BILDTSE PLAATSEN – nr 47 – Ouwedyk teugenover 82-80 en 81

Douwe Zwart – Bildtse Post, 23-11-2005

 

Verdwenen boerderij

Op de beroemde kaart van Jan Jansz Coster van 1570 staan tussen de Attesweg en het Roodpad acht boerderijen getekend. Op de kaart van Schotanus van 1694 vinden we tien bouwsels op hetzelfde traject. Op de Statenkaart van 1735 tellen we zes boerderijen. Dat is hetzelfde aantal als op Eekhoffs Bildtkaart van 1852. Anno 2005 zijn er slechts vier.

Tussen OBD 85 (zie 500 x 52 van vorige week) en OBD 81 (is straks aan de beurt) heeft, toen de Bildtse navel nog op kniehoogte zat, een boerderij gestaan. Hij stond tegenover OBD 82-80. In de Bildtrekening van 1527 en 1536 komen we geen pachter tegen, maar in 1547 wel. We veronderstellen nu dat het land voor 1547 bij een boerderij hoorde die ten noorden van de oude spoorlijn (nu fietspad) stond, dus even ten noorden van Vrouwenparochie. Pachter van die plaats was in 1527-1536 Aelbart Dircksz (ruim 23 morgen). Voor 1547 trad er dan een splitsing op en werd Joost Minnesz pachter van precies elf morgen. Op die elf morgen werd, aan de Oudebildtdijk, een boerderij gebouwd. Joost Minnesz pachtte er geen Buitenbildt bij. In 1554 was Cornelis Mijnthiesz pachter van de genoemde elf morgen. Voor 1566 ging dit plaatsje ook nog eens in tweeën: oude Adriaen Joostsz pachtte 7½ en Kempo Sijtsz pachtte 3½ morgen. Op de kaart van 1570 staat bij deze boerderij de naam Mintie Wijgers opgetekend als gebruiker. Hij staat in de Bildtrekening van 1574 inderdaad te boek als pachter van 7½ morgen Oudbildtland. De overige 3½ werd toen gepacht door Sijbrant Petersz de jonge.

Op de Gabbemakaart prijkt ook de naam van Mijntge Wijgersz als pachter van Oudbildtland. Hij pachtte destijds maar liefst 32 morgen. Waaruit dit morgental is opgebouwd, weten we niet. Het lijkt aannemelijk dat de elf morgen is opgeslokt door OBD 81 (zie hieronder). Een nader onderzoek zal dat moeten uitwijzen. De bebouwing is na verloop van tijd is afgebroken, zoals straks zal blijken.

 

Hooghout

Het schijnt – maar meer ook niet – dat de stemhouder van de oostelijker gelegen boerderij voor de helft stemhouder was van deze plaats. Boijen Abes was de pachter en de andere helft van deze verdwenen plaats werd gepacht door Cornelis Jansen IJssel. Ook deze IJssel had elders onder Vrouwenparochie nog een boerderij in pacht. Zeer waarschijnlijk woonde IJssel daar. De verdwenen OBD-plaats was toen reeds los land bij Boijen Abes en Cornelis Jansen IJssel in gebruik en de bebouwing werd waarschijnlijk gebruikt als arbeiderskamers of was verworden tot een gardenierswoning. In 1670 was de stem die op deze plaats rustte in handen van “Boijen Abes wedue en d’erven ende Cornelis Jans Issel elx de helft”.

Volgens het kohier van 1698 was de stem “caduc”, d.w.z. dat of de bebouwing gesloopt was of dat er te weinig land bij de bebouwing behoorde. Wij denken dat alles gesloopt is, want op de kaart in de Schotanusatlas van 1694 treffen wij niks aan. Ook uit een proclamatie-akte van 1710 worden we gewaar dat deze boerderij er niet meer stond en als dat niet genoeg is: op de Statenkaart van 1735 is ie foetsie!

Maar op de Bildtkaart uit de atlas van Eekhoff van 1852 zien wij iets dat van belang is. Atlaskaarten bevatten vaak aanvullende informatie, zoals aanduidingen of namen van vaarten, wegen, boerderijen enzovoort. Nu blijkt dat er anno 1852 over de Oudebildtdijkstervaart, tegenover de plek waar bovengenoemde boerderij heeft gestaan, een hooghout lag. Dat is dus een houten loopbrug die bovendien hoog was (wegens het verkeer over het water). Vanaf het hooghout liep een loop- en gangpad kaarsrecht naar Vrouwenparochie. Het kwam uit ten oosten van de kerk. (Het laatste stuk liep precies waar nu de scheiding tussen het ijsbaanterrein/kaatsveld en het voetbalveld ligt.) Dat reeds lang verdwenen kerkpad was met het hooghout dan een echootje van de boerderij die hier ooit heeft gestaan.

 

Oudebildtdijk 81

Vlak ten oosten van het verdwenen hooghout stond tot 1845 een boerderij. Nu staat er een huis, Oudebildtdijk 81, even ten westen van de doodlopende betonreed (suikerbietenopslagplaats). In 1527 was de weduwe Aewout Claesz hier pachter van een omvangrijk complex. Zij pachtte maar liefst ruim 43 morgen Oudbildtland. We mogen veronderstellen dat haar man reeds eerder dit land pachtte. De plaats versnipperde voor 1536. In 1536 pachtte Pieter Jacobsz hier nog maar 15 morgen en 62 roede. Ruim negentien morgen ging naar de destijds nieuw gestichte, oostelijker gelegen boerderij (OBD 63 – volgende week meer daarover) en de rest gaan we verder niet op in. Voor 1547 verwierf Pieter Jacobsz het pachtrecht van ruim elf morgen van Claes Cornelis anden Dijck die twee boerderijen oostelijker woonden (nu ook reeds lang verdwenen). Die koop resulteerde in een plaats met 26½ morgen Oudbildtland. In 1554 was Pieter Jacobsz hier nog steeds pachter. Voor 1566 nam Thonis Eeuwouts het pachtrecht van 7½ morgen van hem over. Hij woonde op een boerderij ten noorden van de voormalige spoorlijn. Het restant (19 morgen, 74 roede) werd in 1566 gepacht door Jelte Mijntges. Hem vinden we als Jelte Mijchiels op de kaart van 1570 opgetekend. Hij was de gebruiker van de boerderij die we nu behandelen. In 1574 was alles nog eender.

Dan hebben we de radiostilte tot 1629, maar ook na 1629 geeft de ontvanger geen kik, zelfs geen ruis. Tot aan 1655 weten we helemaal niks. Dit komt mede doordat deze plaats in 1638 niet door de Staten van Friesland werd verkocht. Met het stemkohier van 1655 in de hand hebben we weer beet. Pachter was Boijen Abes. Hij trouwde in 1650 met Maartje Barthouts. Zij was een dochter van Barthout Dirck Willemsz, boer aan de Oudebildtdijk onder St.-Jacobiparochie (nu Middelweg-west 230, Hans Hildarides). Dit trouwen gebeurde in de kerk van St.-Annaparochie. Het echtpaar kreeg twee kinderen: Beert en Aeltie. Omdat Aeltie op 7 maart 1652 in de kerk van Vrouwenparochie is gedoopt en omdat Boijen Abes niet voorkomt in het stemkohier van 1640, mogen we stellen dat Beert Boijens hier na 1640 en voor 1652 is komen wonen. Uit een morgentalregister van 1674 blijkt dat Boijen Abes 31 morgen en 549 roede Oudebildtland pachtte.

 

Kerkepad

In 1698 waren zoon Beert Boijens en schoonzoon Arjen Clasen stemhouders van deze plaats die toen bestond uit 36 morgen Oudbildtland waarvan 26½ direct bij de boerderij aan de OBD en 9½ ten westen van en aan de Attesweg (ten noorden van de huidige begraafplaats). De erfgenamen van de zoon en schoonzoon verkochten de plaats in januari 1728. We citeren een hypotheekakte: “Sjoukje Beerts weduwe Cornelis ’t Hoen te St. Anna parochie voor 26/36 gerechte part en Joris Aarjens te Hilaard, Hendrikje Aarjens vrouw van Harnt Aesges meester brouwer te Oude Bildt zijl, Boijen Aarjens en Jan Martens de Vries als curatoren over de nagelaten kinderen van Jacob Aarjens en Jentje Ockes, te samen voor 10/36 gerechte part, verkoopen aan Dirk Jarigs huisman onder St. Anna parochie een sathe old gepacht State Billand met eigendom van huis en schuur en plantagie en de bruickwaar van 36 morgen land aan de oude Dijk onder Vrouwen parochie, hebbende de 26½ morgen de old en substituut grietman jonker Willem van Haren ten oosten, Pijter Aarjens ten zuiden, Sijberen Heins ten westen, de Oude dijk ten noorden en de 9½ morgen bij ’t out hof aan de Middelweg, de gedagte weg ten oosten, Gerrit Aarjens en Gerrit Harmens ten zuiden, de heer Gonggrijp ten westen en Aart Stevens ten noorden; belast met een kerkepad en onderhoud van een hout over de vaart, zooals ’t bij wijlen de bijsitter Beert Boijens is beseten geweest; voor 214 caroligulden ’t morgen, te aanvaarden meij 1728.”

N.B. Daar is weer ons hooghout en kerkpad van de hiervoor beschreven verdwenen plaats!

 

Brood en wijn

Dirk Jarigs woonde onder Oudebildtzijl maar was in 1701 gedoopt in de kerk te Vrouwenparochie. Hij trouwde in hetzelfde Godshuis in november 1723 met Jannigje Jans. Ze lieten zes kinderen onder wie zoon Jarig, dopen, alweer in dezelfde kerk, maar het zevende, dochter Wopkjen, niet. De ouders waren ondertussen doopsgezind geworden. De kinderen Jarig en Wopkjen bezaten in 1737 respectievelijk 10/36 en 26/36 deel van de plaats, waarvan nog altijd bijna tien morgen aan de Attesweg lag. Dochter Wopkjen Dirx trouwde in januari 1729 met Sijds Bockes. Hij kwam van Dronrijp. Het echtpaar kreeg onder meer een dochter IJmkjen. Ook Wopkjen maakte de overstap naar de doopsgezinden, getuige het lidmatenboek: “Den 20 maijus 1740 is in onse gemeente voor lidmaat opgenomen en de christelijke waterdoop ontfangen Sijds Bockes. En zijn huisvrouw Wopkien Dirks is op den zelfde datum in haar eigen huis uit swakheit met den Chr. waterdoop bedient. En heeft den 23 dito brood en wijn insgelijks in haar eigen huis genuttigt, en dus voor een lidmaat onder ons gemeente aangenoomen.” Ze is niet van haar ziekbed genezen; Wopkjen overleed op 8 juli 1740. Haar weduwnaar Sijds Bockes bleef pachter (voor 313 caroligulden en 12 penningen per jaar). Hij hertrouwde in 1745 met Marijke Clases en verhuisde voor 1748 naar de boerderij Kronenburg ten oosten van en aan de Koudeweg, ten zuiden van de Middelweg.

In 1752 verkocht de Staten van Friesland het overige Oud Bildt dat tot dan toe nog steeds Statenland was geweest. IJmkjen Sijdses, de dochter van Sijds Bockes en Wopkjen Dirx, kocht de 36 morgen voor 6.260 caroligulden, 15 stuivers en 8 penningen. IJmkjen trouwde in 1757 met Cornelis Teunis die nu de gebruiker werd. Met hem zijn we beland bij de oervader van de familie Krap. IJmkjen overleed in 1767. Ze was moeder van twee kinderen: Teunis en Sijds. Deze beide zonen waren met hun vader elk voor eenderde deel eigenaar van de plaats. Vader Cornelis Teunis was de gebruiker. Zij waren ook gedrieën eigenaar van Kronenburg. Daar woonde zoon Teunis Cornelis Crap. De boerderij die we hier beschrijven werd in 1808 verkocht.

 

Een muzikale boer?

We citeren: “Op heden den 18 november 1808 hebben wij Dirk Fransz lid van ’t gemeente bestuur van ’t Bild geadsisteerd met de secretaris E. van Loon ons vervoegt ten sterfhuize van wijlen Cornelis Teunis Crap, in leven huisman onder Vrouwenparochie, na alvorens de sloten door ons bezegeld en ontzegeld te hebben, en zulks ten verzoeke van Gerrit Willems en Dirk Jans in qualiteit als geauthoriseerde curatoren.” Het was inventariseren geblazen.

“In de voorkamer: 4 bedden met hun toebehoren, 2 emmers, een koffijketel, 2 handketels, 1 …bekken, 2 paar gordijnen, 6 haaken, 1 … blad van een tafel, 2 cabinetten met het geen er op staat, 1 laadtafel, kasje en tafel, 1 spinwiel en haspel, 2 linnen zakken met lepels, eenige goederen die op de tafel staan, 1 spiegel, 3 trompen, 1 strijkijzer, 1 asch… met eenige rommeling, 15 stoelen, 1 roede, 1 gordijn, 2 kasten, procelein.

In de tweede kamer: 1 zilveren brandewijns kop, 3 dito lepels, 1 klok, 1 kasen stolp, 2 paar beds gordijnen en roeden benevens 2 glas gordijnen, 1 laadtafel, 1 bugel, een bakje met porcelein, porcelein op de kast, drie tafels, porcelein op de schoorsteenmantelen, pannen op de bedriggel, pannen, tinnen schotels, eenige pannen aan de muur, tang en haak, vuurhaardtje, 1 stoof, eenige stoven, vergers en scherm, tabaks…, komfoor.

In de gang: meelvat, schalen met gewichten, steengoed, bank, trap en planken, steengoed en teems, een karn met zijn behoren, eenige rommelingen, twee …n in tijn, een verfpot, 4 gootlingen en 1 pot, ketel, koekpan hangijzer, pannen, messen en vorken, 3 houten emmers, 2 potten, 4 emmers, 2 luiwagens en tafel, 4 stoelen, turfkorf en …, 1 ijzeren pot, ketting, tang, kees goed, koperen ketel, 1 lijn, 1 botermand.” De totale waarde was ƒ 592-11-0 (respectievelijk caroligulden, stuivers en penningen).

Op 7 december 1808 volgde de “nadere tauxatie van de levende have, bouwboer en koemelkersgereedschappen: agt koeijen en twee hoklingen ƒ 444-0-0; zes paarden ƒ 375-0-0; negen schapen ƒ 71-0-0; hennen met een haan ƒ 6-14-0; wynne ƒ 33-0-0; dorsrol ƒ 100-0-0; snijbank ƒ 14-0-0; l…s ƒ 14-0-0; kruiwagens ƒ 14-0-0; wannen ƒ 3-0-0; schoppen ƒ 5-0-0; zeeven ƒ 13-0-0; harken ƒ 9-0-0; verken ƒ 10-0-0; … ƒ 9-0-0; rottevalle ƒ 5-0-0; halflopenen kist ƒ 6-0-0; kisten ƒ 13-0-0; zakken ƒ 40-0-0; hooijroeden ƒ 6-0-0.”

We laten nog enkele zaken passeren: “leijen, gereid, chais, kruiwagen met misplanken, drie eerdkarren, kandrol, twe ploegen, touwen, eggen, eggen, varkenstrog en slijpsteen, parssen en egge sleep, rommelingen, rommelingen, rommelingen, vat en oud ijzer, rommelingen, hoofdstel, hamen, leijen, bijlen, leppen, zaal, drie wagens, wigten en schalen, karnmolen, hooij, koekettings, polsen, lantaarns, twee en een half varken ƒ 95-0-0; aan vleesch ƒ 69-0-0 en aan aardappels ƒ 30-0-0.

Totaal ƒ 2.327-14-0.”

Een bugel? Was Cornelis Teunis Krap muzikaal? Waarschijnlijk was hij een liefhebber van jagen.

In 1811 woonde hier Gaele Riemers Riemersma. Hij bemeierde de plaats en was hier in 1808 komen wonen met zijn tweede vrouw Grietje Gerrits en zijn kinderen.

 

Ganghout

In 1811 verkochten de erven Cornelis Teunis Krap de plaats. We halen gedeelten aan uit de koopbrief: “(…) verklaren publijk bij strijkgeld verkochte te hebben aan Neeltje Sijberens weduwe wijlen Sijbe Arjens, erfgezeten onder Vrouwenparochie voor negentien drievierde morgen en aan Reinder Tietes en Rensje Cornelis Crap echtelieden onder voornoemden dorpe voor zes eentweede morgens en alzoo gezamentlijk voor het geheel, zekere heerlijke en vrugtdragende zathe en landen met huisinge, schuur en hovinge, bomen en plantagie groot naar naam en faam zes en twintig en een vierde morgen zoo bouw als greidlanden, staande en gelegen op het oudbildt onder Vrouwenparochie, zijnde de huisinge gequoteerd met no. 119 bij de kinderen van wijlen Cornelis Teunis Crap in gebruik, op den 12 mei 1811 vrij aan te vaarden, exempt de landen welke zijn toegezaaid, en die niet voor de nazomer 1811 zodra de vrucht eraf is kunnen worden aangevaard.”

Met andere woorden: Neeltje Sijberens Brolsma kocht 19¾ morgen. De rest ging naar boer Reinder Tietes en boerin Rensje Cornelis Crap. Zij woonden op het Nieuw Bildt (nu OBD 60, Van der Schaar).

Er worden in de koopbrief vele bepalingen opgesomd waarvan een paar van belang zijn. “Dat de hekken, palen en damleggers aan de verkopers of gebruikers eigen zullen blijven, exempt die, welke het hornleger en de algemeene weg af…ten. Dat de tilbalk en ’t tilhout en verdere losse goederen bij de huisinge en schuire behorende in de koop zullen versmelten. Dat de landen zijn verkogt na de begrotinge zooals bij ieder perceel in de bevoegde staat uitgedrukt, zonder dat er eenige metinge of enige actie van onder of overmaat zal plaats hebben, mitsgaders met reed en drift, en voet en gangpaden, waterlossing en onderhoud van dammen, alles en gelijkvoegen zoo als zulks thans is. Dat deze 26¼ morgen binnen den brug in ’t vervolg ’t gebruik en onderhoud der brug zal hebben. Dat het algemeene ganghout cum annexis over de vaart leggende benevens het algemeene gangpad door de kopers in ’t vervolg zullen moeten onderhouden.”

Daar is ons hooghout weer!

 

Sloop

Koper was dus Neeltje Sijbrens Brolsma. We hebben de afgelopen twee weken het verhaal van haar drie dochters reeds uitgeplozen. Dochter nummer drie, Sijtske Sijbes Sijbesma trouwde in 1827 met Renze Beerts Gelder. Deze dochter erfde de plaats. Het echtpaar Gelder woonde hier echter niet. Sijtske en Renze verhuurden de boerderij en daarvoor werd om de vijf jaar geadverteerd in de Leeuwarder Courant, zoals op 5 oktober 1844: “Notaris Brunger te Vrouwen-Parochie verhuurt in de herberg van de wed. Borger te Oude Bildtzijl voor 5 jaar, twee woningen en onderscheiden percelen bouw- en weiland, samen groot 23-63-40 bunder, uitmakende de zathe van R.B. Gelder, nom uxore op ’t Oud Bildt aan de Oude Dijk onder Vrouwen-Parochie.”

Het boerenhuis was reeds voor 1829 verdeeld in kleinere woonkamers. Bewoners waren toen de werklieden Bauke Gelts Santman, Schelte Hotzes Scheltema en Gerrit Jans Bosch. We hebben het op deze reis langs de boerderijen aan de OBD meermalen meegemaakt: boerenbedrijf wordt beëindigd, schuur gesloopt en het huis wordt gebruikt voor kamers voor arbeiders. Maar doordat er nog steeds enkele hectares land bij het huis behoorde, was er gelegenheid voor een gardenier om zich hier te vestigen. En dat gebeurde ook, zoals we straks zullen zien.

Waar was tussen haakjes de schuur gebleven? Die stond nog overeind, maar niet lang meer, gezien de volgende advertentie in de LC: “Den 18 juni 1845, verkooping door notaris mr. C. Wiersma te Leeuwarden op de zathe van Rinse Beerts Gelder bij Oude Bildtzijl bij boelgoed een grote hoeveelheid afbraak: 5 grote schuurbinten, balken, juffers, planken, kozijnen, 40.000 gele steen, 20.000 bonte en 10.000 rode drieling, pannen, estriken, ijzer, enz. Aan ’t water gelegen.”

 

Bewoners

Renze Beerts Gelder was horlogiemaker te Oude Leije en later gebruiker en mede-eigenaar van de Beetgumer molen. Hij overleed in 1857 te Beetgum. Zijn vrouw Sijtske was hem in 1852 voorgegaan. Veel van het land was ondertussen verkocht. Dochter Attje Renzes Gelder verkocht namens haar zuster en broers het huis (twee onder een kap) met 7,234 hectare land aan Klaas Obbes Wassenaar, bakker te Dronrijp en later te Stiens. Hij was getrouwd met Lijsbeth Eelkes Osinga. Het echtpaar kreeg twee zonen: Klaas en Eelke. Zij erfden het onroerendgoed dat omschreven stond als huis, huis en 2,843 hectare Oudbildtland. In 1925 verkochten zij dit aan Sake Geerts Wijma, arbeider, wonende onder Beetgum. Een jaar later was hij de bewoner.

In 1840 woonden hier arbeider Schelte Hotzes Scheltema (nog steeds) en gardenier Douwe Klazes Landman. Hij was getrouwd met IJtje Tjeerds Klok. Zij kwamen beiden van Vrouwenparochie. Ondanks zijn naam had Landman hier in 1853 twee runderen op stal staan. In 1859 woonde hier een zoon van hun. Hij heette Klaas Douwes Landman en was getrouwd met Froukje Joukes de Jong (kwam van Roodkerk). Anno 1881 was er nog slechts anderhalf hectare land bij de huizen gelegen en treffen we nog slechts arbeiders aan als bewoners. Het is een komen en gaan van De Vriesen, Hoekstra’s, Staperts enzovoort. Rond 1900 zijn de twee woonunits weer herenigd. In 1910 woonde Reinder Bokkes van der Ploeg hier tot 1924. Daarna Pieter Andriessen. In mei 1926 kwam Sake Geerts Wijma hier wonen. Hij was, zoals we hierboven al zagen, de nieuwe eigenaar. Hij woonde hier tot in 1966. Toen kocht Rienk Visser, landbouwer op de westelijker gelegen boerderij, het huis. Hij verkocht het later aan bewoner Sierk ter Horst.

Na Sake Wijma volgden nog als bewoners: Dirk Zittema (1966-1968), Douwe van Randen (1969-1972), Cornelis Min (1972-1976), Sierk ter Horst (1976-1983) en sinds 1983 wonen de eigenaars Johannes D. Bartlema en Ellen Beetsma hier.