BILDTSE PLAATSEN – nr 42 – teugenover Ouwedyk 126 en 111

Douwe Zwart – Bildtse Post, 19-10-2005

 

‘Onser Vrouwen Prochij’

We hebben de plaats van Jan C. Hoogland achter ons gelaten en daarmee zijn we ook de oude dorpsgrens tussen ‘Sint Annen Prochij’ en ‘Onser Vrouwen Prochij’ gepasseerd. Deze liep sinds de dageraad van het Bildt direct ten oosten van OBD 201 kaarsrecht tot voorbij de Súdhoekstermiddelweg en pas in het laatste gedeelte kreeg de grens een ietwat grillig verloop wanneer hij richting het Beetgumer Bos het land van Hessel van Martena doorkliefde.

We dringen dus het oosten van onze gemeente binnen, het gebied van Vrouwenparochie en Oudebildtzijl, van de Hameren, van de Kapershoek, van de molen, van de sluis en van de zoutsloot.

Het gebied waar de meanderende Blikvaart en de slingerende sloten in de nabijheid van de al even kronkelende Oude Rijd ons vaag doen herinneren hoe zij door chaos en toeval, door de onuitputtelijke werking van wind en getijden, ooit, ten tijde van het nog onbedijkte “uijtland gheheten Bil”, zijn gevormd. Zo de Koudevaart voor cultuur staat, zo staat de Oude Rijd voor natuur.

Met het passeren van de grens zijn we tot in de westelijkste kavel van het Oud Bildt onder Vrouwenparochie gevorderd en die noemde men anno 1509 de Jan van Baerendrechtscavel. Deze kavel was 109 morgen groot en werd in het noorden begrensd door de Oudebildtdijk, in het zuiden door de Middelweg, in het westen dus door de bovengenoemde dorpsgrens en in het oosten door de kaarsrechte sloot die ten westen van OBD 111 (Hessel Smits) bijna tot aan de Middelweg loopt. (Tijdens de ruilverkaveling is het zuidelijkste stukje gedempt.)

 

Het kleine plaatsje

We hebben vorige week geconsteerd dat de plaats van Jan C. Hoogland na 1536 maar voor 1547 is ontstaan uit een grotere plaats van ruim 38 morgen Oudbildtland. In de Bildtrekening van 1547 vonden we OBD 219 (Ebbing Sipma) met ruim 25 en OBD 201 met precies 13 morgen op het Oud Bildt. We hebben ook geconstateerd dat Hooglands plaats in 1574 gepacht werd door Baucke Brioeticxz. Deze Bauke met de wonderlijke bijnaam (patroniem) pachtte ook 15 morgen en 63 roede, gelegen aan de Oudebildtdijk onder Vrouwenparochie. Deze landen lagen direct ten oosten van OBD 201 en vormden met andere vanaf het begin van het Bildt een afzonderlijke plaats en die plaats is dus de eerste die wij op onze historische reis onder Vrouwenparochie tegenkomen. Hij heeft gestaan tegenover Oudebildtdijk 126 (nu Sjouke Plantinga).

In 1527 was deze plaats 21 morgen en 434 roede groot. Pachter was Mintge Lieuwes (zeg maar Mijntje). Hij pachtte ook nog ruim 3 morgen ten zuiden van de Middelweg. Op het onbedijkte Bildt had Mintge geen pachtrechten. Hij was vader van tenminste een zoon: Joost. In 1536 was alles nog zo, maar voor 1547 was boer Mintge overleden en was zijn weduwe getrouwd met Fopcke Sipkesz en hem treffen we in de Bildtrekening van 1547 aan als pachter van deze plaats. In 1554 waren er drie pachters van deze landen. Dit duidt op een versnippering. Zoon Joost Mijntgesz staat te boek als eigenaar van het pachtrecht van 13 morgen en 370 roede, Cornelis Jacobsz met 4½ morgen en Griete Zijts met 3 morgen en 363 roede, alles natuurlijk op het Oud Bildt. Dit was in 1566 nog eender, maar de ruim 13 morgen werden toen gepacht door Joost Mijntgesz en Mijntge Joostz. Dat zijn natuurlijk vader en zoon. Dan pakken we de kaart van Jan Jansz Coster van 1570 erbij en ontwaren we ten oosten van de dorpsgrens St.-Annaparochie-Vrouwenparochie een boerderij. De gebruikersnaam die erbij staat luidt Mintzie Juest, oftewel: Mijntje Joost, de kleinzoon van Mintge Lieuwes. Hij pachtte echter volgens de Bildtrekening van 1574 slechts 7 morgen en 470 roede. De andere zes morgen waren in huur bij ene Claes Albertsz. Het kan zijn dat deze verdere versnippering een gevolg is geweest van de Allerheiligenvloed van 1570. Voor 1584 heeft de westelijker gelegen plaats (OBD 201 – Jan C. Hoogland) reeds land onder Vrouwenparochie opgeslokt. Die plaats staat met 28 morgen keurig op de Gabbemakaart van 1584 opgetekend. Van het kleine plaatsje dat we hier nu bespreken ontbreekt op genoemde kaart elk spoor. Misschien te klein om opgenomen te worden? Hoe het ook zij, na de vloedgolven op Allerheiligen 1570 was hier sprake van een boerderij met ruim 7½ morgen Oudbildtland. In 1638, toen de Staten van Friesland zestien plaatsen aan de Oudbildtdijk verkochten, werd Michael Barthoutsz, de pachter van de oostelijker gelegen boerderij (OBD 111 – Hessel Smits), koper van zijn eigen plaats alsmede van het kleine plaatsje van 7½ morgen. Toen in 1640 de stemregisters werden opgemaakt voor eigenerfde boerderijen, rustte op beide plaatsen een stem.

 

Eenmaal, tweemaal, verkocht!

Helaas hebben wij geen namen van pachters kunnen vinden in de tijdspanne 1574-1629 en in de Bildtrekening van 1629 vinden we ook niets bruikbaars, al komt ene pachter met de naam Willem Huiges dicht in de buurt. Maar in 1638 was dus Michael Barthoutsz eigenaar van dit kleine plaatsje dat onderdeel was van 26 morgen en 433 roede land op het Oud Bildt dat hij toen kocht van de Staten. Hij werd in 1600 te St.-Jacob geboren en trouwde rond 1626 met Neeltie Dirck Boijens, een dochter van de steenrijke koopman Dirck Boijens die we hier in 500 x 52 reeds meerdere malen zijn tegengekomen. Het echtpaar kreeg vier kinderen: Tettie, Barthout, Dirck en Trijntie en zij zouden dit kleine plaatsje erven wanneer hun vader de pijp uit ging. Dat liet niet lang op zich wachten want boer Michael werd niet oud. Zijn weduwe, in aktes vermeld als “d’eerbare Neeltie Dirck Boijens” trouwde in oktober 1645 in de kerk van Vrouwenparochie met Cornelis Claes Cornelisz. In 1646 maakten dochter Tettie en de curatoren over de drie nog minderjarige kinderen afspraken met hun moeder en haar nieuwe echtgenoot, over de scheiding van Michael Barthoutsz’ eigendommen. In de akte staat onder meer dat de kinderen een geldbedrag kregen, “in voege dat tot laste en profite van Cornelis Claesz en Neeltie Dirck Boijens, echtelieden, sal comen alle der sterfhuis saken, sathe eigen landen tot 6½ morgen, huisraed, mobile lasten, uijt en inschulden, gelt, golt, silver gemunt en ongemunt.”

Voor 1654 overleed Neeltie Dirck Boijens en de oostelijker gelegen boerderij was reeds verkocht aan jonker Willem van Haren. Neelties tweede echtgenoot kocht toen van zijn stiefkinderen het kleine plaatsje en daar hebben we een proclamatieakte van gevonden: “Rechtsdagh gehouden Maendags den 18 December 1654 – Cornelis Clasen in L. vrouwen parogie begeere bode en consent op de coop van 7½ morgen old billand met de huijsinge, schuire en hovinge cum annexis leggende en staande onder L. vrouwen parogie aende olde dijk, hebbende de erven van wijlen Ed. M. heer Haren ten oosten, de dijk ten noorden, de Rentmeester Viersen ten suiden en Bruijn Gijsberts ten westen, elck morgen gecocht voor 700 gulden vande kinderen & erven van wijlen Neeltie Dirck Boijens (…)”

N.B. Bruijn Gijsberts was de eigenaar van OBD 201 (Jan C. Hoogland).

In februari 1656 kocht jonker Willem van Haren, reeds eigenaar van de oostelijker gelegen boerderij (OBD 111, Hessel Smits), “7½ morgen min 170 roede old billand met de huijsinge, schuire, hovinge en plantagie cum annexis staande en gelegen onder L. vrouwen parochie aende dijk (…) belast met vijf jaren huiringe mits gevende jaarlijx opt morgen voor huir 27 gulden vrij gelt, alsoo gekoft van Cornelis Claes elck morgen voor achthondert caroligulden vrij en gereed gelt.” In 14 maanden 14% winst; dat is handel!

 

Huizen

Geschiedschrijver Hartman Sannes heeft ooit beweerd dat huis en schuur later afbrandden en nimmer weer zijn opgebouwd. Het is waar dat de gebouwen verdwenen zijn, maar wij hebben geen rooklucht van een brand opgemerkt. Het land werd bij OBD 111 gevoegd.

Het eigen kleine plaatsje was in 1640 bij het aanleggen van de stemkohieren een stemgerechtigde plaats. Ondanks dat het kleine plaatsje werd verenigd met de oostelijker plaats, bleef de stem geldig. Criteria voor een stemgerechtigde plaats waren ten minste vier morgen aaneengesloten land met daarop een huis. De oostelijker gelegen boerderij (OBD 111) komt in de stemregisters tot 1788 voor met twee stemmen; het klein plaatsje werd er altijd onder gerekend. We mogen derhalve stellen dat er altijd een huisje heeft gestaan. En dat stond er! Tot 1955!

In de Schotanusatlas van 1694 en op de Statenkaart van 1735 staan twee huizen ten oosten van OBD 201 getekend, op de plek waar ooit de verdwenen boerderij heeft gestaan. Eigenaar in 1735 was Jacob Tjecks. Zijn erfgenamen verkochten in 1756 aan Afke Vosma, de weduwe Nollides “de huisinge cum annexis en een morgen driehondert en twintig roeden oud Bildland, staande en gelegen onder Vrouwen Par. hebbende de heer grijtman jonker O.Z. van Haren ten oosten en zuiden, de vrouwe coperse ten westen en de oude dijk ten noorden, ’t land direct dog de huisinge te aanvaarden op den 12 maij 1756, beswaart met een jaar huiringe.” De weduwe Nollides kennen we nog als eigenaar van OBD 201 (nu Jan Hoogland). Zij betaalde 641 caroliguldens, twee stuivers en zes penningen.

Bij de invoering van het Kadaster in 1832 was er ook nog sprake van twee huizen. Het westerse was een enkel huis, het oosterse een dubbele woning. Het gaat te ver om hier alle bewoners te vermelden. Het westerse huis is in 1885 gesloopt. Het oosterse pand ging in augustus 1955 tegen de vlakte. Laatste bewoners waren Eeltje Folkertsma (westelijke woning) en Cornelis Stienstra (oostelijke woning). De bijgevoegde foto dateert van 1927 (met dank aan Bienze Hoogland).

 

Oudebildtdijk 111

We zijn aanbeland in wat in 1509 de Scout van Delft cavel werd genoemd. Deze kavel was net als de voorgaande 109 morgen groot. Hij werd in het oosten begrensd door de sloot die westelijk van OBD 111 loopt, in het zuiden door de Middelweg, in het oosten door de Attesweg en in het noorden natuurlijk door de Oudebildtdijk. In de noordwesthoek van deze kavel stond in 1527 een boerderij. Pachter van 23 morgen en 561 roede was Cornelis Cornelisz Spronck. Hij was vader van tenminste drie zoons en een dochter: Cornelis, Jan, Willem en IJtgen (zeg maar IJtje). In 1536 was alles nog zo. In 1547 echter waren de landerijen verdeeld en wel als volgt: vader C.C. Spronck pachtte 11 morgen, 561 roede; Jan Cornelis Spronck pachtte 3 morgen en de jonge Cornelis Cornelis Spronck pachtte 8 morgen. Bij deze plaats was geen Buitenbildt in gebruik. In 1554 was zoon Jan Cornelis Spronck pachter van de plaats. In 1566 nog en toen behelsde de plaats 18 morgen en 489 roede. De morgentallen fluctueren nog al, een gegeven dat we bij meer boerderijen aan de Oudebildtdijk onder Vrouwenparochie aantreffen. Op de kaart van 1570 staat deze boerderij getekend en de gebruikersnaam die erbij vermeld staat, is Iti Cornel. Dat moet haast wel IJtgen Cornelis Spronck zijn, de zuster van de eerdere pachter Jan. In 1574 vinden we in de Bildtrekening IJtgen Cornelis Jacobs wed als pachter aangetekend. Dit moeten we lezen als IJtgen (Cornelis Spronck), de weduwe Cornelis Jacobsz. IJtje pachtte toen 16 morgen, 489 roede. Op de Gabbemakaart ontwaren we een boerderij waarbij 14 morgen op het Oud Bildt werd gebruikt en dat is de tweede ten westen de Attesweg. De gebruiker heette Mintje Joosten! Hij was eerder de gebruiker van het kleine plaatsje.

 

Adel

Dan ontbreken de Bildtrekeningen en tastten we ruim veertig jaar in het duister. Pas in 1629 hebben we weer houvast. Toen was Michael Barthoutsz hier pachter. We hebben hem hierboven al leren kennen. De plaats behelsde in 1640 inclusief het kleine plaatsje 26½ morgen Oudbildtland. Zijn kinderen verkochtten de plaats voor 1649 aan Willem van Haren I en zijn vrouw Magdalena van Vierssen. Pachter was Cornelis Claes Cornelisz, de stiefvader van de verkopers. Van Haren was ritmeester en opperstalmeester van graaf Willem Lodewijk. Hij was gedeputeerde uit de edelen in de Staten van Friesland en had zitting in de vergaderingen der Hoogmogenden (Staten Generaal). Hij trouwde in 1606 te Leeuwarden met de genoemde Magdalena. Een zoon van de ritmeester, Willem van Haren II erfde de plaats. Hij was in 1626 te Leeuwarden geboren en in 1652 werd hj grietman van het Bildt. Hij was tevens ambassadeur die van hot naar her vloog om internationale conflicten diplomatiek op te lossen, zeg maar een zeventiende-eeuwse Henry Kissinger. Hij was met zijn vrouw de stichter van de nieuwe kerk te St.-Annaparochie (1686) die heden den dage nog zijn naam draagt. Willem van Haren trouwde in 1658 met Elizabeth van Hemmema (geboren in Emden, Oost-Friesland). Zij kregen in 1661 een zoontje dat echter niet lang leefde. De plaats zou tot aan de Franse tijd in handen blijven van de Van Harens en erven.

Pachter in 1670 was Hermen Jacobsz. Hij betaalde “26 caroligulden het morgen onder aftrek der lasten”. In 1695 woonde hij hier nog. Een zoon van hem, Arien Hermensz was in 1686 getrouwd met boerendochter Neeltie Hendrick Joris, maar hij stierf al gauw. De weduwe hertrouwde in 1696 met Beert Boijens en hem vinden we twee jaar later als pachter van deze plaats. In 1704 woonde hij hier nog. Sjoukjen, een dochter uit Beert Boijens eerste huwelijk, volgde haar vader hier als pachter op. Zij was in 1696 getrouwd met Cornelis Cornelisz ’t Hoen.

In 1708 stierf eigenaar Willem van Haren II aan “een dikwijls herhaald maag kolijk, sampt aanhoudende hoest” te Leeuwarden. Een zoon van Ernst van Haren, een broer van de overleden Willem II, erfde de plaats. Hij heette ook weer Willem. Wij noemen hem Willem van Haren III. Hij werd in 1655 te Heerenveen geboren en is daar in 1683 getrouwd met Frouck van Burmania. Zij kregen zes kinderen. Hij hertrouwde met Rixt Poppe van Andreae. Willem van Haren III was achtereenvolgens grietman van Doniawerstal, Stellingwerf Westeinde en vanaf 1718 van het Bildt.

In 1718 omvatte de plaats 30 morgen en 39 roede land op het Oud Bildt. Er was geen streep Nieuwbildtland bij de boerderij in gebruik. Pachter was – reeds voor 1718 – Romcke Willemsz en zijn tweede vrouw Dieuwke Jochems. Hij kwam van Finkum, zij van Hallum. Ze lieten van 1715 tot 1724 vier kinderen in de kerk te Vrouwenparochie dopen: Willem, Willem, Jochem en Riemke. Vader Romcke was ouderling.

 

Nog meer adel

Jonker Willem van Haren III stierf in september 1728 te St.-Annaparochie. De dochter Eduarda Lucia van Haren erfde de plaats. Zij werd geboren in 1693 te Leeuwarden, trouwde in 1719 te Wolvega met de Groninger Jan van Canter, heer van Ter Borch, zoon van Bartholt van Canter en Florentina Geertruida de Sigers ther Borch. Hij overleed in 1725 te Groningen en liet twee kinderen na: Jan Poppe Andrea en Rixt van Canter. De moeder hertrouwde in 1728 te Eelde met Jan Renith de Sigers ther Borch tot de Vennebroeck, gedeputeerde uit de Edelen in de Staten van Friesland en zij erfde deze plaats en daarom vinden we in het Statenregister van 1737 de eigenaar omschreven als “Eduarda Lucia van Haren, huisvrou van de heer Siegers ½, de selfs kinderen bij de heere Jan van Canter geprocreert ½.”

Voor 1748 kocht Onno Zwier van Haren, ook een kind van Willem van Haren III, de halve eigendom van deze plaats van zijn zusters kinderen en zo waren broer en zus eigenaar. Eduarda Lucia van Haren stierf op 6 maart 1765 te Langweer. Haar kinderen uit het eerste huwelijk erfden nu haar deel in deze plaats. Dat waren dus jonker Jan Poppe Andreae van Canter en freule Rixt van Canter. Zij bleven tot 1798 met hun tweeën voor de helft eigenaar. De andere helft was vanaf 1748 tot 1768 in bezit van Onno Zwier van Haren. Hij werd op 2 april 1713 geboren en een week later gedoopt in de kerk van St.-Annaparochie. Hij trouwde in 1738 te Den Haag met Sara Aleijda van Hulst en was een staatsman in hart en nieren die bovendien onvergankelijke roem verwierf als dichter. Zij kregen elf kinderen. Onno Zwier overleed in september 1779 en werd bijgezet in de grafkelder achter de Van Harenskerk. Een jaar voor zijn overlijden verkocht Onno Zwier van Haren zijn eigendom in de plaats aan Du Tour, grietman van het Bildt. Hij heette voluit Jacob Adriaan baron Du Tour, heer van Warmenhuijsen. Hij was in 1734 gedoopt in Den Haag en was een volle neef van Willem van Haren IV die wel grietman van het Bildt was, maar niet eigenaar van de boerderij die we hier behandelen. Op 24-jarige leeftijd trouwde J.A. du Tour in Den Haag met douairière Anna Catharina Rumpf. Hij volgde van 1763 tot 1780 in de voetsporen van zijn neef als grietman van het Bildt. Zijn weduwe Rumpf verkocht rond 1800 de helft van huis, schuur en 26 morgen Oudbildtland aan Elske Harmens.

 

Boekhouding

Pachter Romcke Willems overleed voor 1728 en zijn vrouw Dieuwke Jogchums werd toen pachter. Voor 1738 was Pijtter Bockes pachter. Volgens de Statenkaart van 1735 lag het land in een lange kavel, lopende ten westen van de boerderij vanaf de OBD richting Middelweg. Slechts een perceeltje lag direct ten zuiden van de bebouwing. Dat was het enige weiland.

Van Pijtter Bockes is niet veel bekend, behalve dat hij een zoon Marten had die zijn vader hier voor 1738 als pachter opvolgde. Zoon Marten Pieter Bokkes trouwde in 1733 met Trijntje Dirks en het echtpaar kreeg acht kinderen. In 1761 stierf boer Marten die toen reeds weduwnaar was, maar het pachtcontract met bovengenoemde eigenaars liep nog en het boerenbedrijf werd gaande gehouden. Er werden curatoren aangesteld over de minderjarige kinderen die erfgenaam waren. Buurman Dirck Willems, huisman aan de Nieuwebildtdijk werd de curator van 1762 tot 1767 en hij hield stipt alle inkomsten en uitgaven bij. Zo hebben we een duidelijk zicht op het reilen en zeilen van een boerderij aan de Oudebildtdijk in de achttiende eeuw. Over de eerste vijf jaren zijn zo’n 400 vellen in folioformaat vol geschreven. We doen een kleine greep. Uit de ontvangsten blijkt dat er geregeld een “half kyntie butter” verkocht werd en dat er verder verdiend werd aan “huir klaverland, schapen, 8 snies eijers, melk, 85½ lopen koolsaad, witte orten, appels, haaver, groene orten, weit, wintergarst, schaapsvel, kalfsvel, 60¼ lopen rogge, klaversaad, somergarst, klein huisje aan de nieuwe dijk, vet kalff, voedpenningen van drie schaapen en vijff lammen, insgelijks voor twee koebeesten.”

Aan de creditkant vinden we bij de aanvang van de administratie posten als “’t schrijven aan ’t testament van wijlen Marten Pijter Bokkes, de be en ontseegeling van de huisinge, huir van het graffkleed over de kist, de doodskist”. Daarna treffen we jaar in jaar uit posten aan als “verdiende loon van cooldorsen, geleevert bier soo in ’t coolsaaddorssen, geleeverde houtwaren, geleeverd ijserwerk, schipvragt, landhuir, geleeverde brandewijn, touw, reparatiën, twee 20 voets juffers, dekgeld van een merrypaard, in boelgoed gekogte beesten en een ploeg, impositie van een koebeest en een verken, geleeverde bouwmaterialen”. Maar ook de vaste lasten, zoals de belastingen marcheren voorbij: “gemeentsomslagen, floreen, hoefpenningen, reëel, speciën, schoorsteengeld” alsmede de kosten van levensonderhoud van de kinderen: “brood, winkelwaren, kostpenningen, schoolpenningen, kleedbare waren, schoenen lappen, geleeverde medicijnen”.

Kennelijk liep het pachtcontract met de erven Van Haren in 1767 af en daarom vinden we de vermelding van het boerenboelgoed: “Den 18en Maij 1767 ontvangen van de heer secretaris en boelgoedontvanger H. Andrea een summa van een duisent vijf hondertvijftig caroliguldens, ses stuivers en vier penningen tot voldoeningen van de bij boelgoed verkogte boere gereedschappen, levendige have, huisgeraden en inboelen en verdere goederen der inventaris.”

 

Familie Tanja

In 1768 werd Jelte Scheltes de nieuwe huurder. Hij was getrouwd met Jetske Gerbens. Zij kwamen van Hallum. Voor 1788 werd Jelte opgevolgd door Dirk Sijdses. Van hem is verder niks bekend. In 1798 waren de weduwe van grietman jonkheer J.A. du Tour voor de ene helft en jonkheer Jan Poppe Andrea van Canter en freule Rixt van Canter gezamenlijk voor de andere helft eigenaar van de plaats. De helft van de weduwe van de grietman kwam in handen van Elske Harmens en zij verkocht dat door aan haar zoon Jarig Piers. Uit de registers van het Bildtse Nedergerecht doken wij een koopbrief van 8 december 1803 op: “Elske Harmens, wedue Pier Dirks, woonagtig onder St. Anna parochie verklaard uit de hand verkocht te hebben aan Jarig Piers en Maartje Johannes Gorter, egte en huislieden onder Vrouwen parochie, seekere gerechte helfte, over hoog en laag van de helft van een voortreffelijke zate en landen groot in het geheel twee en veertig morgen, soo bouw als greidelanden met huisinge, schuure, boomen en plantagie, staande en gelegen onder Vrouwen parochie en St. Anna, bij de koopers als huirders in gebruik, ten eersten de gerechte helfte van ses en twintig morgen op het oude Bild met de quoteele huisinge, schuure, hovinge cum annexis onder Vrouwen parochie (…), ten tweede de gerechte helfte van vier morgen oud Bildland zonder huisinge onder gemelde parochie, ten derden de gerechte een vierde van twaalf morgen op het Nieuw Bildt onder St. Anna makende alsoo over ’t geheel 42 morgen, belast met (…)”

Jarig Piers voerde als familienaam Tania (Tanja) en trouwde op 1 april 1798 met Maartje Johannes Gorter. Zij woonden hier in 1815 nog. Wanneer zij de plaats verlieten, is ons onbekend. In 1827 stierf Jarig Piers Tanja. Een jaar later zeker, maar misschien al veel eerder, was Sijds Pieters Dijkstra de pachter. De St.-Annabuurtster was in 1819 in Menaldum getrouwd met Trijntje Jogchums Bijlsma (geboren te Berlikum). De plaats behelsde in 1828 ruim 29 morgen op het Oud Bildt. Eigenaren waren toen Maartje Johannes Gorter voor de ene helft en de erven van Jan Poppe Andrea en Rixt van Canter voor de andere helft. Dat waren (zet u schrap): Cornel Frederik Sirtema van Grovestins, Elisabeth Cornelia Sirtema van Grovestins, Ottelina Maria Sirtema van Grovestins, Eduard Sirtema van Grovestins, Paul Adolph Sirtema van Grovestins, Anna Maria Sirtema van Grovestins, Louisa Sidonia Sirtema van Grovestins, allen te ’s Gravenhage voor ¼; Willem Anne van Haren te huize Vogelsangh te Veenklooster; A.A.I. Gevaerts van Haren, Sara Adel van Haren, Gijsbert Karel Grave van Hoogendorp, Pieter Willem van Haren Grave van Hohenlo, alle ter ’s Gravenhage en Gabriël Lambert Vidal de St. Germain te Zwolle voor ¼. In 1837 kocht Maartje Johannes Gorter het deel van de Van Harens.

In 1829 kwam Jacob Attes Wiglama hier als meier wonen. Hij was een zoon van Atte Klazes Wiglama en Sjoukje Johannes Gorter; de eigenares was dus een tante van hem. Hij overleed hier op 52-jarige leeftijd op 5 oktober 1851 “des voormiddags 3 uur”. Hij was ongehuwd. Zijn broer Johannes Attes Wiglama woonde de laatste jaren bij hem in, maar vertrok in 1852 naar Vrouwenparochie (Waling Dijkstrastraat). Toen kwam een Hoogland hier wonen.

In 1832 stond hier een boerderij die we niet mogen betitelen als een winkelhaak noch als een kop-hals-romp. Volgens de Statenkaart van 1735 was het wel een winkelhaakplaats, met de schuur evenwijdig aan de Oudebildtdijk en het huis op het zuiden. De rechtehoek wees naar het noordoosten. Nu lijkt het alsof tussen 1735 en 1832 de schuur naar het oosten toe werd verlengd, zodanig dat de bebouwing anno 1832 eruit zag als een T-balkboerderij. De noordmuur van de schuur stond (en staat) bijna in de wal van de Oudebildtdijkstervaart.

 

Hoogland en Smits

De Hoogland in kwestie heette Pieter Johannes Hoogland en werd in 1823 onder Vrouwenparochie geboren. Hij was een zoon van Johannes Pieters Hoogland en Jetske Johannes Hoitsma, boer en boerin op Overzicht (nu Nieuwebildtdijk 141, Oudebildtzijl). Pieter Johannes Hoogland trouwde in 1857 in het toenmalige gemeentehuis in St.-Annaparochie (nu onder meer Van Harenstraat 3, advocatenkantoor Meijer) met Aaltje Roelofs Schuiling, een dochter van de doopsgezinde predikant van Oudebildtzijl en een zuster van Roelof Roelofs Schuiling, landbouwer in de Westhoek (OBD 1127, Sjoerd Jensma; zie 500 x 52, aflevering 6). Hoogland was eerst waarnemend landbouwer op Zeldenrust (Roodpad 7, Henk Stienstra) geweest voordat hij hier kwam. Het echtpaar kreeg zeven kinderen (een jong overleden).

Toen de eigenares Maartje Johannes Gorter in 1857 overleed, kocht Pieters vader, Johannes Pieters Hoogland de plaats. Hoogland senior overleed in 1880 op hoge leeftijd te Stiens. De drie nog in leven zijnde kinderen erfden de plaats en bij boedelscheiding werd zoon Pieter eigenaar.

Pieter Johannes Hoogland bleef hier wonen tot aan zijn dood in 1902. Zijn vrouw Aaltje Roelofs Schuiling verhuisde daarna spoedig waarna zoon Klaas Pieters Hoogland (geboren 1866) het bedrijf overnam. Hij was eerst in 1900 getrouwd met Maaike Heins van der Leij (geboren te Hallum). Het echtpaar kreeg vier kinderen: Pieter, Renske, Aaltje en Hein. Op 27 december 1911 overleed de moeder. Er woonden daarna dienstbodes in bij boer Hoogland en zijn kinderen. De laatste in de rij van dienstbodes was Pietje Pieters Hesseling (geboren in 1875 te Blija). Zij werd in januari 1915 Hooglands tweede vrouw. Onderwijl vlogen drie van de vier kinderen uit. Vader Klaas Pieters Hoogland overleed in 1932. Zoon Hein en vaders tweede vrouw bleven hier voorlopig gezamenlijk wonen. In 1948 vertrok Pietje Hesseling naar Leeuwarden. Zij overleed daar in 1966. Hein Klazes Hoogland bleef vrijgezel. Hij woonde op de boerderij met drie dienstbodes, maar niet tegelijk. De te Vrouwenparochie geboren Jetske Iedema verbleef hier het langst, van februari 1956 tot mei 1968. Hein Hoogland overleed in mei 1968 waarna Jetske Miedema tijdelijk hoofdbewoonster werd. Zij verhuisde een jaar later naar Leeuwarden.

Ondertussen had Gerben Wijtzes Smits, landbouwer op Oudebildtdijk 126 (nu Sjouke Plantinga) het huis, schuur, erf, water en 33,989 hectare land op het Oud en Nieuw Bildt gekocht van de erven Hein Hoogland en kwam hier in mei 1969 met vrouw Aaltje Postma en vijf kinderen wonen. In 1983 werd hier een nieuwe woning gebouwd. Vijf jaar later verhuisde het echtpaar naar St.-Annaparochie en nam zoon Hessel Smits het bedrijf over. Hij trouwde in 1988 met Siebrigje Grietje de Haan en zij wonen er nu nog. Anno 2005 hoort bij de T-balkboerderij 77 hectare Oud- en 24 hectare Nieuwbildtland.