeft men gedurende 14 dagen allerschoonst weder gehad, althans zoodanig, dat het meeste hooi op het hoog ingeoogst is; schoon het water ook veel gezakt is, staan de lage landen nog onder water, men hoopte dat deze landen door het droge weder en sterke stromen, eerlang zouden boven gekomen zijn, om daar van het hooi nog te winnen; maar thans is alles weer regen en brengt op nieuw veel water bij.

Dezen dag was voor de liefhebbers van harddraverij een feestdag, wijl des Konings zweep zoude verreden worden in plaats van den volgende maand, te meer wijl zulks in tegenwoordigheid van den Koning zal plaats hebben, waar door de menigte uit alle oorden van Friesland zouden uitgelokt zijn, om deze plechtigheid bij te woonen, hoewel anders geen liefhebbers van harddraven zijnde; maar door de sterke regen zullen er een grote menigte te huis blijven.

De tegenwoordige staat van Friesland door onzen Gouverneur vervaardigd, ziet thans het ligt over 1829, en levert ten aanzien van den landbouw, in vergelijking van voorige jaren geen gunstig resultaat, schoon in andere opzigten en vergelijking met andere jaren, beter dan gelijk staande.

 

Blz. 45

Wij schreven bevorens zie pag. 35 over het ongunstige weder dat daar door behalven het gevogelte een menigte beesten gedood waren waar van den Heer Gouverneur in zijnen meergemelden staat berigt dat er toen 38 paarden 917 runderen en 137 schapen omgekomen zijn, waar van de waarde geschat is op 44168 Gulden.

Den 28 Julij. Wij berigten dat den 24 l.l. een sterke regen viel, doch toen ’s nademiddags is het weder opgeklaard en sedert is het sterke droogte met zonneschijn tot op heden.

Ten gevolge daar van is toen de zweep in tegenwoordigheid van den Koning, Kroonprins en hoogstdeszelfs zoontje van 13 jaren, benevens een ontzachlijke toevloed van menschen op het zaailand te Leeuwarden verreden, een Damwoudster paard, dat ’s maandags de gouden zweep benevens in korten tijd bevorens nog vier van de aanzienlijkste prijzen in andere steden gewonnen had, is deze Konings zweep als de harddravenste ook toegewezen.

Des zondags den 25 heeft de Koning, de oude en jonge prins den Godsdienst onder het gehoor van DosBoon Mesch ’s morgens bijgewoond, de Kerk konde de toevloed van menschen lang niet bevatten, hoewel de groote Kerk te Leeuwarden zeer groot is.

De Kroonprins benevens de jonge prins zijn ’s nachts daar aan volgende om 12 uur langs de straatweg over het Heerenveen en vervolgens vertrokken.

Den 26 heeft de Koning zich nog te Leeuwarden opgehouden, wanneer, zijnde de laatste maandag van de Leeuwarder Kermis, zich nog een ontzettende menigte menschen daar bevond.

Den 27 ’s morgens om 4 uur, is de Koning met een koets met 6 paarden bespannen, dit doorgereden en vertrokken.

Blz. 46

Den 30 Julij, heden als voren een heldere lucht zeer warm. Op den avond ziet men aan de kimmen vooral in het oosten donderkoppen.

De prijs der kaas was heden 17 a 18 gulden, van de boter heb ik nog niet gehoord. Over het geheel wordt er een derde gemaakt minder dan voorgaande jaren; de prijs der aardappelen was een en een tweede gulden.

Met de boomvruchten ziet het er allerslechts uit, de boomen hebben zoo veel geleden dat de bladeren afgevallen of verwelkt een doodsch aanzien geeft. Onze boomen beginnen op nieuw te botten of vertoonen jonge groene uitgeschotene bladen, nergens treft men appels aan, althans zeer weinige.

Door de warmte kan men naauwelijks de melk in de aaden voor zuren bewaren, wij hebben reeds het derde maal. De boter is buitengewoon week, en kon geen de minste beweging dulden of scholperde in de vaten, waar door misschien een menigte vaten afgestoken zijn.

Wij houden ons thans onledig om de verponding over deze maand te ontvangen.

Den 3 Aug. Sedert gister is het weder veranderlijk, schoon droog is de weersgesteldheid even als gewoonlijk na een onweder, hoewel wij bij het uitgaan van den buitengewoonen warmen week maar weinig donder alhier gehad hebben.

Gister hebben wij de ontvangene Rijks belastingen verantwoord.

Het boomgewas aan de Straatweg, vooral de Els heeft dit jaar een verbazenden voortgang genomen, met uitzondering evenwel van de stamboomen, waar onder de ijperen voor een kwijnenden aanzien hebben.

Den 19 Aug. sedert de voorige afwisselende regen, droog en schoon weder, doch voor een paar dagen is er onstui-

 

Blz. 47

mig weder ingevallen vooral heden verzeld van veel regen en Noorde wind.

Er is gedurende de voorgaande verbazend veel hooi gewonnen of staat nog gewonnen te worden, wij hebben nog ten minsten 13 pondematen, waar van 5 pondematen reeds gemaaid, 8 pondem. staat nog op wortel, indien wij geen mooi weder krijgen, dan ziet het er slegt uit voor het hooi dat nog gewonnen moet worden, vooral ook met ons 5 reeds gemaaid, alwaar buitengewoon veel op ligt; wij zijn wel voorzien van gras, maar over het algemeen is het zeer schaars. De prijs der boter als voren, de kaas steviger.

De straatweg op Groningen neemt een goeden voortgang, en zal in den loop van dit jaar nog klaar zijn althans van Leeuwarden tot aan de grenzen van Friesland.

De Wirdumer Kermis is den 10 dezer ingevallen, maar door het regenachtige weder was er zeer weinig te doen, den dag daar aan volgende ’s nademiddags om 3 uur verloste mijne dochter in het gebuurte de vrouw van P. Hiemstra van een dochtertje, een zeer geruimen tijd was zij alvoorens zeer ongesteld en zwak, maar bevind zich thans naar den tijd en omstandigheden zeer wel.

De familie te zamenkomst is hier den 17 l.l. geweest mijn Broeder en zijne vrouw, deszelfs zoon en zijne vrouw, koopman in kruidenierwaren te Leeuwarden, mijne dochter en haar man, mijne zuster en haar man, van Hallumer mieden, mijn zoon en zijne vrouw en P. Hiemstra wiens vrouw zich in het kraambed bevond, uit de buren, benevens mijn zwager van Goutum en zijne vrouw, maakten tezamen met mijn gezin, het gezelschap uit, dat dezen dag aange-

 

Blz. 48

genaam en in welstand zich bij elkanderen bevond, en ’s avonds zich scheide, dog mijn broeder en zijne vrouw bovengemeld en op de streek te Birdaard onder het behoor van Wanswerd woonachtig bleven hier tot ’s anderendaags nademiddags in blijde vergenoeging; en bragt hen met het rijtuig tot aan het tolhuis, waar van zij te voet naar de stad reisden, om aldaar bij hunne kinderen boven gemeld een kopje thee te drinken en dan in het 4 uur schip naar huis te trekken.

Ons Domeni moet heden donderdag nademiddag een predikbeurt te Leeuwarden voor Boon Mesch een der Leeuwarders predikanten, welke afwezig is, waarnemen; mijn oogmerk is hem daar te hooren, dog voornemens zijnde tijdig naar de stad te gaan, wil ik alvoorens, het voortgezette werk in en om het aan te leggen nieuwe Kerkhof buiten de stad benevens het slegten van het Bolwerk van de dwinger bij de Hoekster poort en de aldaar te vervaardigen Brug, welke rede onder handen is, over de gragt aldaar eens bezigtigen.

Een Timmerman welke aan mijn huis tegenwoordig om te repareren is, hadde eergister naar Sneek geweest en met verwondering gehoord en gezien, de groote kwantiteit hooi, welke aldaar gewonnen was of stond nog gewonnen te worden.

Den 13 l.l. ontstond er ’s avonds een ontzettende storm behalven, de kleine schaden hier en daar aan huizen, gebouwen en molens, is de spits van de Koudumer toren, afgeworpen.

 

Blz. 49

Den 20 Augustus, heden alleronstuimigst. Sedert gister avond voortdurende sterke regen, waar door het water opvolgende wast en hoogt. Door het onlangs drooge en schoone weder verzeld van sterk stromen door de zeesluizen was het water zeer gezakt, en ten gevolge daar van konden de lage landen gemaaid worden; maar thans zullen genoemde landen weder overvloeijen, en het hooi dat daar op gemaaid en niet gewonnen is, drijven. Men zegt: dat dit hooi, waar van veel liezen door het lang onder water staan, een mans lengte heeft en door sommige in schoven even als de granen gebonden en opgezet is om te drogen. – De turf begon ook zeer droog te worden, en wierd voor 33 gulden aangebragt. Ons schuitevoerder hadde voor ons beste aan gekogt maar stond nog in het veen, om wat droger te worden en alzoo eerlang te bezorgen; maar door den invallenden regen, zal het drogen niet veel voortgang hebben.

Het is heden marktdag. Mijn knegt is naar de markt om behalven anders ook een partij kaas te verkoopen, indien de regen niet ophoud, dan blijf ik thuis, mijne boodschappen heb ik aan mijn zoon en behuwdzoon P. Hiemstra, welke hier zoo even geweest zijn en naar de stad reisden, besteld.

Mijn zoon zoo even gemeld, berigte ons tevens dat ook zijne vrouw heden in den vroegen morgen verlost ware van een zoontje, en naar tijds omstandigheden alles wel ware.

 

Blz. 50

Gister ben ik naar de stad geweest, en heb met verwondering de bezigheden aldaar aangevangen gezien; het Spanjersdijkje is meer dan de helft verbreedt, om eerlang te bestraten naar het aldaar nieuw aan te leggen Kerkhof, zijnde een terp, welke met een gragt zal omring worden en waar mede zij thans bezig waren om te graven. Een verbazende kwantiteit zand en vloersteenen, waren rede tot de bestrating op het Aanzentuin te zamen gevoerd.

Het Bolwerk op de Hoeksterpoorts dwinger was grootendeels afgegraven en met schepen weggevoerd, een grooten rogmolen welke aldaar stond, was voorleden jaar door den harden wind rede beschadigd en is niet weder gerepareerd, maar in dien stand gesloopt, en waar van men thans bezig was alle raderen roeden en wijdere toebehoren opvolgende te scheep te vervoeren, waar na toe is mij onbekend.

De brug, welke over de gragt geslagen wordt om uit de stad dadelijk regt uit gemeenschap met de zwarte weg of de te nieuw aan gelegden straatweg en waar van de aarden bed zoo ver mijn oog reikte zeer gevorderd was, tot over de helft van de gragt met zware balken gestijd, was men thans ijvrig bezig met een zwaar heiwerk waar aan 14 a 15 man werkten, in te slaan. Aan de overkant dat is aan de stadskant, had men

 

Blz. 51

reeds een steenen vloering uit het water opgewerkt na alvoorens dien omtrek met een puntstrijkdam van water ontlast te hebben, niet geheel over de gragt maar den omtrek van dit steenen hoofd alwaar de draaibrug zijne werking om te draaijen zal gegeven worden. – Alle deze dingen verwekken een bijzonderen indruk voor de Vriezen dat men zulke kostbare werken, en waar van deze nieuwe brug een aanhangsel is, in een voor den landbouw zoo zeer agter uitgaanden tijd, onder handen neemt, en wijders wegens tollen en onderhoud, zoo drukkende voor de ingezetenen moet worden, ook tot bezwaring van de scheepvaart; want thans heeft de gragt onmiddelijke gemeenschap met de Ee door de zoogenaamde verwers brug en welke voor de groote schepen om te wippen, eene belasting onderworpen is, of deze nu aanwezig zal blijven is mijn onbekend, namelijk de brug, of dat men die zal wegruimen dat wel zeer waarschijnlijk is, dewijl de nieuwe aan te leggen brug over de gragt daar voor in plaats is; maar voor rijtuigen welke aldaar in menigte passeeren, uit de bouwkant en van elders naar de wouden en weder

 

Blz. 52

te rug onbelast zijnde, zal men bij zoodanige gelegenheden langs het Aanzentuin naar de poort over de van ouds hoeksterpoorts brug en zoo wijders langs het afgegraven bolwerk de nieuwe brug zeker niet zonder belasting om naar de wouden of van daar, te geraken, moeten passeren – dog als het werk zijn volkomen beslag heeft, zal men er beter konnen over oordelen, maar althans zoo waren mijne bespiegelingen tijdens mijne bezigtiging. – Van hier begaf ik mij in de stad, dronk een kopje thee bij neef Hellema bevorens gemeld, en ging toen in de Kerk hoorde ons Domeni prediken over Job 5 : 18,19 reed na den godsdienst naar huis onder een sterken regen, het welk heden nadenmiddag onder een besloten lucht uit het noorden nog voortduurt.

Mijn knegt is van de Markt terug en heeft de kaas voor 20 guld. het schld verkogt, de prijs der boter kon hij toen nog niet weten.

Den 21 Aug. een even betrokken lucht verzeld van aanhoudende regen, als gister en eergister. Het water is bijkans weder zoo hoog als onlangs middenzomer. O! dat het de voorzienigheid behagen mogte ons droog weder te schenken, waar zal het anders met den landbouw henen.

In het voorjaar hadde men 3 aan een volgende verduisteringen waar van twee aan de zon en een aan de maan

 

Blz. 53

thans heeft men weder drie, waar van twee aan de zon en een aan de maan, de eerste aan de zon is rede den 18 l.l. gepasseert.

In het voorjaar den 23 Febr. nieuwe maan hadde men zon eclips den 9 maart volle maan, maan eclips den 24 maart daar aanvolgende nieuwe maan, weder zon eclips; thans den 18 Aug. nieuwe maan zon eclips, de volle maan den 2 Sept. maan eclips, en de nieuwe maan daar aan volgende den 17 Sept. weder zon eclips. Of deze zoo aan een volgende verduisteringen ook invloed hebben op dit regenachtig en zoo zonderling jaar, is voor mij duister.

Tegen den avond ben ik met aangetrokken laarzen naar het gebuurte geweest, mijne kinderen de kraamvrouwen, bevonden zich met de jonggeborenen naar tijds omstandigheden wel. – Mijn zoon en behuwd zoon waren thans en sedert eenige dagen bezig met de acten van deelnemingen van vee hooi en granen te schrijven en in het registratie register te boeken, bedragende deze deelnemingen een kleine duizend in het getal.

Den 1 September, heden morgen treurig, gister meest zonneschijn, dog sedert de vorige tot nu afwisselende regen, en meest zeer sterk; zoo dat het steeds nat en hoog water blijft. – Ten gevolge daarvan staan alle lage landen onder water en tevens bij duizenden weiden hooi zeer onlangs in de droogte gemaaid, drijven in het water; in de lage kwartieren zegt men: dat er boeren zijn

 

Blz. 54

welke nog geen hooi in de schuren hebben, althans zeer weinig, waar van de eene meer de andere minder en sommige geheel niets; de schoone hoop om meer dan genoeg te winnen is geheel verdweenen, althans met den voortgaanden tijd en aannaderende herfst zeer flaauw; het hooi dat uit het water en zooveel mogelijk het welk echter eene kleinigheid is, op droog land gewerkt wordt, heeft de waarde geheel verloren; gister hebben wij eenig hooi dat voor 14 dagen gemaaid is in de zonneschijn bijeen tamelijke droogte geopperd, en zouden heden alles in oppers tezamen brengen van de 5 pondemate maar het tegenwoordige treurige weder laat zulks volstrekt niet toe – thans wordt de 8 pondemate gemaaid, en indien wij het een en ander nog mogten goed winnen, dan zouden wij tamelijk van hooi zijn voorzien; want wij achten, dat er tusschen de 30 en 40 weiden op de beide stukken liggen zal.

In de laatste dagen der voorgaande maand, hebben wij ons onledig gehouden, met het ontvangen van ’s Rijks belastingen, en wordt heden door mijn zoon verantwoord.

Gister hebben wij in kwaliteit als Kerkvoogden aan Andries Sijbrens Andringa, welke een huizinge benevens een stukje land daar aan belend en bezwaard met een watermolen, om tevens de Pastorie Kamp

 

Blz. 55

te bemalen, staande en gelegen ten zuid oosten van de Kerk en voormaals aan dezelve behoord hebbende, zijnde weleer bij de Roomsche tijden de vicarie toebehorende geweest, bij genoemde S. Andringa publiek van de Kerk aangekogt, toegestaan een pomp door de vaart te leggen in de Kerkeplaats om daar door bemaald te worden, en langs dezen weg gemelde te ontheffen van zijn watermolen – evenwel alles ten zijnen koste zoo wel wegens het leggen van den pomp, en wijder onderhoud van denzelven, blijvende zijn land des niet te min bezwaard met de waterlossing van de Pastorie Kamp.

Ook hebben wij in gemelde kwaliteit,met voorkennis van het provinciaal Kerkbestuur, het derde termijn wegens den omslag op de Florenen over den jare 1830, bij kennis gevingen aan de hervormde floreenpligtigen van Wirdum, verwittigd om deze belasting op den 9 Sept. eerstkomende te betalen.

In het laatst van Julij heeft men Karel de X Koning van Frankrijk ontroond, en een ander koning uitgeroepen het een en ander heeft veel gisting in Europa verwekt ook zijn er oproerigheden in ons rijk te Brussel in het laatst der voorgaande maand verwekt, ten gevolge daarvan worden alle verlofgangers opgeroepen om van stonden aan te marcheren, welke met boere wagens zullen weggebragt worden.

Eene requisitie van 60 paarden en 30 wagens, wordt

 

Blz. 56

heden Wirdum en Swichum aangekondigd, op nog nader te bepalen tijd, te moeten leveren met voerman en al. Om het krijgsvolk ten minsten op het Heerenveen zoo niet naar Zwol te transporteren.

Aan een opvolgende zien ik rede soldaten naar de stad optrekken; God behoede ons voor nader onrust en schenke onze ingezetenen den vrede!!!

Den Heer P. Beima voorzittend lid van de directie onzer brandsocieteit en tevens lid van de Gedeputeerde Staten van Vriesland, een zeer werkzaam, bedaard en verstandig man in alle zijne huislijke, dorps maatschappijs en staats betrekkingen, is tot droefheid van allen die in betrekking tot hem stonden en hem kenden na een langdurige sukkeling den 25 Augustus l.l. te Leeuwarden overleden in de ouderdom van 6 a 47 jaren, nalatende een weduwe met 8 kinderen, waar van de outste thans 20 jaar te Groningen studeert.

Eergister avond is een boere schuur enz. op het Oudland onder Stiens zoo men zegt afgebrand, het zelve zoude in onze brandassurantie zijn opgenomen, dog wij hebben nog geen bijzondere kennis daarvan; men zag van hier de vlam boven de stad steigeren en is door hooi broeijen ontstaan.

 

Blz. 57

Den 2 September, afwisselende regen en zagt weer.

Bij nader aankondiging van het Grietenij Bestuur van gister, moesten de geriquireerde Wagens en Paarden heden nacht te 2 uur in de Schrans zich laten vinden benevens de andere paarden en wagens van het middel en noorder trimdeel dezer Grietenij in requisitie gesteld ten getale van 150 wagens ieder met 2 paarden bespannen makende een getal van 300 paarden. – Aan welke requisitie zonder eenige bedenking is voldaan ieder boer leverde zijn contingint door het bestuur geregeld met alle bereidvaardigheid, en verkozen meestal zelf tot voerman van hunne eigene paarden en wagens het transport ter plaatze der bestemming te voeren, waar van de buren twee en twee volgens deeling van het bestuur geregeld, onderling nader zich verstonden, zoo dat mijn buurman en ik elk een paard, daartoe bestemden en ik tevens aanbood een mijner wagens, welke goed en sterk zijn, daartoe te doen dienen, maar hij verkoos een zijner eigen wagens, omdat hij daar mede beter bekend ware en zelf voerman wenschte te zijn, maar verzogte een mijner knegten met hem mede te trekken, het welk ik hem gaarn bewilligde, ik voer dit aan om aan te duiden, met welk een gezindheid zich een ieder der Ingezetenen in deze requisitie gevallen, zich beijverde om aan het oogmerk der regering te voldoen.

Het was een aangenaam stille nacht, met bijna volle maanschijn, ik verkoos dus op te blijven met een mijner dochters, terwijl mijne vrouw en overige huisgenooten zich ter rust begaven – om tijdig mijn knegt te wekken, en met een paard daartoe bestemd, op bepaalden tijd,

 

Blz. 58

zich bij mijn naasten buurman vinden te laten; het gehele Wirdumer en Swichumer contingent moeten hier voorbij passeren het welk zich opvolgende hier omstreeks half 2 bevond. – Deze lege 30 wagens verwekten langs de straatweg, door stevig te rijden en hoorbaar weder een zonderling rumoer, bij galmen zomtijds zoo sterk als of het donderde, het welk zich tot aan de stad, dog afnemende te hooren was, en waren te twee uur in de schrans en tevens het overige van het contingent van de gehele Grietenij. – Het Bestuur schikte alle deze wagens in twee rijen naast elkanderen met een tusschen ruimte om een man door te laten, zijnde van het tolhuis dijkje langs de gehele schrans tot voorbij Mevrouw Brandsma geschaard; toen alles gereed en de wagens met stroo voorzien waren, kwam het krijgsvolk in stilte aan marcheren, welk in de nieuwe kazern zonder te mogen uitgaan ingesloten geweest waren, en aan niemand vergund zich met dezelve in te laten, vooral de laatste nachten niet; waar door het gepeupel en vooral de gemeene vrouwlieden zich niet ontzien hadden een aantal glazen van de Kazern, dog zonder eenig nadeelig gevolg in te slaan; men had hierbij misschien ten oogmerk, om geen kwaden geest onder het volk te verspreiden en hetzelve voor dronkendrinken als anders tijdens den aftogt te behoeden.

In de beste orde wierden de wagens met volk en overigens met bagage bezet, en omstreeks half 5 tot opvolgende half 6 was de trein hier door gepasseerd, en verwekte in een zeker opzigt ontzettende gewaarwordingen dat n.l. alle deze toerusting een gevolg was

 

Blz. 59

van kwade beginselen en dien ten gevolge rustverstoring en oproerigheden waar van dikwijls de onschuld en de verwoesting der maatschappelijke orde, de slachtoffers zijn.

Het dagligt brak aan toen de eerste wagens aanvingen te passeren en de zon was rede opgegaan toen de laatste voorbij was, schoon de gehele nacht schoon en helder maanschijn, was op dit stond juist eenig daauw als uit den grond opgegaan, waardoor het zien belemmerd wierd. Ik begaf mij met eenigen der mijnen daarom aan de straatweg om beter te zien, dog op mijn hornleger was het gedruisch en rumoer der wagens geweldiger als aan de straat, waarom mij te rug begaf en met mijne vrouw welke ik tevens gewekt hadde, ons te zamen over het geluid verwonderden, vreemder hadden wij nimmer gehoord, en vertoonde aan ons gehoor en ten deele aan het gezigt een flaauw schijnsel van den afgrijzelijken oorlog, met dit onderscheid evenwel, dat het krijgsvolk in dezen optogt den geestdrift aan den dag legde welke het zingen en juichen deedde, en dat
gepaard bij het gedruisch der wagens en draven der paarden zal men eenigzins een denkbeeld konnen vormen, van het zonderling voor ons zoo vreemd schouwtoneel.

Omstreeks 12 a 1 uur kwamen de eersten weder terug na zich ongeveer anderhalf uur ter verversching en ook der paarden opgehouden te hebben, in de Schans was het volk overgenomen om die wederom op een gelijk tal wagens te plaatzen in het Herenveen op hunnen komst, wederom uit de daar aan grenzende Grietenijen gereguireerd, wagtende, mijn buurman tevens mijn

 

Blz. 60

knegt, waren onder de eerste terugkomenden op voorgemelde tijd te rug, terwijl de laatsten ongeveer 6 a 7 uur ’s avonds voorbij reden, waaronder, die nog naar Stiens Hijum of Finkum moesten, misschien boere knegts of dezulken die zich gaarn lang ophouden en zich onder het drinken van sterken drank in de herbergen verlustigen waar van in den bouwkant zeer velen zijn.

Den 4 September, het weder als voren met afwisselende regen. Alle verlofgangers, waaronder ook Curasiers, waren tegen gister opgeroepen en reisden uit alle oorden van ons gewest toen naar de stad, welke ingekwartiert zijnde, gedeeltelijk heden morgen te voet hier voorbij passeerden, waarschijnlijk naar het Herenveen en verder opwaarts.

Men wil dat de oproerigheden voor al te Brussel zeer ernstig zijn, dat ten dien gevolge, de poorten voor den Erfprins, welke met een aanzienlijk leger derwaarts marcheerde, zouden gesloten geweest zijn, en bij weigeren van dezelve te openen, met geweld in die stad zoude gerukt zijn – wat hier van zij zal de tijd wel haast leeren.

Dagelijks zijn wij met het liggend hooi bezig zonder tot nog toe eenigzins van belang te vorderen, heden zoude ons volk de 5 pondemate opperen, 8 pondemate is reeds ook gemaaid, hoe dat wij het een en ander winnen zullen, konnen wij niet vooruitzien.

 

Blz. 61

Den 6 September, heden en gister regen, meer dan gewoon. Aller bedroevenst ziet het er met den landbouw uit, de granen rotten op het veld, en het hooi in het water, overigens hoort men nog hier en elders van brand en dreigende brand, door hooi broeijen ontstaan; zoo is er in het laatst van Aug. een boere gelegenheid te Folsgare en den 1 dezer een te Stiens afgebrand, welke laatste in onze Societeit voor bijna van 9000 gulden verwaarborgd ware maar voor de halve noed, dus voor buiten aan komenden brand voor onweder en brandstigting n.l., weshalven deze menschen alleen het afgebrande hooi ter somma van 1080 Guld. wegens eigen noed zal vergoed worden, het overgeblevene echter hier van nog afgetrokken. – De directie heeft bevorens de gebruikers menigmaal aangemaand om ook voor eigen noed hunne panden te laten inschrijven, dog telkens afgewezen, voorgevende dat zij wel op eigen vuur en licht zouden passen, nu ziet men dog te laat met leedwezen het misverstand.

Behalven dat onze Buurmans hooi onlangs dreigde in vuur uit te barsten, dat gelukkig voorgekomen is, als ook anderen; zoo dreigde bij Sybe Leegsma op Tjaard op den 4 dezer een rook van 30 weiden, op het hornleger buiten deur staande uit te barsten, maar het welk nog even tijdig door een bollooper gewaar-

 

Blz. 62

schuwd, voorgekomen is. – Ons volk meende in den verleden nacht, brand waargenomen te hebben, naar den kant van Franeker.

De outste zoon van Dos v.d. Zwaag heeft onlangs voor het Friesch Kerkgenoodschap zijn examen afgelegd, en is toen onder de Friesche Candidaten opgenomen; ten gevolge daar van is hem te Foudgum en Raard in de Classe van Dokkum de predikantsplaats aangeboden, onder die bepaling echter dat hij zich alvorens moest verklaren, deze beroeping te zullen aannemen, eer dezelve op hem uitgebragt wierd, het welk hij dan ook gedaan heeft.  Men heeft toen dadelijk de uitschrijving tot eene beroeping gedaan, zoo als die gister in de Courant geadverteerd is.

Den 11 September, afwisselende regen, heden voor vier weeken zijn wij in de 5 begonnen te maaijen, waar van wij heden voor het eerst eenige weiden hooi thuis gehaald hebben, en zouden waarschijnlijk al het hooi daar van te huis gehaald hebben, indien een sterke regenbui verzeld van donder ons zulks niet hadde belet.

De 8 pondem. hebben wij ook in oppers gezweeld, maar konnen om de regen niet voortvaren, het slimste is, dat wij telkens het hooi moeten weeren, op den avond is het allerschoonst zonneschijn weder.

 

Blz. 63

Den 15 Sept. afwisselende regen, dog sedert den 12 tot heden nacht schoon droog weder, ten gevolge daar van hebben wij al ons nagemaaid hooi te huis gekregen en naar den tijd tamelijk goed gewonnen, vooral het eerste 16 weiden dat juist 4 weeken gelegen hadde, het laatste 18 a 19 weiden dat ongeveer 14 dagen onder weg was. – Het is ons dus gelukt, al hoe bekrompen het er uitzag ons voorraad van hooi met ruim 30 weiden vermeerderd te hebben.

Het Bestuur heeft het Zuider trimdeel op nieuw gerequireerd om 24 wagens ieder met twee paarden bespannen waar van Wirdum alleen 16 wagens met derzelver benoodigde paarden, op den 14 ’s morgens 4 uur in de Schrans soldaten naar het Heerenveen te transporteren; ten gevolge daar van hebben de naaste buren onder het behoor van Wirdum en Swichum 4 bij elkander geschikt – welke te zamen een wagen twee paarden en een voerman zoo dat 2 mijner buren ieder een paard, ik een wagen, en mijn ander buurman zijn knegt tot voerman volgens onderlinge schikking, aldus bespanden met de andere gerequireerden zich op gemelden tijd lieten vinden, zoo dat dit transport ieder wagen met 6 soldaten bevragt hier ’s morgens met gezang der soldaten voorbij reed.

De onlusten schijnen in Braband nog zeer ernstig te zijn, en dat zal nog grootendeels afhangen, welke besluiten de Staten Generaal buitengewoon geconvoceerd daar omtrent zullen nemen, vooral ten aanzien van de scheiding der Zuidelijke en Noordelijke provintien het welk door de Brabandeers gevorderd wordt en daarboven nog andere stoute eischen.

 

Blz. 64

De gecommitteerden onzer Societeit zijn gister vergaderd geweest eensdeels om de Acten van deelneming te teekenen anderdeels om de schade door den brand te Stiens veroorzaakt te vinden, welke naar aftrek van 8 Koeseeten dat overgebleven is, 792 gulden bedraagt, en is besloten deze schade uit de Kas te vergoeden, zonder een omslag over de deelnemers te repartitiëren.

In kwaliteit als ontvanger ben ik benevens de zetters bij het Grietenij Bestuur geconvoceert om eene opgave te doen van de aanslag van eenige Nos uit het Kohier van de gebouwde en ongebouwde eigendommen, om elf uur daar mede begonnen zijnde, waren de werkzaamheden om 12 uur afgeloopen, en keerde staande naar Wirdum te rug, om bovengemelde vergadering van Gecommitteerden bij te wonen.

Den 16 September, goed weder zonneschijn zuid oosten wind. Ons nieuw gewonnen hooi begint al zeer sterk te broeijen, dog om dat het niet te droog was, zal het misschien door de wateragtige deelen, zoo sterk uitwazemen.

Vrijdag den 17 Sept. afwisselende regen. Heden morgen 7 uur verloste mijne geliefde echtgenoot Dieuwke Klazes Nicolay in het 40ste jaar haars levens van een welgeschapen zoon genaamd Sijtze, waardoor wij tezamen 7 kinderen in echt verwekten, en met de vier voor kingeren ben ik in het 65ste jaar vader van 11 kinderen, en grootvader van 17 kindskinderen en als mijne voordochter op Hallumer mieden, welke aanstaande is te bevallen verlost, dan zijn er 18 waar van dan de 4 jongste in den loop van dit jaar geboren zijn.

 

Blz. 65

Den 18 September, afwisselende regen, dog goed weder, gister donder, het water blijft nog zeer hoog, even tijdig hebben wij ons hooi uit de 5 tehuis gekregen wijl de Werpster dijk onmogelijk thans om te hooijen is te gebruiken.

Ieder Grietenij moet vier trekpaarden leveren waar van door dit bestuur gister aan Joost Greben particulier boer en op een na mijn naaste buurman commissie gegeven is, dezelve voor deze Grietenij aan te koopen.

De brand pag. 62 is te Makkum geweest en heeft een Panbakkerij met een verbazend kwantiteit turf in kolen gelegd.

Den 20 Sept. gister schoon weder, heden nacht een stijve droge zuiden wind, waar door sommigen vroegtijdig het nagemaaide hooi al begonnen te zweelen, dog om 8 uur ’s morgens is al weder de droogte met een sterke regen vervangen.

Thans Bergumer Kermis, welke volgens gewoonte door den regen, niet druk zal bezogt worden. Het is anders zoo als wij bevorens breedvoerig melden een nationale Kermis.

Den 23 Sept. betrokken lucht, sterke zuiden w. staat tot regen. – Den 21 l.l. zijn de paarden in requisitie gesteld over dit gewest, te Leeuwarden geleverd; maar wierden deels afgekeurd, zoo wel wegens de duurte, als ook dat ze de vereischte hoedanigheden als de hoogte enz. misten.

 

Blz. 66

De belanghebbenden of eigenaren dier paarden, hebben door het aflaten der prijzen echter de meesten hunne paarden aan de keurmeesters van lands wege gesteld afgestaan en daar door het contingent voltallig geleverd. – Deze paarden moesten behalven gemeld vereischten jong zijn, en wierden dezer wijs meest van honderd en dertig tot honderd veertig, vijftig, zestig en zeventig gulden aangeschaft; de schrijver hadde er ook een paard, maar wilde het zelve onder de twee honderd gulden niet afstaan.

Gister hebben den Heer Wageningen en Siersma benevens den schrijver en zijn zoon, gedurende den dag in de herberg te Wirdum bezig geweest met het teekenen der polissen wegens deelneming der Brandassurantie societeit van vee hooi en granen, den Heer Wageningen als voorzitter in plaats van den Heer Beijma overleden.

Behalven het agter uitgaan van den landbouw komt daar boven nog bij, dat de schapen over het algemeen gallig zijn, vele boeren welke alle hunne schapen rede voor 1 a 2 gulden verkogt hebben, waar van dagelijks sterven, ook die ze aan gemene menschen weggeven; die 4 a 5 Gulden koopen, rekenen nog een goeden prijs te koopen; echter zijn hier van ook eenige uitzonderingen, mijn zwager te Hallum heeft de zijne verkogt voor 10 guld. ieder, wij hebben 11 weidschapen, twee melke en zeven lammen en alle deze schijnen nog gezond te zijn.

 

Blz. 67

Den 25 Sept. volkomen onstuimig herfstweder, verzeld van veel regen en wind; door de afwisselende droge stonden, wordt er nog al wat in het liggend hooi gedaan, met zwelen en te huis halen, zoo hebben een en ander mijner buren, gister nog al wat geopperd waar van de eene 3 en de andere 8 pondemate hadde liggen, en een derde mijner buren heeft voor 2 a 3 dagen 8 pondem. in huis gekregen. Een ander in de dijkhuizen onder Goutum, hadde een stuk blaauwgras in de lage kwartieren gehuurd waar van een gedeelte hooi met verbazend veel moeite bij een gezameld en te hoop gebragt hadde haalde hij gister met pramen en de schrans en wijders met hooiwagens te huis. Hij zeide mij dat hij nog 14 wagens behouden rekende, en deze hem ongeveer 100 gulden zouden komen te kosten. Dit hooi zag er zwart agtig uit, en hadde over het geheel nog al een goede geur, evenwel gemengd met schimmel. – Een ander naast het tolhuis hadde 9 pondematen liggen, waar van gister de grootste helft was gezweeld, en verkogte daar van de weide voor 11 gulden; maar dit was uitmuntend hoog lands hooi, het welk nog weinig of niet geleden hadde.

Die laatste leverde uit zijn schuurke oud of eerstgewonnen hooi, een paar wieden ieder 20 Gulden, maar dit is geen algemene regel.

 

Blz. 68

Den 6 October. Sedert de vorige afwisselende regen, dog tusschen droog en somtijds zeer schoon weder, zoo dat het thans meer droog dan nat is, evenwel is het gister en heden buijig verzeld van koude en hevige noordweste winden.

Volgens de berigten zijn de zuidelijke provintien merendeels in beweging, tegen het gouvernement gewapend opgestaan, verzeld van vegten, moorden en plunderen, dezer wijze, dat de armee van den staat, niet toereikende is om de muitelingen te bedwingen, maar de hulp of bemiddeling van vreemde mogendheden bereids ingeroepen is. – De Noordelijke provincien leveren met de grootste bereidwilligheid hunne contingenten van lotelingen, ook die in reserve gelaten, zijn gister opgetrokken, om naar Groningen te trekken en gewapend te worden; het ontbreekt ook niet aan vrijwilligers, zelf heeft zich een corps van 200 Studenten te Leiden en Utrecht op eigen kosten gewapend om tegen de vijanden des vaderlands uit te trekken.

Den 1 Oct. l.l. heb ik mijne kinderen te Achlum bezogt en kwam na aldaar tot den 5 bij hen doorgebragt te hebben, in welvaren weder bij den mijnen. Het was daar zoo ook hier rustig, evenwel vreest men van het gemene volk onrust, daar

 

Blz. 69

het jaargetijde zoo weinig voor den gemenen arbeider aanbood om te verdienen, niet alleen maar ook de levensmiddelen en daar onder de noodwenstige behoefte schaars en duur is; de aardappels gelden 1¼ gulden meer en min; de kaas van de 23 tot de 26 de Boter 35 Gulden en zoo alles na rato.

Den 12 October. Sedert de vorige aangenaam en droog weder. De toestand van het vaderland wordt van tijd tot tijd erger. De zuidelijke provincien hebben zich geheel afgescheurd, en vormen op zich zelven een afzonderlijke staat, wat de gevolgen daarvan wezen zullen moet de tijd leeren; de koning heeft den 5 l.l. eene proclamatie uitgevaardigd waar bij het vaderland in gevaar verklaard en elke nederlander te wapen geroepen wordt om het zelve te verdedigen, de schutterijen zijn mobil verklaard, waar van behalven vele vrijwilligers, de ongetrouwden heden uittrekken.

Deze proclamatie is over al verleden zondag met veel aandoening van de predikanten afgelezen en met indruk aangehoord, zoo als ik mij den 10 te Hallum bij mijne kinderen bevond, aldaar tevens in de Kerk dien ouden leeraar na het aflezen van gemelde proclamatie een nadrukkelijke rede tot aanmoediging van bidden en zich te wapenen hoorde bijvoegen. Ik heb aldaar twee nachten vertoeft.

 

Blz. 70
Den 19 Oct. Sedert de vorige droog en schoon weder, gedurende den gehele Zomer hebben wij zulk bestendig en aangenaam weder niet gehad – ten gevolge daar van wordt er nog zeer veel hooi gewonnen, de granen welke meestal zeer ligt zijn, behalven de boonen, die goed voortgekomen zijn, worden droog binnen gevoerd, de aardappels worden mede bij droog weder gedold, en zijn dezer wijze indien het thans droge weder zulks niet verhoed hadde, in plaats van rotten, droog en zuiver uit den grond gedolven.

Over het geheel of door elkanderen, levert het land de helft in kwantiteit minder aardappels dan wel bij vruchtbare jaren, zij zijn daarom zeer duur 42 fandels of tonnen ieder 11/10 gulden hebben wij van Beetgum thans in huis, twee vuren turf kosten mij 68 gulden, en alles zoo na rato.

De tijds omstandigheden zijn van dien aard dat men daar omtrent niet zekers weet. – Tot de wapening en teekeningen van ondersteuning der huisgezinnen wier mannen uittrekken zijn publicaties uitgegeven, afgelezen en aangeplakt, zoo veel hier tot eenige functien in de administratie aanwezig zijn, hebben zich tot rustbewaring en oefening in de wapenen aangeboden, namentlijk de schrijver, zijn zoon W. D. Hellema, zijn behuwdzoon P. Hiemstra benevens A. Andringa en B. Vogel,

 

Blz. 71

wijders heeft de schrijver als ontvanger de gemeente bij aanplakking laten bekend maken dat de belasting schuldigen namens Z.M. verzogt worden, om hun nog verschuldigde in de grondlasten, het personeel en het patentregt over den loop van dit jaar, in eens aan te zuiveren.

De schutterijen welke moesten uittrekken hebben contra bevel bekomen om voor als nog terug te blijven.

Gister zijn wij ter begrafenis te Roordahuizum, geweest, de jongste voordogter van mijne eerste vrouw is overleden, zij laat behalven haar man Jouke Schaap vier kinderen na, de jongste ¾ jaar, mijn zoon de Dosvan Achlum was er ook, welke wij thans hier verwachten, om heden weder naar huis te trekken.

Den 23 Oct. Sedert de voorige buitengewoon schoon en droog, ja zelf warm en zomer weder, waar door alle dijken en wegen niet alleen bruikbaar maar zelf effen en droog met rijtuigen gepassseert wierden; dog heden nacht heeft het geregent en thans is het damp en mistig weder.

Ten gevolge van het schoone weder, waren er gister marktdag te Leeuwarden verbaasde veel rijtuigen om plaisier, de stad was even als op

 

Blz. 72

eenen welgelegen zomerschen tijd, opgepropt met volk waar door het buitengewoon woelig op straten en pleinen was, het had een aanzien even als bij eenen buitengewoonen welvaart, onder het genot van eenen algemeenen vrede, diepe rust en onderlinge eensgezindheid; zoo geleek het op het uiterlijk aanschouwen: maar bij eene ernstige oplettenheid, was de druk op veeler aangezigten te lezen, niet alleen ten aanzien van ieders bijzondere betrekkingen, maar ook ten aanzien van de bedenkelijken toestand onzes vaderlands vrede en rust. – Bij de menigvuldige ontmoetingen was het eerst, vooral daar men mede in kennis ware, hoe dat de zaken stonden? dat men elkanderen onderhield. Niemand weet deze vraag op te lossen, die nog al wat meer, dan doorgaans anderen weten, zeggen altoos, wij weten het niet, over alles hangt een donkere sluijer, de erfprins is te Antwerpen en schijnt zich tot een hooft van alle Belgische belangen aldaar te vestigen, omringd van het leger van staat, als gelastigde van den Koning, de koning daar en tegen bemoeit zich uitsluitend met de Hollandsche zaken, zoo wel ten aanzien van de inwendige rust, als tot versterking en dekking van de noordelijke provincien, zoo dat alles een strijdig en twijfelachtig aanzien heeft; dog zoo veel schijnt zeker te zijn, dat de zuidelijke provincien afgescheiden van Holland, zich tot een onafhangelijken staat organiseeren, de tijd zal

 

Blz. 73

leeren wat er van Holland van Belgien met een woord van het Rijk der Nederlanden zal worden? In tusschen schijnt het naar aanleiding der nieuws papieren dat er eerlang een congres van vreemde mogendheden in ’s Hage zal gehouden worden, om de belangen zoo wel algemene als byzondere te regelen.

De boter houd prijs, dog de kaas is een weinig slapper, over het algemeen zijn de levensmiddelen duur en worden van tijd duurder.

Den 3 November. Het weder is sedert een paar dagen aangenaam en bestendig, dog in het laatst der voorgaande week zeer onstuimig verzeld van hevig onweer. De rundbeesten zijn in een goeden prijs; de magere varkens worden van week tot week duurder ik heb opvolgende vijf verkogt voor ruim 15 gulden ’t stuk. 7 weidschapen voor 14 gulden ieder en 4 voor 7 gulden ’t stuk; de aardappels houden prijs en alles na rato.

De tijds omstandigheden verwekken veel ongerustheid; de Hollandsche grens-vestingen worden opvolgende van de Belgiers en de muitende inwooners bedreigd; Antwerpen is reeds ingenomen, dog word van de onzen welke zich aldaar in de Citadel geworpen hebben, zeer benaauwd. De stad stond op den 29 op 8 plaatzen in den brand, door het vuur der Citadel, en de flotille aldaar geposteerd, verwekt.

Blz. 74

Gister den 2 Nov. zijn vele schutters uit andere plaatzen van ons gewest te Leeuwarden geplaatst het getal wordt op duizend begroot, en worden bij de burgers ingekwartierd; de gewapende magt aldaar zoo wel schutters als soldaten en daar onder opvolgende een menigte vrijwilligers uit alle standen zijn rede naar de grenzen van Holland enz. vertrokken; dagelijks bieden zich nog vrijwilligers aan, de inwooners zorgen bij inteekening voor de behoeften der zoodanige huisgezinnen uit den gemenen stand; de schrijver heeft behalven de meeste Ingezetenen alhier weeks voor 75 Cents ingeschreven.

Namens den Gouverneur heeft het bestuur eene commissie alhier benoemd: bestaande uit A. Palsma, Assessor, D. W. Hellema, Ontvanger, A. Hooghiemstra, lid van den Raad, A. Everda, Pier Stornebrink, landbouwers, R. Sijbrandij rentenier en Pier Gosliga landbouwer te Swichum, welke belast zijn met het regelen van een nachtwacht, van den 15 Nov. te beginnen tot den 15 maart eerstkomende en zullen ons tot dat einde heden ’s nademiddags 2 uur in de herberg laten vinden, om met deze werkzaamheden aan te vangen.

Wij hoopen dat het weder nog eenigen tijd droog en aangenaam zal blijven, om het vee uit te houden den 30 l.l. hebben wij de hoklingen van de pollen gehaald, welke ten oorzaak van het onweder gedeeltelijk overstroomd waren.

 

Blz. 75

Den 4 November, stijve zuiden wind, waarschijnlijk dreigt het tot regen.

Tot laat in den avond, hebben wij gister Wirdum en Swichum in negen wachten verdeeld: als Barrahuis de Him en daar onder Jousma buren n.l. de huizen aan de Swichumer Dijk, Wirdumer gebuurte, Tjaard, Noodeind en daar onder de Weiwiske, Braerder buren, met een gedeelte van Wytgaard daar onder, Wytgaarder buren en Marwird te zamen agt buren en eindelijk Swichum makende geheel eene wacht; van alle deze wachten ieder afzonderlijk lijsten geformeert zijnde, hebben een concept wet van de regeling der nachtwacht, de rondes huisvesting en wijders wat tot handhaving der goede orde en rust der Ingezetenen kan dienstig zijn, ontworpen, en het Ed. Agtb. bestuur dezer Grietenij ter bekragtiging aangeboden waar bij 80 pieken gevraagd worden, om de wachten eenigzins te wapenen. – Dezer wijs zullen alhier ’s nachts 18 manschappen telkens op de wacht zijn.

Den 6 Nov. heden nacht sterke regen, thans goed weer, verzeld van sterke Z. herfst wind.

Gister marktdag was het zeer levendig in de stad wegens de menigte der schutters en vrijwilligers, waar van de meeste gemonteerd, en bij de burgers ingekwartierd, uit alle oorden steden en plaatzen van ons gewest aldaar verzameld, om maandag van Harlingen met veerschepen, naar Amsterdam en wijders naar ’s Hertogenbosch getransporteerd te worden. – Ik zag met verwon-

 

Blz. 76

dering hoe Friesland nog zoo veel gewapend volk konde opleveren, daar alle de militie rede vertrokken waren. – Maandag moeten de rustende schutters alhier en van het zuider trimdeel op het tolhuis bij Leeuwarden zich laten vinden en die van het Noorder trimdeel heden te Stiens, door den grietman van Leeuwarderadeel, welke tot Capitein benoemd is, geinspecteerd en mogelijk georganiseerd te worden.

Den 7 Nov. afwisselende regen, anders niet koud.

Gister was ons Dos naar Grouw om te prediken ik reisde daarom naar Leeuwarden om aldaar ter Kerk te gaan, en resideerde tusschen Kerktijd bij neef aldaar; en woonde om 12 uur de parade der schutters bij, welke toen hun afscheid ontvingen van den Commandant Jr. Sijtzama het getal schutters, welke bestemd zijn om naar ’s Hertogenbosch te trekken, bedroeg zes honderd, een aantal bleven nog in de stad, om op nader order te vertrekken, welke waarschijnlijk door de schutters uit het platte land zullen vervangen worden.

Den 29 l.l. is mijne dochter op Hallumermer mieden bevallen van een zoon, zoo dat behalven de geboorte van een eigen kind nog vier kinds kinderen in den loop van dit jaar geboren zijn. Dus heb ik behalven elf kinderen nog agtien kinds kinderen.

 

Blz. 77

Den 8 Nov. afwisselende mooi zacht weder met regen. Heden 8 uur ’s morgens zijn de mobiele Schutters in 25 Trekschepen alle met vlaggen versierd onder geleide van het Corps Musikanten van Leeuwarden naar Harlingen vertrokken. de schepen waren van hier duidelijk gevlagd zichtbaar en het musiek afwisselende met het slaan der trommen hoorbaar. Alle deze bijzonderheden verwekten een zonderlinge aandoening. In den achtermiddag zijn de schutters alhier, bij het tolhuis door den Grietman geïnspecteerd en moeten woensdag den 10 te Leeuwarden compareren alle die gene, welke om huiselijke betrekkingen niet afwezig konnen zijn, is het geoorloft een remplaicent te schikken, dog bij gebreke daar van moeten zij zelf dienen; eenige te Wirdum zullen zooveel mogelijk daar van gebruik maken.

Den 9 Nov. het weder als voren, volgens de Courant is het corps schutters van Leeuwarden te half twee uur te Harlingen aangekomen, en waren te 3 uur aldaar in de veerschepen ingescheept. God geleide hen tot hunne verdere bestemming, en geve voor ons vaderland een heerlijke uitkomst!

Ons Chirurgijn is heden morgen naar Leeuwarden vertrokken, om de Schutters dezer Grietenij of deszelver remplaicents te keuren, men zegt dat er over de vierde half duizend schutters van het platte land eerlang te Leeuwarden worden verwacht, althans in dienst gesteld zijn.

 

Blz. 78

Den 13 Nov. goed weder Z.W. De beesten loopen nog in het land, opvolgende worden hier en daar gestald. Wij hebben nog geen beest op stal.

Er is over het algemeen geen gepraat, als van de tijds omstandigheden, schutters dienst, uittrekken, remplaiceren en vrijwillig aangeven; met een woord om het vaderland te redden daar voor te strijden, als een zaak welke weinig bekommering baart, niet alleen, maar de onderlinge aanmoediging en opwekking is verwonderlijk.

De Couranten leveren niet veel bijzonders de Prins van Oranje is te Londen, en men schrijft dat dezelve in conferentie aldaar met de gezanten der betrekkelijke groote mogendheden, waar bij zal resideren een gelastigde van het provisioneel bestuur der Belgiërs, zal treden, over de aangelegenheden van ons vaderland.

Een stilstand van wapenen met de Brabanders is tot 3 maanden verlengd. – De grensvestingen van ons voormalig gebied, worden in een geduchten staat van tegenweer gesteld; de grenzen zijn met alle de krijgsbenden der noordnederlanders gedekt, en vermeerderen dagelijks; men wil zich zonder de hulp van vreemden, met eigen volk staande houden, en zooveel mogelijk door eendragt redden.

 

Blz. 79

Mijne kinderen op Hallumer mieden en de verdere vrienden aldaar heb ik een paar nachten bezogt. Zij bevonden zich naar tijdsomstandigheden welvarende zoo wel met de jonggeborene als de kraamvrouw.

Den 18 Nov. sedert de vorige goed weder, over het algemeen hebben wij een uitmuntende herfst, waar door de bouwman met ploegen en zaaijen zijn wintergraan tot genoegen heeft bewerkt; en de koemelker, heeft boven verwachting lang geweid. Heden zijn wij voornemens 7 van ons zwaarste koeijen eerst op stal te zetten – zoo dat over het geheel veel hooi uitgewonnen is.

Den 22 Nov het weder als voren; wij hebben nog maar 12 koeijen op stal hebben 11 melke 5 hoklingen 7 kalvers en 2 paarden loopen nog uit.

Heden morgen zijn een kommande Soldaten van de stad hier voorbij marcheerd; men zegt dat zij de zware gevangenen in Vilvoorden gekerkerd van daar naar Leeuwarden met een veerschip getransporteerd hebben, alwaar zij in het tugt huis weder ingekerkerd zijn.

Terwijl Vilvoorden in handen der Brabanders is, zegt men dat zij de Hollandsche misdadigers ook niet langer op hun grondgebied wilden dulden, en daarom naar hier zijn vervoerd.

 

Blz. 80

Den 27 Nov. sterke oostenwind verzeld van koude en dreigt te vriezen. Den 24 l.l. hebben wij de overige melkekoeijen en heden de kalvers op stal gezet, 5 jongbeesten loopen nog uit.

Hedennacht zijn ongeveer 200 studenten van Groningen te Leeuwarden ingekwartiert geweest, en heden met tien trekschepen naar Harlingen vertrokken, om wijders naar de grenzen getransporteerd te worden.

De schutters van het land, waar van de getrouwden tot nog vrijgesteld zijn, zullen zoo spoedig mogelijk opgeroepen worden, om voor eerst te Leeuwarden georganiseerd en tot den dienst voor bereid te worden. – Men zegt, dat de in dienst te rug geblevene schutters te Leeuwarden, tot nog toe in guarnisoen, maandag eerstkomende zullen vertrekken, alwaar deze manschappen uit andere steden van ons gewest te rug gebleven, eerder zoo spoedig als mogelijk zouden wenschen te vertrekken dan langer in guarnisoen te Leeuwarden te blijven, het getal dezer schutters wordt op ongeveer vier honderd begroot.

Het nacht wachthouden alhier, is tot nog toe uitgesteld gebleven, waarschijnlijk om dat het bestuur de gevraagde pieken nog niet heeft opgezonden.

Het Congres der vreemde mogendheden in ’s Gravenhage te houden, waar van wij bevoorens melden, heeft tot hier toe geen voortgang, maar wel dat er een zoodanig Congres te Londen bestaat.

 

Blz. 81

Den 6 December, het weder is steeds droog. N.en O. wind, de jong beesten blijven nog uit, ik had eenige lammeren, maar zijn van tijd tot tijd aan de galle, zoo als men dat noemt, gestorven, waar van nog een overig is, maar kwijnt ook aan dezelfde ziekte, de beide melkschapen zijn nog fris, althans vertoonen geen teeken van die ongesteldheid; merendeels in Friesland, de Wouden en nog eenige andere oorden uitgezonderd, is de massa van schapen door de galle verteerd, een menigte boeren hebben alle hunne schapen verlooren, of voor een kleinigheid verkogt; dezer wijze levert de boere stand, behalven de algemene tegenheden, ook nog dezen ramp. – Hier en daar sterft het rundvee ook aan deze een menigte varkens welke geslacht worden zijn min en meer aan deze kwaal onderhevig geweest.

De nachtwacht is onder het behoor van Wirdum reeds aangevangen. – De burgers waaronder de aanzienlijkste lieden, zelf van Adel, houden zelf in perzoon, dag en nacht wacht te Leeuwarden; het is een zonderling schouwspel in de stad, het onderscheid van stand, heeft in dat opzigt aldaar geheel opgehouden.

 

Blz. 82

Den 13 December. N.W. wind en was in den verleden zeer onstuimig en thans hevig, echter met afwisselende zonnenschijn, ten gevolge hebben wij onze 5 jongbeesten op stal gezet, zij hebben zich zeer goed onthouden; trouwens de landen zijn over het algemeen zeer groen, en men zoude haast geloven: dat gedurende het voorgaande drooge weder, het gras zich eenigzins ontwikkelde althans groende.

De geldleening of zoogenaamde Oorlogskosten, welks bedrag, de helft der grondlasten het geheele personeel en het patentregt alhier S.C. 75000 Guld. volgens het Kohier, executoir, alhier moet geheven worden; de aanslag beneden zes Guld. is vrij gesteld en beneden de dertig gulden kan bij wege van afkoop met een vijfde gedeelte voldoen – deze belasting of heffing moet in 3 termijnen betaald worden, waar van het eerste voor of op den 15 dezer dog welke in eens betaald, geniet het voorregt van korting van 2 tin honderd der bet. de laatste termijnen, ten 2de ultimo december en het laatste januarij eerstkomende; het voorregt van korting of afkoop is tot den 15 geprolongeerd, dewijl de Kohieren vooral van het arrondissement Leeuwarden voor eenige

 

Blz. 83

dagen eerst invorderbaar verklaard, wegens de abuizen door sommige in het opmaken der Kohieren begaan, den 11 l.l. hebben wij het Kohier ontvangen, en van stonden aan ons belast met het invullen der Recipissen en Kennisgevingen en welke laatste, gister en vooral heden omgebragt worden, zoo wel onder het behoor van deze gemeente of die elders behooren, ten einde een ieder in de gelegenheid gesteld worde om voor of op den 15 gebruik te konnen, van het voorregt bij de wet toegekend.

Het een en ander heeft verbazend veel drukte bij ons verwekt, en zal ons bij het ontvangen der gelden op morgen en overmorgen, aan de meeste ingespannenheid, en toeverzigt doen bloot staan; indien mijn zoon niet met de noodige kennis, en de meeste bedachtzaamheid begaaft ware, zoude ik zeer tegen de moeijelijkheid van dit werk opzien; eenmaal echter, dat is bij den aanvang der Kon. regering in 1815, hebben wij mede de Oorlogskosten, zijnde toen het gehele bedrag der verponding ontvangen, maar de wijze hoe, is mij vergeten, evenwel staat mij voor dat wij ongeveer in 14 dagen, S.C. tusschen de 20 en 30 duizend gulden, alleen uit deze gemeente ontvingen.

 

Blz. 84

De wilsters zijn alhier gedurende maar bij enkele zwermen, het heeft mij maar eenmaal gelukt op den 7 dezer 12 en 18 telkens in een slag te slaan.

Den 16 Dec. den 13 harden wind, dog tot heden sedert schoon weder met vorst, zoo dat de land schepen liggen, doch de trekschepen varen.

Den 14 en 15 zijn wij onledig geweest de oorlogs kosten te ontvangen, en heeft ons verbazend veel drukte veroorzaakt gedurende de beide dagen, hebben wij zonder tusschen pozen, als alleen ‘s middags een weinig te eeten van den vroegen morgen tot laat in den nacht gewerkt. Het Kohier van deze geldleening bedraagt 14852 guld. en 35 Cts en hebben daarvan in deze 2 dagen 13300 gulden ontvangen en heden verantwoord.

Het is verwonderlijk dat bij dezen tijd zoo agter uitgaande bij den landbouw, en de drukkende belasting met alle gewilligheid zoo veel geld bijgedragen is, niet tegenstaande alle ingezetenen rijken en middenstand van geld ontbloot, een ieder der belasting schuldigen, over het geheel bij elkanderen gezammeld, om aan derzelver verplichting te voldoen, de maatregelen van het gouvernement wegens de afkoop en de korting

 

Blz. 85

van 2 pr. Cent, n.l. van de beide laatste Termijnen tevens met den eersten en dus in eens te voldoen heeft veel bijgedragen tot de spoedige betalinge; die beneden de 6 Guld. zijn vrij, beneden de 30 konden door afkoop betalen n.l. met het vijfde gedeelte te voldoen, waar van de meesten hebben gebruik gemaakt; de afkoop en de korting is tot den 20 geprolongeerd.

Den 20 Dec. alleronstuimigst N.W. wind dooi weer, het ijs heeft de sterkte gehad dat de jongens met schaatzen daar op reden.

De schutters van den 1sten ban, moeten morgen trekken naar Leeuwarden, men heeft de Kasern en de kleedwaren tot de monteering dienende aldaar in gereedheid gebragt.

Den 27 December, zagt winter weer met vorst en sneeuw, het ijs kan met schaatzen gebruikt worden, evenwel zit men niet veel schaatsrijders, omdat het ijs nog gene volkomen sterkte heeft.

De schutters van den 1sten ban, zijn op voorgemelden tijd, te Leeuwarden in de nieuwe casern geplaatst, schoon er maar zes grietenijen opgeroepen, zijn er rede 6 a 700, ieder grietenij heeft hare eigene officieren, waar van velen nog de vereischte kennis, tot der militairen dienst nog niet bezitten, en uit eigen volk gekozen zijn, heeft men aldaar, de noodige discipline, onder dit volk tot

 

Blz. 86

nog toe niet konnen invoeren, schoon het sterkste en bloeijenste volk der natie waar van de meesten uit den boeren stand, en aan weinige ondergeschiktheid gewoon, zoude men evenwel die genen van hen, welke bereids onder den dienst geweest waren en hunnen tijd uitgediend hadden, heden een begin maken dezulken te monteeren en te wapenen, en met de noodige exercitien aanvangen en zoo opvolgende voortwerken tot datze allen gekleed en gewapend waren; en wanneer deze volkomen uitgerust zouden zijn, moesten er weder eenige grietenijen hun contingent leveren, telkens na genoeg een Battillon, zijn er alzoo over geheel Friesland ruim 4 Battillons, welke in gereedheid zijn, om bij de eerste oproeping gewapend te worden. – Behalven het eerste gemelde Battillon zijn te Leeuwarden nog ruim 200 vrijwilligers in werkelijken dienst en volkomen gemonteerd, waar door de casern thans bijna 1000 man bevat, en geschikt gemaakt wordt om nog over de 1000 man te ontvangen er stond eergister in de Courant dat dezelve voor 2200 man wel dra in gereedheid zoude zijn.

Ik sprak gister alhier een Wirdumer schutter welke benevens alle de Wirdumers, een uitstap her-

 

Blz. 87

waards deden, om voor eenige uuren hunne vrienden en bekenden te bezoeken, welke mij met het voorengemelde onderhield, zij waren in hunne eigene klederen, en over het geheel zeide hij, waren zij wel te vreden en gemoed, het eenigste dat hen het meeste hinderde, waren de koude voeten, wijl zij geen vuur zagen en altoos in der boeren stand aan houten klompen gewoon zijnde, eenigen onder anderen van de ligtzinnigsten veroorzaakten somtijds ongeregeldheden, dog men hoopte dat zij weldra, bij de volkomene wapening, tot beter order zouden gebragt worden; te half negen moesten zij weder in de casern zijn, en zouden bij hem te half 7 zamen komen om met elkanderen naar de stad reizen, hij was bij zijn Neef Lammert Sikkema op de werp, onder het behoor van Wirdum zijn ongeveer 30 en uit geheel Leeuwarderadeel nagenoeg 130 zoodanige schutters. Het een en ander geeft voor der boeren stand nog al eenige ongelegenheden maar het is op het ledigsten van den tijd, en men bediend zich van arbeiders, welke zich in plaats bij den boer besteden. Dezer wijs verdwijnt de bange vrees, welke men bij den herfst voedde hoe dat de arbeiders stand in den winter voor nijpend gebrek, zoude behoed blijven. – Wat is de mensch

 

Blz. 88

kortzigtig, hoe weinig ziet men in de toekomst, geen sterfling had dezen ver uitziende tijd voorzien, voor weinige weeken was alles in diepen rust, en geheel Europa in vrede, en thans ook in naburige rijken alles in rep en roer – wat zal nog de toekomst baren? dit vraagt men elkander, dit schrijven alle nieuwspapieren, en de verlichste staatkundigen betuigen, deze vraag niet te kunnen beantwoorden.

Den 31 Dec. Sedert de vorige hebben wij ons onledig gehouden met ’s Rijks belastingen te ontvangen, zoo ook ten aanzien van het tweede termijn der geldleening; waar van de ingekomene gelden tezamen ongeveer 2700 Gulden, te voet naar Leeuwarden gebragt zijn om te verantwoorden. Mijne knegten waren met de sleed van de straatweg langs de Werpster vaart, op schaatzen te Wirdum en met het voors. geld van daar weder tot aan de straatweg gekomen, maar omdat het ijs zoo zwak ware, en dooiweer, heeft men besloten om het geld te voet naar Leeuwarden te bezorgen en dus aldaar verantwoord. Niet tegenstaande den geldelozen tijd heeft het mij verwonderd, dat de ingezetenen de belastingen zoo nabij hebben aangezuiverd ook ten aanzien der geldlening, schoon er onder de Roomschen zijn die wegens de geldlening

 

Blz. 89

geen Cent nog betaald hebben en onder dezen den Heer Middachten, welke in het geheel bijna 700 Gulden moet voldoen; tot mijn leedwezen zal ik mijn toevlugt tot dwangmiddelen moeten nemen om dezulken tot betaling te noodzaken.

Den avond godsdienst volgens gebruik, besloot alhier den jaargang van 1830.

Gedurende 3 aan een volgende jaren, is het een verbazende natten tijd geweest, waar van dit laatste jaar zich bijzonder kenmerkt; evenwel is de herfst daar van en den winter tijd buitengewoon tot op heden fraai geweest. Des niettegenstaande worden de gevolgen vooral in den boeren stand dagelijks gevoeld. Hooi en granen zijn niet alleen schaars, maar veel zeer zeer slecht gewonnen. – Het gemaak van Boter en Kaas is in vergelijking van gewone jaren 1/of ten minsten 1/minder geweest. In die zelfde evenredigheid staat het ook met de granen; waar door het met het bestaan van den landman, zeer agter uit gegaan is, niet alleen daar door, maar de zoo voordelige schapenteeld, is bijkans door de galle verwoest. Men zet hier en daar maar enkele schapen welke overgebleven zijn, doch waar van de meeste rede van deze ziekte aangetast zijn, en weldra opvolgende zullen moeten sterven. Ik hadde behalven de weidschapen

 

Blz. 90

nog 7 schone lammeren, deze zijn ook opvolgende gestorven, twee melke schapen zijn mij overgebleven en deze lijken nog gezond. – Mijn zwager te Goutum, welke gewoonlijk S.C. 50 schapen houdt door den winter heeft geen een meer, en zoo zijn alhier de meeste boeren.

Was het hier maar bij gebleven, maar ook de varkens zijn er van aangetast, doch zoo hevig niet als de schapen.

Maar het aller nadeligste ondervind de vee man in het rundvee, waar van velen door dezelfde ziekte opvolgende sterven, sommige boeren niet enkelde, maar vaak een geheel aantal, welke rede gestorven zijn of eerlang zullen moeten sterven, vooral het jongvee.

Alle deze tegenheden zijn nog vermenigvuldigd door het uitbarsten der Belgische beroerten, en de geest des oproers door geheel Europa. In den nazomer in Paris aangevangen en opvolgende door alle Staten en Rijken verspreid, met een spoed, die alle begrippen te boven gaat. In onze vereenigde gewesten of de zoogenaamde noordelijke provincien, heeft men onder de Roomschen en vooral onder het slegte volk wel eenige sporen van dezen tuimelgeest ontwaard, maar toen over het geheel en dus geheel noord Nederland zich met een verheven geest aan den troon en onzen geliefden Koning sloot, met eenen moed die

 

Blz. 91

alle verbeelding te boven gaat, is deze boze geest weldra ondergedrukt geworden, en heeft dus niet tot des zelfs rypheid konnen geraken.

Evenwel zijn de gevolgen van dezen opstand, zeer bedroevend en worden de rampen daar door vermenigvuldigd. Door het vrijwillig opvatten der wapenen, en de oproeping der landstorm, zijn de hooge leerscholen, niet alleen van de studerende jeugd ontbloot, maar zoo vele werkzame handen den noodigen arbeid ontrukt, om gewapend in en om onze grensvestingen te staan en de oproerige zuidnederlanders indien zij daar toe lust hebben bloedigen tegenstand te bieden.

Danken moeten wij intusschen den Almagtigen, dat hij door zijne regerende voorzienigheid, den geest des bijstands onzer de natie aanporde om goed en bloed tot behoud van den Koning en het vaderland te veilen en ons tot hier toe daar door staande te houden. En zoo wij hartelijk wenschen, staande houden zal.

Wij zullen dan hier mede het jaar van 1830 sluiten, en alleen nog maar melden volgens gewoonte hoeveel deze gemeente tot ’s Rijks en gemeente lasten, onder alle deze tegen heden heeft bijgedragen, en dat door eene bevolking van ruim duizend zielen onder het behoor van Wirdum en zielen onder Swichum, burgerlijk tot een gemeente vereenigd.

 

Blz. 92

 

Directe Belastingen 23757,45  
Grondbelasting 10,99  
Herbelasting 2272,07  
Patenten 358,59 26399,11
Accijnsen
 Geslagt 1541,38  
Binnenl. gedistileerd 240,20½  
Collectief Zegel en quitantien 178,05½  
Cons. vervoer en gelei billetten 660,04  
Gemeente opcenten 19,80 2645,29
Perc. kosten daarvan 3 PC    
Vee fonds    97,30
    29141,70

 

Geslagt vee en waar van wij de bovenstaande belasting ontvingen.

 

Stieren    26
Koeijen 44
Vaarsen 18
Pinken 13
Kalveren 13
Nugteren kalvers 114
Schapen 321
Lammeren 142
Oude varkens 68
Spallingsvarken 259

 

Blz. 93

Behalven de vorenstaande belasting heeft het Gouvernement zich in de noodzakelijkheid bevonden, wegens de ontstane onlusten bij wege van oorlogskosten eene geldlening uit te schrijven en waar van de beide eerste termijnen in de maand december moesten betaald worden en het overige in de maand januarij eerstkomende; en wij konnen ten slotte er bijvoegen dat het gehele bedrag, op eenige honderd Guldens na, rede betaald is; niet tegenstaande de algemene behoefte vooral ten plattenlande, ontstaan door drie aan een volgende natte jaren en waar van 1830 zeer bijzonder geweest is, zoo als wij bevorens melden het verlies van vee, zoo als wij van tijd tot tijd gemeld hebben, daar te boven de bekrompene inkomsten nog vermeerderende kan men de algemene goedwilligheid der Ingezetenen tot gemelde heffing niet genoeg bewonderen, dat het met een woord meer gedaan hebben, als zij konden doen, een paar Roomschen alleen maar, welke op tijd bij de Wet bepaald niet wilden voldoen, hebben wij gesommeerd.

 

Blz. 94

maar dit alleen was ook genoegzaam om hun verschuldigde te voldoen.

Het gehele bedrag der geldleening is als volgt:

 

De helft der grondbelasting 12418-96
Het Personeel 2080-60½
verhoging 27-65
Patent regt   325-13½
totaal 14552-35
En dit tezamen met de vorens gespecificeerde belasting ter som  

29141-70 

   rendeert 43994-05

 

Aldus heeft de Gemeente van Wirdum waar onder Swichum over 1830 aan den lande opgebragt drie en veertig duizend negen honderd vier en negentig Guld. en vijf Cent.

 

Wirdum den 31 December 1830

D.W. Hellema
Rijks ont
vanger