BILDTSE PLAATSEN – nr 12 – FL1 = teugenover Ouwedyk 996 en 994

Douwe Zwart – Bildtse Post, 23-5-2005

 

Het Franeker land

We hebben de Holle Rijd achter ons gelaten en daarmee ook de Dirck van Wijngaerdenkavel vaarwel gezegd. Zo zijn we aanbeland in het Franeker land, dat trouwens in Franeker het Bildtland wordt genoemd.

Hertog Georg van Saksen had bij giftbrief van 26 maart 1501 aan de stad Franeker voor haar dapper gedrag bij het beleg van 1500 200 morgen Bildtland geschonken. Het charterboek zegt letterlijk: “(…) dar zu habenn wir yne unnd iren nachkomen zwey hundert morgen ackers von der Bilde, dorumb sie gemeyne Stadt mot thorenn unnd vestinnge deste bass uffrechtennen, bawen unnd zcyrenn sollenn.”

Omdat de hertog en later keizer Karel V en Philips II en nog weer later de Staten van Friesland hiervan geen pacht ontvingen, zijn we vooral aangewezen op het archief van Franekeradeel.

Het oorspronkelijke Franeker land werd begrensd door de Oudebildtdijk in het noorden, de Kadal in het oosten, door de Geert van Veenhuizenstraat die we gemakshalve doortrekken tot aan het Sybrenspâd, en de Westerweg in het zuiden en tenslotte de Holle Rijd in het westen. Het stadse land was aan het eind van de zestiende eeuw verdeeld in tien kavels. Er waren dus steeds tien pachters. Net als het Statenland was het Franeker land niet bestemd voor keuterende gardeniers, maar voor kapitaalkrachtige akkerbouwers die bereid waren grote, aaneengesloten kavels te pachten.

Op het Franeker land hebben aan de Oudebildtdijk zes boerderijen gestaan. Zes? Oeps! We vervolgen daarom gauw onze boerderijreis met de westelijkste Franeker plaats die ooit stond tegenover OBD 996 en 994.

 

Nieuwbouw in 1566

Doordat het archief van Franekeradeel wat betreft deze landen niet verder teruggaat dan 1593, zouden we genoodzaakt zijn om op dat tijdsstip te moeten beginnen, ware het niet dat reeds lang voor 1600 bij deze plaats onbedijkt Bildtland werd gebruikt. Aangezien we mogen veronderstellen dat dat buitendijks land (kavel 46) voor 1593 bij deze boerderij hoorde, kunnen we stellen dat in 1547 Daem Cornelisz hier pachter was. Hij pachtte ook kavel 46 (recht tegenover deze boerderij), groot 34 morgen. In 1554 was Harrent Cornelisz pachter. Hij was getrouwd met Neeltie Daems, een dochter van Daem Cornelisz. Dit echtpaar kreeg een dochter, Trijs Harrents. Harrent Cornelisz stierf en Neeltie Daems hertrouwde voor 1566 met Cornelis Lenaerts ’t Hoen en zij laten hier in 1566 een nieuwe boerderij bouwen! Daar straks meer over. Zij woonden hier in 1574 nog. Daarna werd het pachtrecht overgedragen aan Cornelis Jansz die getrouwd was met Neeltie Dirxdr. Cornelis Jansz is kennelijk vroeg overleden, want zijn vader Jan Jobsz, die de boerderij ten oosten van deze pachtte, volgde hem voor 1593 op. Hij was toen getrouwd met Hill Jacobsdr. Deze Jan Jobsz verkocht in 1618 het pachtrecht van het land alsmede “d’huisinge, schuijre, bomgaert, bepootinge, beplantinge staende opde voormelde landen met alle het gene daeraen aerd- muijr- ende nagelvast is en toebehoort” aan Hendrick Philips en daarmee belanden we bij de familie Van der Meij.

 

Grootste boerderij van Friesland?

Deze Hendrick Philips van der Meij ondernam gerechtelijke stappen tegen de verhuurder, het stadsbestuur van Franeker. Inzet was de taxatiewaarde van de gebouwen. Als het (vaak zeven-, soms twaalfjarig) pachtcontract niet verlengd werd of als het bijvoorbeeld door achterstand in het afdragen van pacht, nietig werd verklaard, moest de stad Franeker als eigenaar van de grond de waarde van de opstallen aan de afgaande pachter vergoeden. Huis, schuur en wat er verder nog aan onroerend goed overeind stond, moest worden getaxeerd door een bekwame timmerman. Nu had Hendrick Philipsz van der Meij een wel zeer grote schuur met aanbouw in gebruik. In de ogen van het stadsbestuur veel te groot en dat bestuur wilde minder dan de getaxeerde waarde betalen. Maar Hendrick vertelde onder ede dat zijn “huismannehuis” zo groot was omdat er ongeveer veertig morgen Nieuwbildtland bij werd gebruikt en dat dat sedert ’s mensenheugenis altijd al zo was geweest. Er werden getuigen door het Hof te Leeuwarden gehoord. Trijs Harrents – haar zijn we reeds tegengekomen als pachter van OBD 1185 (nu De Vries), “olt in haer 86ste jaar, segt dat de getauxeerde huisinge gebout is en tegenwoordig [in 1649 dus] noch staet op den Stadt Franeker landen, welcke huisinge gebout waere in 1566, verclaerende sulcks meermaelen van haer olders gehoort te hebben (…). In plaats van het afgebroken schuirtie, kamer, brouwhuis is een schuijr gebouwd, so als die daer noch te sien is, bij haer moeder en stijpvader gebout.” Ook Aerien Wijngaerden, 66 jaar en kleinzoon van Neeltie Daems, werd gehoord. Hij “seide waer te sijn dat de bujtenlanden voor het leggen van de Dijck [Oudebildtdijk] greijd en weijtlanden sijn geweest en de binnendijcks landen boulanden, doch seide naderhandts vele en verscheidene der nieuwe dijcks landen gebrocken ende gebout geweest te sijn (…). Dat het selve buijtenlandt al voor het leggen van de Nieuwe Dijck gelijck alle cavels met een besondere Kadijck behoet en beschemt ware, also dat het met ordinaris eb en vloed ofte somerwater niet onderliepe, welcke kadijcken met haer sloten en sijlckens om het water wedert quijt te worden als het bij wijnter en ontijde overliep (…).” Verder verklaarde Aerien Wijngaarden “fastelijck voor te houden en waerschijnlijck te sijn dat de huisinge niet alleen op so weinich binnenlandt is gebout, als sijnde geen huismannehuis in Frieslandt daer bij te gelijcken. Seide vorders waer te sijn dat de voormelde huisinge cum annexis [met toebehoren] tsedert de eerste bouwinge op verscheijden tijden merckelijck is vergrootet en aengebout.” Hierna somt Wijngaarden nog op: “(…) een brouhuis, een kamer aen de groote wooninge int hoff neffens d’achterkuecken, een schuirtie aen ’t westeinde van koehuis, een schaephuis, een huisie aen het Oestend van de noorderdeur, 2 bergen en noch de camer int hoff.”

 

Reparaties

Deze zaak liep al in 1649 toen Hendrik Philipsz van der Meij verhuisde naar de Nieuwbildtboerderij, halverwege kavel 46 (later verplaatst naar de Oudebildtdijk, nu OBD 1016, P.J. Marra). En de zaak liep tot in 1651. En al die tijd stond de boerderij te verpieteren en het land was één woestenij. In september 1650 werd de plaats per mei 1651 te huur aangeboden. Claes Arian Jacobs werd voor drie jaren pachter. Hij was getrouwd met Neeltie Arrien Claes Hendricksdr. In de voorwaarden stond nu dat reparaties voor rekening van de stad Franeker waren en voor klein onderhoud draaide de pachter op. De stad Franeker had de afgaande pachter Van der Meij de gebouwen vergoed en bleef daarvan dus eigenaar en verhuurde nu deze landen met de gebouwen. En zo beschikken wij over een “Bestedinge der reparatien die tot Claes Arian Jacobs huisinge aen Sint Jacobs parochie nodich zijn aldaer gedaen den 4 Julij 1655. Het groothuijs op ’t zuijden boven het afdeck voor ’t meerendeel te vernieuwen, alsmede op ’t noord. De schuur op ’t zuijden tegens ’t groothuijs aen met nieuw deck te versien, als mede op ’t eijnd ten westen. De cleijne schuijr op ’t west op verscheijdene plaetsen met nieuwe sluijck te decken en den sijdmuijre rondom te onderslaen, repareren en de stoppen, doch het zuijdwestfack geheel te vernieuwen. De schuijr op ’t noord tegens den gewel op te breecken alsmede het dachfenster aldaer te vernieuwen, te weeten 10 à 11 voeten voorbij het doors-cousin tot aen het plattdack toe, tot aen de top geheel te vernieuwen. Des keldercamers dack wedersijds op ’t bequaemst te stoppen en vernieuwen en de vorst met zooden, soo van kelderscamer, het groothuijs als de schuijr daer ’t nodich is, te versien. De schorsteen boven op te metselen en het hartsteen daer op te bewaeren. De schuijr en het affdack, daer ’t nodich is, met nieuwe sparren te verbeteren. De noordzijde van ’t groothuijs aen middelgewel op ’t oost 2 à 3 voeten op te breecken en opt nieuws te decken. De middelgewel zelfs tot aen het 2e canteel van onderen op met een nieuwe roeff te vernieuwen. Het kleijn geweltie bij de zijd-door op ’t noord wech te neemen en met het dack in een beloop te brengen, de cantelen daeraff aen voorgewel te verbesigen. De goote ofte afloop van ‘twater ten noordwesten van ’t groothuijs en de kelderscamer 2 à 3 voeten op te neemen en vernieuwen, als meede het wester en noorderdack van kelderscamer en het groothuijs van goote aff tot aen de vorst vernieuwen. Het 1e bijnt in kleijne schuijr op de westerhoeck met een stercken stijp t’onderstutten ende losse stijp aen het dwersholte van olde schuijr weeder vast te maecken. Het wester door-cosijn inde kleijne schuijr tusschen de koestallen te vernieuwen met de door. Het gewulft boowen bij de wendeltrap te vernieuwen en vast te maecken.”

 

Jonker

Claes Aerien Jacobsz overleed en Neeltie Arriens trouwde nu met Gerrijt Pijtters die in 1689 pachter was van deze 24 morgen en 533 roede. In 1718 was hij dat nog. Uit een hypotheekakte van 1711 blijkt dat de plaats groter was geworden: “Hesel Wijtzes Wassenaar olt burgemeester en coopman te Harlingen, Tjaerd Sijverda en Claas Goitjens Braam ook kooplieden te Harlingen als gecommiteerden uit de oude crediteuren der stad Franeker verhuren aan Gerrijt Pijters huisman te St. Jacobi parochie een zathe land (…) groot 33 morgen met huis & schuir bij den huurder reeds eenige jaren bewoont en gebruickt voor 15 jaar voor 19 caroligulden het morgen.”

Gerrijt Pijtters zou het einde van het pachttermijn niet meer meemaken, want in 1723 was Marten Claesz op deze boerderij te vinden. Hij was getrouwd met Antie Gerrijts, waarschijnlijk een dochter van de vorige pachter. In mei 1733 verliet Antie Gerrijts de plaats. Nieuwe pachter werd Dirck Ariens Jonker. Hij trouwde eerst met Aegje Jarigs en in 1729 met Grietje Joris.

Op de Statenkaart van 1735 staat deze boerderij vreemd getekend. Uit de aantekeningen hierboven konden we destilleren dat er sprake was van een grote schuur, een kleine schuur en wat dies meer zij. Op de kaart zien we dat het niet een reguliere kop-hals-romp-boerderij was, maar een winkelhaakboerderij waar een vreemd bijbouwsel aan vastzat.

 

“Op de wortel ter coop gepraesenteert”

In 1742 was Dirck Arjens Jonker achterop geraakt met het betalen van de pacht. Uit notities van de Franeker rentmeester citeren we: “(…) nae minsame aenmaninge geen betaling erlangende hebben, reden om voor een bankroet bedugt te zijn. De man sit tegenswoordig bij sijn 2e vrouw en heeft voorkinderen aen wie hij tot nog toe geen uitwijsinge heeft gedaan wegens moederlijke goederen.” Die kinderen zaten dus te wachten op hun moeders erfdeel. De rentmeester schreef verder dat het pachtcontract in 1743 afliep en dat met Jonker was afgesproken dat hij zeven morgen land zou bezaaien, waarvan de opbrengst in mindering op de schuld kon worden gebracht. Toen bleek dat er ook particuliere schulden waren, waarvoor reeds twee paarden moesten worden verkocht en boer Jonker en zijn vrouw waren niet in staat om het lekkende schuurdak te repareren. De stad Franeker wilde niet langer wachten en legde beslag op de “te velde staende vrugten” en ging over om die “op de wortel bij boelgoed ter coop te praesenteren”. Op 24 juli 1742 werd het boelgoed van veldvruchten gehouden. Toen bleek dat het niet genoeg geld in het laadje had gebracht, werd op 11 september dat jaar nog zo’n boelgoed gehouden.

 

Verkoop en afbraak

In 1743 ging het pachtrecht over naar Wop Cornelis. In 1768 en in 1778 nog, was zijn weduwe pachter. Zij heette Tietje Clases. In 1788 vinden we hier zoon Jan Wops die zich De Groot noemde en patriot was, en dus niet Oranjegezind. Was hij daadwerkelijk groot of werd hij zo genoemd omdat hij op de grote boerderij woonde? Hoe het ook zij, hij trouwde met Neeltje Clases Jelgerhuis. Weer tien jaar later is het land in gebruik bij genoemde Jan Wops de Groot en de kinderen van Beert Bos. De laatsten woonden op een andere Franeker plaats. In 1807 werd de plaats die we hier nu behandelen in 31 percelen verkocht aan diverse personen. Het perceel met huis, schuur en hornleger werd gekocht door Jan Wops de Groot en Neeltje Klazes Jelgerhuis. Hebben zij hier hun oude dag gesleten? Nee. In 1811 woonden zij hier nog wel, maar ten tijde van hun overlijden, in 1826 en 1828, woonden zij in het dorp St.-Jacobiparochie en dit stemt overeen met een akte van finale toewijzing gepasseerd voor notaris Everhardus van Loon te St.-Annaparochie, waaruit blijkt dat Jan Wops de Groot en zijn vrouw op 2 maart 1816 aan Antje Cornelis de Groot, de weduwe van Piebe Berends van Rozendal een huis en 3/4 morgen land verkochten voor ƒ 1.075,=. Koper Antje was boerin op het Franeker land, zoals we nog zullen zien. De schuur was dus reeds eerder afgebroken en het boerenhuis heeft spoedig hetzelfde lot ondergaan.

Het viel ons op dat zelfs in 1847, in een advertentie in de LC, de naam van de laatste hoofdbewoner van deze boerderij nog nagalmde: “Notaris O. Braunius Oeberius verkoopt in de herberg van P. Schaaff te St. Jacobi-parochie finaal 1-63-70 bunder bouwland, kadastraal bekend sectie A, nummer 121, in de voormalige zathe van Jan Wops de Groot.”

 

Oudebildtdijk 1005

Eigenlijk houdt ons verhaal hier op, maar… direct ten westen van de plek waar de boerderij heeft gestaan, verrees, al voor de instelling van het Kadaster in 1832 en kennelijk in 1816, een huis met een schuurtje. We zullen nog even zien wat dat oplevert.

In 1829 woonde hier Jurjen Jacobs de Groot, de eerste in een lange reeks van gardeniers. In 1832 Beert Arjens Kuiken, een jaar later opgevolgd door Rentje Arjens Kuiken. In 1834 woonde hier Jan Klazes Jelgerhuis. Hij bleef hier wonen tot hij in 1844 werd opgevolgd door Johannes Jelles Pothuisje. In 1846 treffen we hier Pieter Minnes Wassenaar aan. Alle genoemden waren gardenier. Vanaf 1847 was het huisje in tweeën gedeeld: de werklieden Cornelis Tijmens Kuiken en opnieuw Johannes Jelles Pothuisje woonden hier. In 1859 had het huis nog steeds twee huisnummers en ook twee hoofdbewoners: Antje A. Kuiken en Rintje Rintjes Kuiken. De laatste was veldarbeider en was getrouwd met Antje Berends van Rosendal. Zij woonden hier met hun zeven kinderen. In 1876 ging Rintje naar buiten en draaide definitief de deur achter hem op slot. Koopman Arjen Cornelis van Rosendal nam de sleutel over.

In 1832 was de weduwe Piebe Berends van Rosendal nog steeds eigenaar. Haar man die in 1816 was overleden, was pachter van de boerderij tegenover OBD 976 (behandelen we volgende week). Zij bezat in 1832 slechts dit huis en erf en nog drie hectare bouwland. Voor 1839 erfde zoon Cornelis Piebes van Rosendal dit. Deze zoon was pachter van OBD 1225 (nu Andringa). Het huis was daarna eigendom van Piebe Cornelis van Rosendal. Via Jan Hanzes Tuinstra (landbouwer te Midlum) en consorten verkreeg Arjen Cornelis van Rosendal, gardenier te St.-Jacob, maar geboren te Mantgum, het eigendomsrecht en zoals we reeds lazen, werd hij in 1876 de nieuwe bewoner. Hij bezat vier hectare land (wellicht dat hij elders nog land huurde). Arjen was getrouwd met Siebetje Meintes Meinsma (kwam van Beers) en zij kregen twee kinderen waarvan Maaike jong stierf. In 1892 gingen vader en moeder elders wonen en werd zoon Meinte Arjens van Rozendal de nieuwe hoofdbewoner en in 1897 ook de nieuwe eigenaar. Hij was getrouwd met Maartje Sjoerds Vellinga (geboren in 1866 te Klooster Anjum). Na haar overlijden in 1895 trouwde hij met Jentje Hoogenhuis van Minnertsga. Meinte Rozendal verkocht nu dit huis aan Johannes Arjens Goor die er ook kwam te wonen. Hij was getrouwd met Aafje Cornelis de Groot en was gardenier. Hij bezat behalve dit huis nog drie hectare land onder St.-Jacob. Zijn zoon Cornelis Johannes Goor breidde dit eigendom uit tot ruim elf hectare. Hij was getrouwd met Reintje Wassenaar en zij hadden geen kinderen. Cornelis verhuisde met Reintje in 1951, maar bleef eigenaar. Ene Jan Monsma woonde er tot 1965. In dat jaar verkocht Cornelis Goor het huis aan landbouwer Laas Goffes Keizer. Hij trouwde in juni 1965 met Grietje Talsma en verhuisde van het ouderlijk huis (OBD 961) naar hier, dus dat kon hij te voet doen. In 1972 verhuisde hij naar OBD 961 en in 1979 werd hij landbouwer aan de Hamerenweg, Vrouwenparochie. In 1974 kwam de familie Groeneveld-Visser hier wonen. Dit huis herinnert een beetje aan de grote Franeker boerderij die hier ooit heeft gestaan.

 

Opmerking  Jan D. Hoekstra:

In de artikelen 12 en 13 wordt gesuggereerd dat Jan Jobs 2x getrouwd was, maar ik denk dus dat er 2 verschillende mannen waren.
– Jan Jobs van Hill Jacobs is de zoon van Job Cornelis Frans
– Jan Jobs van Elisabeth Joris is iemand anders (is mogelijk een zoon van Job Boijens, maar hard bewijs heb ik daar zeker niet voor).

Motivatie:
De Jan Jobs van Elisabet Joris leeft nog in 1618 (hypotheekboeken BIL N2 206 =image163)
Hill Jacobs, weduwe van Jan Jobs staat haar kinderen bij in 1613 (weesboeken), haar Jan Jobs is dus al dood
Lijsbet Joris, weduwe van Jan Jobs verkoopt in 1621 …de bruijcma van 21 morgen Billandt van de stad Franeker; hebbende Jacob Sijmons ten oosten, Sijbren Jans Cramer ten zuijden, Hendrick Philips ten westen, de olde zeedijck ten noorden; met noch 20 morgen 480 roede nijeuwe bedijckte Billand …(hyptheekboeken BIL N2 304v =img259) ze leeft dus nog tegelijkertijd met Hill Jacobs, want die is in 1621 nog requirant.