BILDTSE PLAATSEN – nr 4 – Ouwedyk 1185

Douwe Zwart – Bildtse Post, 26-1-2005

 

Twee gebroeders

De volgende boerderij die wij op onze historische trip langs de Oudebildtijk tegenkomen, is OBD 1185 en lag eertijds, net als de vorige drie, in de Sijmon Claaszkavel. Tot en met 1547 werden alle percelen gepacht door Sem IJsbrantsz (in 1527), door zijn erven (in 1536) en door Sijmon van der Does en IJsbrant Semsz (in 1547). Aan hen hebben wij vorige week al aandacht besteed. We gaan er hier niet verder meer op in. De oudste berichten dateren van 1554 wanneer we deze plaats voor de eerste keer in de Bildtrekeningen tegenkomen: Albert Claesz was toen de trotse pachter van 23 morgen en 543 roeden. Voor 1566 ging deze plaats precies in tweeën: Claes Albertsz pachtte in 1566 11 morgen en 572 roeden en woonde op de boerderij ten oosten (OBD 1177) en op de boerdrij die we nu behandelen, kwam Pieter Albertsz, ook met 11 morgen 572 roeden. Dat de plaats exact in tweeën ging, heeft natuurlijk te maken met het feit dat de genoemde boeren zonen waren van Albert Claesz. Daar kan geen twijfel over bestaan. Dat in tweeën opdelen van het land van een boerderij tussen de erven, kwam in die dagen wel vaker voor. Op de kaart van 1570 staan de boerderijen met de namen Pieter en Claes Albertsz dan ook gebroederlijk naast elkaar.

Vader Albert Claesz pachtte in 1554 ook nog de gehele 53ste kavel, dus de meest westelijke landerijen op het Nieuw Bildt, destijds nog onbedijkt. In 1566 en 1574 zijn Pieter en Claes Albertsz daar de pachter van. De broers pachtten ook nog kavel 52 (tegenover de Westhoeksterweg). Zij droegen dit pachtrecht echter in 1569 over aan Jacob Sixma die oostelijker woonde (op OBD 1171).

Alvorens we verder gaan, moeten we nog even terugkomen op die 53ste, de meest westelijke kavel. Van deze kavel werd tot 1600 grond en zoden gehaald, voor reperaties aan de zeedijk, de huidige Oudebildtdijk.

Voor 1574 kocht Pieter Alberts 7½ morgen van de weduwe van Diert Willemsz. Waar zij gewoond heeft, blijkt helaas niet uit de bronnen. Dan hebben we pas in 1629 een andere pachter te pakken: Pieter Pieters d’Olde. Hij was getrouwd met Trijsie Harrentsdr. Nu is er een hypotheekakte van juni 1617 waarin het volgende staat: “Pijter Pijters en Trijs Harntsdr egtelieden onder Jacobi gebuijrte opt Westerbildt zijn schuldig aen mr. Aerian Aeriansz Schoonhoven chirurghijn en Maertie Wentselaers egteluijden te Jacobi gebuijrte 200 caroligulden.” Pieter en Trijs stelden tot onderpand de door hun “gebruijkende huijsinge en schuire en stede billandts bij ons selven bewoont onder Jacobi gebuijrte.” We mogen concluderen dat zij reeds in 1617 hier woonden en het zou ons niks verwonderen als ooit blijkt dat deze Pieter Pieters niet gewoon een zoon was van Pieter Alberts. En zo zouden we dan het gapende gat van 1574 tot 1629, de periode waarin de Bildtrekeningen ontbreken, hebben overbrugd.

 

De bouwknecht huwen

Pieter Pieters en Trijs Harrentsdr pachtten in 1629 dus 19 morgen en 277 roede. De naam Pieter en patroniem Pieters leveren moeilijkheden op. Er zijn meer hondjes die Fikkie heten. Pieter Pieters krijgt een zoon en die wordt natuurlijk naar zijn grootvader genoemd en dus heet hij ook Pieter Pieters. Verduidelijkt de bijnaam d’Olde niet? Nee niet echt, want op moment dat ‘onze’ Pieter Pieters overleden is (± 1640) is zijn zoon Pieter Pieters d’Jonge reeds zo oud dat hij in de boeken voorkomt als d’Olde enzovoort. Erg verwarrend allemaal.

In 1637 komen we Pieter en Trijs hier nog als pachters tegen. In het oudst bewaard gebleven stemregister van 1640 komt ene Pieter Pieters d’Olde voor met 18 morgen land op het Binnenbildt en 19 morgen op het Buitenbildt. In 1649 vinden we Trijs Harrents als pachter. Voor 1655 is echter het pachtrecht overgegaan naar de weduwe van Arien Pieter Pieters, een meer dan waarschijnlijke zoon van Pieter Pieters d’Olde. Arien P.P. was omstreeks 1643 getrouwd met Grietie Stevens, een dochter van Steven Cornelisz en Tettje Dirksdr die ook aan de Oudebildtdijk woonden, nabij de Koudeweg (daar later dit jaar meer over).

Arien en Grietie zullen hier wel hebben gewoond, maar het pachtrecht en de eigendom van huis en schuur stonden nog op naam van moeder Trijs Harrents. Grietie Stevens hertrouwde op 4 februari 1655 met Lieuwe Lourens, “de bouknecht van Treijsie Harnts,” aldus het huwelijksregister van de kerk van St.-Jacob. Tussen haakjes: een zuster van Grietje, Tettje Stevens haalde ook iets dergelijks uit; zij trouwde, na een huwelijk van vijf jaar, met ene Theeuwes Gerkesz, bouwknecht bij Claes Dircks in de Blicken. Die bouwknechten waren destijds zeker in trek.

Terug naar OBD 1185. Voor 1670 was het pachtrecht in handen van Tonis Jansen Roker, die wij al eerder zijn tegengekomen als buiteneigenaar te Twisk. In 1674 vinden we hem in een bewaard gebleven morgentalboek. Hij pachtte 18 morgen en 338 roeden. En in 1698 waren zijn erfgenamen, Jan Teunis Roker en Sijmon Sijmons, de pachters, ook beiden te Twisk. In 1699 verkochten zij de plaats aan Jacob Jans. Over hem is verder niks bekend. In 1708 waren Jacob Jans zijn weduwe en kinderen de houders van het stemrecht van deze plaats, in 1718 nog, maar voor 1728 waren Dirk Jans Rosendal en zijn vrouw Ank Jetzes hier pachters want in dat jaar deden zij afstand van de boerderij: “een zathe lands met eigendom van huis en schuur c.s. en de bruickwaar van 18½ morgen old gepagte State Billand op ’t Noordwest van St. Jacobi parochie aan de oude Dijk, hebbende Lenert Taevis erven als bruikers ten oosten, Reinder Clasen wedue ten westen, de vaart ten zuiden en de Oude Dijk ten noorden.” Voor 200 caroligulden per morgen waren Jan Martens de Vries en Amerens Walings de kopers.

Deze Jan Martens de Vries was een rijke nazaat van admiraal Tjerk Hiddes (de Vries) en bezat ook OBD 1171. Jan stierf voor 1732. Zijn weduwe Amerens Walings trouwde toen met Pijter Leenderts en hem vinden we op de Statenkaart van 1735 terug als gebruiker van deze boerderij. Eigenaars van het pachtrecht waren Amerens Walings, hertrouwd aan “Piter Leenerts en hare 3 voorkinderen geprocreert bij Jan Maertens de Vries”. In 1748 was dat nog zo.

 

Inventarisatie

Ondertussen was Amerens Walings in 1742 gestorven en werd de inboedel beschreven. Zo’n inventarisatie geeft altijd een duidelijk beeld van wat er vroeger op een boerderij te vinden was, dus citeren we het een en ander. “Levende have: een blauwe merri, een rood schimmeld merri, een swarte merri, een swarte merri, noch een merri, een bruine merri, een swarte idem, een blauwe merri, een blauwe enter, een bruine witvoet, een grauwe ruin, een swarte ruin, een idem, een swarte merri, een rood schimmeld ruin, een swarte merri, twee suigvolen waaronder een blauw spaans hingt en een bruine merri vool, twe rood bonte koeijers, twe swart bonte idem, een swart bonte rier, nog twe swart bonte koeijers, drie rood bonte hockelingen, vijf suipkalvers, een enter bolle, een vare koe wordende geweid bij Gerben Reinders, een oud varcken, twe biggen, vijf melke schapen, drie lammers, drie gelde schapen, nog twe melke schapen, tien a ellef hennen en een haan.

Huismanne en koemelkers gereedschappen: vier grote beslagen wagens, een kleine beslagen wagen, een oude chais, twe eerdkarren, vier ploegen, twe rollen, agt eggen, een molbord, twe egge slepen, een zeef, twe snijbancken, een sleeptrog, een not kruiwagen, drie wamen, een balkladder, twe kleine idem, nog een idem, vier ploeg parssen, twe rol parssen, vier egge parsen, vier seven, een schepel, ellif a twaelf paar so wagen als ploeg touwen, twe meskruiwagens en planken, drie grepen, seven a agt vorken, een tiem, vier a vijf harken, twe varkens troggen, dartien hamen, drie leijen met gebitten, een kleine wagen leij, een chais leij, twe wagen gereiden, een chais gereid, een oud idem, drie leren hooftstallen, drie voor en twe agter bijnen, een keern met sijn toebehoren, een keern molen, een kees pars, twe kopere melke emmers, ses houten water emmers, een vleesvat, twe keesvatten met ijseren hoepen, een kees tobbe en schamel.

In de gang: vier molken vatten, een butter laad, een vatbank, een koperen pot, een koper gootling, een schotelbank waarop enig schuttelgoed, een ijzeren ellen, een ijseren haak, vork en hakmes, een ijzeren lamp, twe kaasborden, een blikken lamp, een lantaarn, twe schilderijties, twe … korven, een klein veld emmertie, een hollandsche tafel, een blikken vullersschop, een tinnen drinkerskan, een stoffer, vijf delfse panties, een kleerbezem, twe stoelen, een glasgordijn, een gieter.

In de kelder: een zouttafel, twaelf keeskoppen, nog vier idem, een veldkan, een koperen ketel, een pot met smeer, twe ijzeren koekpannen, een stenen braadpan, een tinnen kom, een koperen pan, een koperen akertie, een koperen koekpan, nog een zout tafel, een butter spatiel, vijf mouden, een ijserpot, schalen met 9 a 10 loden gewigte, nog negentien ijser en loden gewigte.

In ’t brouwhuis: drie koperen ketels, een ijzeren pot, drie ijzeren treeften, een hangijzer, een koekmes, een haak, een ijseren ketting, vier vatten, een tafel, een bankie, een turfvat, een zaal, grote schalen met een hondert seven, pond gewigt, twe jucken, twee haakstokken.

Op ’t opkamertie: twe stoven, een rager, een voetbank, een bed en peule, een oorkussen, twe dekens, twe lakens.

 

In de spijskamer

Een tinnen minglen, een melk halfminglen, 29 tinnen lepels, een tinnen trekpotje, een tinnen kroesje, een koperen strijkijser, een ijseren lepel, ijseren …seel, drie koperen deksels, een koperen stoppantie, een blikken theeketeltje, eenige potten en pannen, twe ijseren potten, 18 houten tafelborden, nog 6 idem, twe melkborden, ses houten lepels, twe flessen.

Inde agterkamer: een groen spijn, een groen kasje, nog een groen kasje, een erten spijn, een kastbank, twe voetbankjes, een scherm, ijzeren kandler, seven stoelen, een tafeltje, drie gladde tonnen, ellif klap…sies, klokje, een kleerkorf, 19 Delfse pannen, vier porcelein schooteltjes en idem koppies, trekpot en kop, ½ dosijn Delf theegoed, 3 Delf kopjes, twe bierglasen, twe romers, twe flesjes, een bonte bierpot, eenige doeken, 19 kopjes so klein als groot, schorsteenskleed, een idem, een glasgordijn, een spiegel, ijseren roede, een naaijkorf, linnenkast, twe paar blauwe gordijnen en rabatten, een paar groene idem, twe flessen, bed en twe peulen, twe deken, twe lakens, twe bedden en een peul, drie oorkussens, nog twe idem, twe dekens, een peulsak, drie kussen slopen, twe stoelkussens, een scheer, een vloerveger, een mengelbord en stok, en Pijter Leenderts toebehorende: bed en peul, twe oorkussens, twe dekens, twe lakens.

In de voorkamer: twe Hollandsche kasten, een hollandsche tafel, een eiken cantoor, een eiken tafel, ses stoelen, vier stoelkussens, een koperen bedpan, een blikken theeketel, een ijseren cantoor, een spiegel, 35 pannen Delfs, 9 idem, negen kleine panties, vier klapm…tsies, 5 half dosijnen porcelein, 9 kopjes porcelein, 3 Japanse borden, twe beelden, tien …beeltjes, tinnen trekpot, een porceleinen spoelkom blau, een bruin idem, een stel op de kast, twe bokalen, vier bierglazen, twe delfse kastkoppen, een glazen theebos, de werelt, een wieg, een kussentje, nog een idem, een doek, twe glasgordijnen, een bont scharstienkleed, twe tafelspreden, een bont scharstienkleed, therakje, thebladtje, mantelstok, nog een idem, een paer blauwe gordijnen en rabat Pijter Leenderts toebehorende, twe blauwe rabatten, een stalbed, een kakstoel, twe oorkussens en slopen, twe lakens, een paar stoven, een schabeltje, twe dosen, een kastje Pijter Leenderts toebehorende, twe varndels korven, twe spinwielen.”

Hierna komen nog aan de orde de zaken in de linnenkast, de kleren (ook hoogst vermakelijk!) en gemunt en ongemunt goud en zilver, maar helaas te veel om op te noemen. Sluiten we deze inventarisatie nog af met de “Te velde staande veltvrugten: 24¼ morgen winter en somergarst, 7¼ morgen bonen, 8 morgen orten, 13¾ morgen haver, 3 morgen rog.” Nog geen aardappelen… maar wel een globe en natuurlijk de kakstoel!

 

Dominee Schuiling

Zoals we reeds eerder lazen, verkochten de Staten van Friesland in 1752 het Oud Bildt. De erven Jan Martens de Vries kochten deze plaats van 18½ morgen (slechts het land, immers huis en schuur waren altijd al eigendom geweest) voor 3.838 caroligulden en 12 stuivers. Zij waren nu dus eigenaar in de zin van het woord. Die erven waren dochter Neeltje Jans de Vries, in 1744 getrouwd met Klaas Boijens Wassenaar, voor de ene helft en Beert en Amerenske, kinderen van dochter Antje Jans de Vries die in 1746 getrouwd was met Walings Beerts Kuiken, voor de andere helft.

In 1758 was Aart Arjens Kramer de pachter van 18½ morgen land en nog ruim tien morgen in kavel 53. In 1768 luisterde de gebruiker naar de naam van Boijen Eelkes en in 1778 was Beert Walings Kuiken pachter. Hij was een zoon van Waling Beerts Kuiken en Antje Jans de Vries, de mede-eigenaar die in 1775 was overleden. Hij trouwde op 13 mei 1770 voor de kerk van St.-Jacob met Neeltje Klazes Wassenaar, nota bene een dochter van Klaas Boijens Wassenaar en Neeltje Jans de Vries. Zij waren dus neef en nicht.

Deze boerderij bleef zeker tot 1798 in massaal bezit van Wassenaar en Kuiken. In 1811 kreeg de boerderij huisnummer 130 en was Waling Beerts Kuiken bewoner (zoon van neef en nicht). In 1818 was Dirk Reimers Kuiken eigenaar en wellicht al eerder omdat hier in 1817 een nieuwe boerderij verrees. Dirk was getrouwd met Claasje Beerts Kuiken, een zuster van Waling. Zo bleef de boerderij in de familie, maar niet lang want in de Leeuwarder Courant van 15 november 1832 adverteerde Oebele Braunius Oeberius, notaris te St.-Annaparochie: “Verkoping in de herberg van L.M. Kramer te St. Jacobi-parochie ten overstaan van het Vredegerecht Kanton Hallum, van een zathe en landen met in 1817 nieuw gebouwde huizinge no. 130 groot 27-10-00 bunder, waarvan 3 1/3 bunder greide, liggende de huizinge en ruim 17 bunder land op het Oud Bildt in de westhoek o/d St. Jacobi-parochie en bij eigenaar in gebruik.” Kopers werden “den Heer Roelof Schuiling, leraar der Doopsgezinden en Klaasje Thijsses Rijnks, echtelieden te Oude Bildtzijl o/d Vrouwen Parochie” voor ƒ 12.006,50. Het gezin Dirk Reimers Kuiken bleef er wonen tot in 1835 en werd opgevolgd door Jouke Cornelis Hoekstra die als meier te boek stond. In 1845 betrok Roelof Roelofs Schuiling jr, een zoon van dominee Schuiling, de boerderij. Hij trouwde vier jaar later met boerendochter Elisabeth Jans Bruinsma (kwam van Sexbierum). In 1851 hield Roelof Schuiling jr. boerenboelgoed (o.a. 6 paarden, 10 koeien, 8 schapen, chais, karnmolen, dorsrol, mesthoop). Het gezin verhuisde dat jaar naar een boerderij aan de Koudeweg. Riemkje Schuiling, een dochter uit dit huwelijk trouwde later met Roelof Ewouds, schoolmeester te Vrouwenparochie. Een nazaat hiervan, Pam Ewouds, woont in Spartanburg, South Carolina, USA en zij leest dit ook: Dear Pam, on behalf of the people of het Bildt I send you my greetings.

Per 12 mei 1851 kwam Ouwe Rinses van Dijk hier wonen met zijn vrouw Liefke Gerrits Wassenaar. De plaats behelsde toen 26,796 hectare op het Oud en Nieuw Bildt. Slechts 1,39 hectare was weiland. Dat kan kloppen want hij had in 1852 slechts twee koeien en in 1854 vier. Na het overlijden van Van Dijk in november 1859 verhuisde dit gezin en kwam akkerbouwer Jan Annes Westra op deze plaats. Hij en zijn vrouw Neeltje Klazes Koning woonden er tot mei 1873. Zij werden opgevolgd door Frans Piers Hoogland en Neeltje Jentjes Hoogenhuis. Frans Hoogland was een zoon van Pier Watzes Hoogland en Sijtske Franzes Kienstra die op de boerderij ten westen van deze woonden (OBD 1223).

 

Brand

In 1870 verkocht de familie Schuiling deze plaats aan Reinoudine Christine van Haersma de With. Zij was ondermeer ook eigenaar van de boerderij hier ten westen van. Een jaar later was er sprake van een verbouwing.

Frans Hoogland ging naar Ternaard en Arjen Aukes Dijkstra kwam van Hallum. Dit vond plaats in 1881. Landbouwer Dijkstra (geboren te Vrouwenparochie) en zijn vrouw Renske Teunis Bouma (geboren te Hallum) verbleven hier tien jaar. Ze hadden een zoon, maar die volgde hen niet op. Nieuwe huurder werd in 1891 Meindert Wijbrens Hoogterp. Hij overleed hier in 1905, slechts veertig jaar oud. Zijn vrouw Klaaske Hibma en de drie kinderen bleven er tot maart 1915 wonen. Gardenier Waling Gerrits Meijer was de volgende in de lange rij van pachters en huurders. Hij woonde hier met zijn vrouw Dirkje Sjoerds de Boer tot mei 1919.

Op 12 mei dat jaar werd Gerrit Annes de Vries hier gardenier. Hij was geboren in 1871 te St.-Jacobiparochie en trouwde met Sieuwke Jans van der Zicht. In augustus 1959 volgde zoon Anne de Vries, als “houder loonbedrijf” en getrouwd met Wietske van Dijk, hen op. Zij woonden er met hun zoon Klaas de Vries. Huidige bewoner is Anne de Vries, zoon van Gerrit de Vries.

De familie Van Haersma de With verkocht de plaats in 1910 aan Dirck Cornelis Feenstra, timmerman te Hitsum, die de plaats in 1917 verkocht aan Gerrit Annes de Vries. De familie De Vries is nu nog eigenaar.

In de nacht van zondag 24 op maandag 25 augustus 1947 brandde de schuur af. De Bildtsche Post meldde op vrijdag 29 augustus 1947: “St. Jacobiparochie. De boerderij-branden – In de nacht van Zondag op Maandag brak brand uit in de boerderij, bewoond door de heer G. de Vries in de Westhoek alhier. De brandspuiten van St. Jacobipar. en St. Annapar. konden niet verhinderen dat de schuur met inhoud (de schuur werd gebruikt als bergplaats voor landbouwgewassen van enkele gardeniers en zat vol met graan, vlas enz.) grotendeeld verloren ging. Twee varkens zijn verbrand, terwijl enkele wagens, een tractor en een zelfbinder nog juist op tijd in veiligheid konden worden gebracht. De voorhuizinge bleef behouden. Dit is de vijfde boerderijbrand in slechts enkele maanden tijd in onze omgeving. Oorzaak onbekend.”

Wij weten nu dat er destijds een pyromaan op het Bildt rondwaarde.

De schuur werd spoedig vernieuwd. Het oude woonhuis bleef staan, maar is in 1997 gesloopt. Toen is er een nieuwe woning gebouwd.