BILDTSE PLAATSEN – nr 8 – perseel 87

Douwe Zwart – Bildtse Post, 23-2-2005

 

Allerheiligenvloed

Degenen die denken dat nu de boerderij van Gerlof Jensma (OBD 1127) aan de beurt is, zijn abuis. In het voorwoord [BILDTSE PLAATSEN – INLAIDING] op deze serie artikelen heb ik gezegd dat er vier ijkpunten zijn dat we kunnen constateren wanneer welke boerderij waar stond en wie daar pachter dan wel eigenaar van was: 1570, 1735, 1832 en 2005. De boerderij die we nu behandelen, staat er heden ten dage niet meer. Ook op de oudste kadastrale kaart komt hij niet voor, zelfs geen huisje, wat inhoudt dat alle bebouwing reeds voor 1832 voltooid verleden tijd was. Op de Statenkaart van 1735 staat de boerderij, weliswaar kleiner getekend dan de omliggende, luid en duidelijk en ook op de Oudbildtkaart uit 1570 is hij niet te missen. Pachter was toen Pieter Gerbrantsz. Nu werken we terug in de Bildtrekeningen en zo komen we in 1536 uit bij Aert van Gelre die 23 morgen en 422 roede land pachtte. De boerderij hier en die van vorige week waren dus in die tijd nog een. In 1574 – en dus na de Allerheiligenvloed van 1570 – was die oorspronkelijke plaats in twee handen overgegaan en is er een huis en schuur bijgebouwd. Na die bijna alles verwoestende stormvloed is alles mogelijk. Sommige boerderijen werden letterlijk weggevaagd (zoals we over enkele weken zullen meemaken). In 1574 vinden we hier Joris Arisz met 11 morgen en 511 roede. Hij was dat jaar ook pachter van de helft van ongeveer 33 morgen in kavel 51, destijds nog onbedijkt Bildtland, gelegen ten noorden van deze boerderij en van OBD 1127. Uit een krabbel in stukken over het Franeker land, blijkt dat Joris in 1593 hier nog pachter was en wel van ± 12 morgen Oudbildtland.

 

“Duisent roeden”

De overgang naar de Bildtrekeningen van 1629 zorgt ook hier weer voor moeilijkheden, want nergens in de buurt vinden we een plaats van ongeveer 12 morgen land. Wat we wel uit de hypotheekakten opdiepten, is dit: “14 April 1613 – Cornelis Hendrijckx van Gelder, Jacobs gebuijrte en mr. Aene Sipkes notaris publiq en curator over Trijn Feijckesdr, geadsisteerd met Allert Cornelis haer man en in dier qualiteit erfgen[amen] van wijlen Hendrick Cornelis en Grijet Sijmensdr in leven egtelieden, hebben overgedragen aen Aert Hendrijckx mede erfgen[amen] van gemelte egtelieden de bruijckma van 6 morgen nieuwe bedijckte Billanden met 1000 roeden oude bedijckte Billanden; hebbende de Oude Dijck ten suijden, Jan Jobs ten oosten, Hotze Douwes ten westen; daertoe verkoft hun huijsinge, schuere, luttickhuijs cum annexis op de 1000 roeden staende; ijder mg voor 484 caroligulden en 17 stuivers, de huijsinge cum annex daerin gerekent.”

Bij de plaats in bovenstaand stuk van 14 april 1613 behoorde dus nog maar 1.000 roede (is 1 morgen en 400 roede) Oudbildtland en 6 morgen aan de overzijde van de Oudebildtdijk. Mocht de akte betrekking hebben op de boerderij die wij hier nu behandelen (en dat veronderstellen wij, maar we hebben geen bewijs), dan waren in 1629 Abert Cornelis en Hendrik Cornelis Gelder de pachters van deze duizend roede. Ook wordt Hendrik Cornelis Gelder genoemd als mede-pachter van Nieuwbildtland (kavel 51). Het pachtrecht van de duizend roede en de eigendom (van de bebouwing daarop staande) ging in 1639 over naar Job Cornelis en ook hij was destijds pachter van nieuw bedijkt Bildtland.

Rond 1700 werden de broers Freerck Willems en Jan Willems eigenaar van dit stukje Oudbildtland. Zij woonden zelf op andere boerderijen, respectievelijk OBD 1145 en 1127, dus aan weerszijden van deze hier. Volgens de Statenkaart van 1735 werd de duizend roede gepacht door de weduwe Jan Willems en in het register van 1737 staat zij omschreven als Aefke Clases, weduwe van Jan Willems.

Daarna is er niets meer bekend van deze boerderij. De duizend roede werd in 1752 door de Staten van Friesland verkocht, kennelijk zonder huis en schuur. Het land zal bij een van de omringende plaatsen zijn gevoegd.

De boerderij stond tegenover OBD 1134, dus direct ten westen van Gerlof Jensma die volgende week aan de beurt is. En dat is alles wat we weten.

 

Terug naar Groot Mahu

We hebben in aflevering 5 beloofd om nog terug te komen op het boelgoed van Willem Johannes Swart, boer op Groot Mahu in de jaren 1869 – 1903 en omdat we hier dus een abrupt einde van een boerderij meemaken, duiken we deze week in de boerenwereld van genoemde Willem Johannes Swart. Van hem is bekend dat hij net als zijn broer Jouke (boer te Klooster Anjum), in zijn vrije tijd veel aan houtbewerking deed. Het blijkt uit onderstaande opsomming. Ook komt naar voren dat er een vogelliefhebber op Groot Mahu heeft gewoond. We citeren uit de Bildtsche Courant.

 

“Boereboelgoed te St. Jacobi-parochie.

De Notaris H. de Koe te Sexbierum zal Donderdag 21 Maart 1901, ’s morgens 9 uur, ten huize van den Heer W.J. Swart, op ‘Groot Mahu’ in den Westhoek onder St. Jacobi-parochie, à contant, bij boelgoed verkoopen:

Een best gezond beslag rundvee, bestaande in: 6 melke koeien, 10 kalve rieren – w.o. kolosaal groote en zware – 2 hokkelingstieren en 6 suupkalveren, 4 beste werkpaarden, t.w. 2 zwarte ruinen en 2 bruine merries, een zwarte enterhengst, een prachtige St. Bernards-mantelhond met stamboom – gedresseerd en goedaardig – met dubbel nieuw hok, en 8 kippen.

Landbouwgereedschappen, best onderhouden en solied, als: kapwagen met glazen, 3 hooiwagens met nieuwe Amerikaansche ladders en dito esschen raamten, 4 aardkarren, waarvan 2 met groote koolzaadbakken, sterke schroot-klaverwagen met ijzeren assen, dissel en stokraamt, losse dissels, enkele en dubbele wagentouwen, eggekettingen enz., zware landrol, 2 ijzeren ploegen, nieuwe exterpator, verschillende soorten eggen, vlasknopbreker met vliegwielen voor hand- of machinale beweging, dito aardappel- en bietensnijder, groote graandwinde met stel zeven en kast, kleine dito, 4 roepelbanken, Deensche karn, schapen- en varkenstroggen, 12 zinken graanzeven, 2 lange aardappelzeven, met verschillende soorten losse raamten, houten dito, schoppen, stel wielen met Collingsassen, 40 nieuwe ¾ met ijzer beslagen kruideelen, vele andere dito, 4 polderkruiwagens, 4 gewone kruiwagens, w.o. 2 groote voor mest, 8 M. nieuwe zware breede Amerikaansche mestplank en andere dito, losse battings en planken voor barten, 9 open petroleumvaten, 200 aardappelbakken, boorstokken, houken, groote collectie Amerikaansche vorken en grijpen, harken, graanmaat, evenaar met schalen en 100 K.G. gewicht, nieuwe bascule voor 200 K.G. gewicht, 80 hennipen graanzakken, 200 M² dito roepelkleed, massa aardappel- en klaverzaadbalen, dubbele en enkele gereiden met hoofdstellen en toomen, zeildoeken, hamen, leidsels, klauwen, koekettingen enz. enz. te veel om op te noemen.

Timmergereedschap, als: kunstdraaibank met spring-, ovaal-, snij- en slingerslagbeweging, met vele beitels en instrumenten, groote spijkerkast met laden en glazen deuren, groote schaafbank met 2 houten schroeven, bankschroef met bank, slijpsteen, schaven, beitels, zagen, w.o. groote cirkelzaag enz.

Groote kanarievlucht met echte Saksische kanarie’s, prachtige volière met cilinder voor eten en drinken, losse kooien, kippe- en eendestekken – 1.90 M. bij 1 M. – grenen raamten met vlechtwerk, samen 60 M. lang, 2 groote 5 M. lange latten-eendenstekken met hoeken en overloop, benevens 30 grenen palen in kokers en kippestulpen, – alles zeer solied en doelmatig.

Meubelen: best eikenhouten kabinet, stoelen, vulkachel, hanglamp, lantaarns, koperen ketels, pannen, theegoed, blik- en aardewerk, tobben, vaten, emmers enz.

Eindelijk nog 4 à 5000 schoven dekriet, klamp los stroo en wat meer ten verkoop zal worden aangeboden.

Op de zathe bestaat geen gelegenheid tot stalling, doch wel in de onmiddelijke nabijheid bij T.W. de Groot.

Koekdischen en kramen zullen op of bij het erf ten strengste worden geweerd.”

 

De toestand der Bildtse landbouw in 1855

Dat gaf net een prachtig beeld van wat er zoal op een boerenboelgoed van begin 20ste eeuw te koop werd aangeboden. We citeren ter lering en vermaak nu nog enkele feiten en weetjes uit het “Verslag van den toestand der Landbouw in de gemeente Het Bildt over den jare 1855.

De koopwaarde der Landerijen was hooger dan in het vorige jaar, en te oordeelen naar de enkele perceelen die verkocht werden, kan zij gerekend worden van ƒ 1200,00 tot ƒ 1800,00 per bunder wat het bouwland, en van ƒ 1500,00 tot ƒ 2000,00 per bunder wat het weiland betreft. De huurprijzen beliepen van de losse landen van ƒ 100 tot ƒ 150 per bunder, en van de beslotene boereplaatsen ƒ 60 à ƒ 80 per bunder.

De uitkomsten van den landbouw waren, even als ten vorige jare, over het algemeen verblijdend, ofschoon het grasgewas veel te wenschen overliet; bij eenen gunstigen oogst verkreeg men hooge prijzen voor de producten. Er heerschte ook thans weder, hoewel in geringe mate, eenige ziekte onder de aardappelen, terwijl de opbrengst schaarsch was.

De hoeveelheid bebouwd land in bundertallen,  en de soort der gewassen waren over 1855, als volgt: Rogge 266; winter-garst 516¾, zomergarst 66½, haver 564¾, tarwe 549½, winterkoolzaad 536¾, zomer-koolzaad 18¾, vlas 574¼, lijnzaad 574¼, paardeboonen 414½, groene erwten 212¼, graauwe erwten 5¼, aardappelen 667¾, klaverzaad 71½, cichorei 67, kanariezaad 62¾.

Buiten het bebouwde lag er 85½ bunder braakland.

Het weiland beliep een getal van 1257, het hooiland van 1223¼ bunder. De toestand van den veestapel was in onze gemeente eveneens gunstig, en het slagt- en melkvee bleef duur in prijs. De besmettelijke longziekte heeft zich alleen voorgedaan op de stallen van Arjen Baukes Lettinga en Gjalt Annes van der Meer, beide te Vrouwen-Parochie. De onderlinge veewaarborg-maatschappij in deze Gemeente, opgerigt bij notariële akte van den 26 September 1854, beantwoordt aan de verwachting, en heeft een ingeschreven kapitaal van plus minus ƒ 120.000,00.

Volgens de in de laatste week des jaars gedane telling, waren toen in de gemeente aanwezig: 1311 paarden, waarvan 2 hengsten, 676 ruinen, 578 merriën en 55 veulens. 2763 runderen, waarvan 10 stieren, 6 slagtossen, 2052 koeijen en 695 kalvers. 2137 stuks schapen, 238 varkens en 25 bokken en geiten, voorts 2567 hennen en hanen, 737 eenden, 477 paar duiven, 12 zwanen, 0 ganzen, 10 kalkoenen, 8 paauwen en 15 tortelduiven.”

Kukelekuu! Nu vliegen we vijftig jaren richting heden en belanden net na het begin van de 20ste eeuw.

 

De toestand der Bildtse landbouw in 1905

“De algemeene toestand van den landbouw was in 1905 wat de uitkomsten van den oogst en den veestapel betreft, vrij gelijk aan die van het voorgaande jaar. De ritnaald, larve eener kniptor, kraaien, rupsen en musschen, richtten aan sommige gewassen eenige schade aan. Overigens werd, voor zooverre bekend, geen schadelijke gedierte aangetroffen. In de aardappelen kwam de bekende en in de haver de gewone ziekte voor.

Het afgeloopen jaar was finantiëel voor den landbouwer gunstiger dan en voor den zuivelbereider, veefokker en vetweider vrij gelijk aan het voorgaande jaar. Nieuwe gewassen werden niet ingevoerd.

In deze gemeente bestaan twee stoomzuivelfabrieken, die, naar men verneemt, gunstig werken.

Toepassing en invoer van nieuwe werktuigen en veerassen, kwamen, voor zover bekend, niet voor; alleen voor veredeling van het paarden- en rundveeras werd iets van beteekenis gedaan, terwijl het gebruik van dorschmachines en kunstmeststrooiers voortdurend toeneemt. Het gebruik van kunstmeststoffen neemt meer en meer toe.

De koopprijzen van bouw- en weilanden waren iets hooger dan in 1904. Voor in 1905 in het openbaar verkochte landerijen is de prijs geweest als volgt: van ƒ 1300 tot ƒ 2100 per hectare het bouwland; van ƒ 1500 tot ƒ 2300 per hectare het weiland. De huurprijzen van losse landen bedroegen van ƒ 80,- tot ƒ 120,- en van beslotene plaatsen of boerderijen van ƒ 70,- tot ƒ 100,- per hectare.

De afdeeling ‘het Bildt’ der Friesche Maatschappij van Landbouw telt 136 leden en beantwoordt zooveel mogelijk aan haar doel. Tentoonstellingen werden niet gehouden.

Te St. Anna-parochie ving in het najaar een winterlandbouwcursus aan waaraan 16 leerlingen deelnamen. Het onderwijs werd gegeven door het hoofd der school aldaar, den heer W.A. van Dijk, die in het bezit is van de landbouwakte.

Getal met granen en handelgewassen bebouwde hectaren: tarwe 395, rogge 44, wintergerst 279, zomergerst 14, haver 327, boonen 110, erwten 419, aardappelen 1692, suikerbieten 383, winterkoolzaad 15, karweizaad 5, kanariezaad 234, cichorei 9, vlad 493, mangelwortels 95, roode klaver 182, witte klaver 106.

Er bestaan alhier boomgaarden, hoofdzakelijk van vrucht- en ooftboomen, tot een getal van 49 hectaren.

Er waren in de laatste week des jaars aanwezig 1520 paarden, waarvan 1120 boven en 400 beneden 3 jaar, 39 springstieren, 2248 melkkoeien, 2053 kalveren, pinken en hokkelingen, 183 stuks mestvee, 1884 schapen, 308 geiten en bokken en 289 varkens.”

Het verslag van de gezondheidstoestand van de veestapel over 1905 laten we hier achterwege.