BILDTSE PLAATSEN – nr 40 – Ouwedyk 219

Douwe Zwart – Bildtse Post, 5-10-2005

 

Burgemeister van Dort

We zijn de sloot tussen OBD 230 en 228 gepasseerd en zo belanden we in wat in 1509 de Cornelis Damasz, burgemeister van Dort cavel genoemd werd. Deze kavel was ruim 150 morgen groot. Hij werd in het westen begrensd door bovengenoemde sloot, in het noorden door de Oudebildtdijk, in het oosten door de oude dorpsgrens met Vrouwenparochie en in het zuiden door de Blikvaart. In die kavel stonden volgens de oude Bildtkaart van Jan Jansz uit 1570 twee boerderijen aan de Oudebildtdijk: degene die we nu behandelen en een oostelijker gelegen (nu OBD 201, Jan C. Hoogland). De laatstgenoemde is volgende week aan de beurt. Nu richten we onze pijlen op Oudebildtdijk 219 en maken een reis door de tijd, van boerderij tot atelier.

Tot 1547 waren deze boerderij en de oostelijker gelegen nog een. Waar de bebouwing exact heeft gestaan, weten we niet. Of hier of daar. In 1527 was ene Nijsgen (zeg maar Nieskje) gebruiker van 38 morgen en 411 roede Oudebildtland. Zij was toen weduwe van Jan Heijndricxz, dus kunnen we stellen dat Jan Heijndricxz hier reeds eerder gebruiker was. Misschien was Cornelis Daamsz, de bovengenoemde burgemeester van Dordrecht wel de landheer van onze Jan. In 1536 waren Nieskjes erfgenamen pachter. Voor 1547 trad er een splitsing op. Joost Cornelis Kuijcken pachtte 13 morgen en woonde op de oostelijker gelegen boerderij en Huijbrecht Vrancken pachtte 25 morgen en 411 roede en woonde op de boerderij die we thans behandelen. Boer Vrancken pachtte geen buitendijks land. Dat deed zijn opvolger wel. Hij heette Jan Femmesz en was hier in 1554 pachter van het Oudbildtland alsmede de oostelijke helft van kavel 13 die in zijn totaliteit 25 morgen en 105 roede groot was. Voor de liefhebbers: de westelijke grens van deze kavel ligt tegenover OBD 201 en de oostelijke ligt ter hoogte van OBD 126.

Jan Femmesz werd reeds voor 1566 opgevolgd door Peter (Pieter mag ook) Cornelis Kuijcken. Hij was een zoon van Cornelis Gerrijts Kuijck (Kuijcken mag ook) en kreeg het in 1564 aan de stok met Frans Jansz van der Meij, ook boer aan de Oudebildtdijk en wel direct ten oosten van de Stadhoudersweg (nu R.W. Schuiling).

 

Wicke Gribberts

Naar aanlediding van het akkefietje met Van der Meij moest Kuijcken een boete betalen van – niet mals! – 200 caroligulden. Hij pachtte hetzelfde land als zijn voorganger plus nog de helft van kavel 12 die zo’n 13 morgen besloeg. Op de kaart van Jan Jansz uit 1570 staat bij deze boerderij zijn naam geschreven: Pieter Cornel Kuijcken. Op de recent herondekte kaart van Gabbema uit 1584 vinden we echter Lourens Stevensz als pachter. Hoe de overgang is verlopen, weten we niet. Lourens was getrouwd met Antie Jarichsdr en zij kregen hier twee zonen en een dochter. In mei 1620 werd het pachtrecht van de plaats verkocht. We hebben een hypotheekakte weten te vinden: “Lourens Stevensz en Antie Jarichsdr ecgtelieden aen Anna gebuijrte hebben verkocht en overgedragen aen Wicke Gribberts en Lijouts Sijourtsdr ecgtelieden, de bruijckwaer van ± 51 morgen soo nijeuwe als olde bedijcte Billanden onder Anna gebuijrte met het buitendijks aanwas ofte pollen. Daertoe verkoft onse huijsinge en schuijre cum annexis daerop staende. Willem Huijges zal d’gerechtigheit hebben tot seeckere 5 mg landt omme de sooden tot laste van dien comende tot behoeff vanden nijeuwen zeedijck buijten vande ecgteluiden coopers pollen sal mogen haelen. Voor 385 caroligulden ijder morgen.”

Wicke Gribberts betaalde 19.635 caroligulden. Ondanks dat deze pachter een markante naam had, hebben we in de bronnen niks van hem kunnen vinden: geen huwelijk, geen dopen, geen schulden et cetera. Zelfs de overgang van hem naar de volgende pachter was niet te achterhalen.

Die volgende pachter was (in 1631 reeds) Sioerd Daamsz en het was hij die deze plaats in 1638 van de Staten van Friesland kocht. Hij was dus voortaan niet slechts eigenaar van het pachtrecht, maar eigenaar van de grond. Sioerd Daamsz betaalde 7.651 caroligulden en 6 stuivers voor 25 morgen en 431 roede Oudbildtland en dat deed hij handje contantje in een keer ofschoon Sioerd in termijnen mocht betalen. De jaarpacht bedroeg trouwens ruim 218 caroligulden. Sioerd Daamsz was in 1637 ook pachter van Nieuwbildtland. Van kavel 13 en 14 pachtte hij een gedeelte, maar van dat land werd Sioerd Daamsz niet direct eigenaar. Dat werden eerst zogenaamde buiteneigenaren, die dus niet op het Bildt woonden. Zij heetten dr. Gellius Jongstall en Gualterus Gualteri. Voor 1640 echter kocht Sioerd Daamsz in totaal 15 morgen Nieuwbildtland gelegen in kavel 13 en 14 van bovengenoemde eigenaren. Volgens het stemregister was hij zelf de gebruiker van deze plaats. Sioerd Daamsz was een zoon van bijzitter Daam Jansz die ook boer was aan de Oudebildtdijk (nu OBD 287, Sijbe Stapert). Hij was volmacht en ontvanger van de “niewe ingedijckte Billanden” en trouwde met Amerens Dircks, een dochter van Dirck Willemsz die op Valbrug, ten zuiden van St.-Annaparochie woonde (nu Hemmemaweg 17, P. Lont). Moeder overleed kinderloos en Sioerd trouwde 21 dagen nadat Rembrandt Harmens van Rhijn en Saskia van Ulenborgh elkaar het ja-woord hadden gegeven op 13 juli 1634 in de kerk van St.-Annaparochie, met Neeltie Cornelisdr. Uit dit huwelijk werden vier dochters geboren: Amerens, Jannichie, Maritie en Aegtie. De laatstgenoemde was getrouwd met Gerrijt Hoijtes Reidtsma maar bovendien kinderloos overleden. Dochter Amerens trouwde eerst met Steven Pietersz en later met Cornelis Walings. Uit deze huwelijken werden respectievelijk twee en drie kinderen geboren. Dochter Jannichie trouwde met Heert Jans, de dorpsrechter van Vrouwenparochie en zij kregen vier kinderen. Dochter Maritie trouwde met Jarich Lamberts.

In 1670 waren ze als de erven Sioerd Daamsz stemhouder van deze plaats. In 1686 werd jonkheer Willem van Haren, grietman van het Bildt en zijn vrouw Elisabeth van Hemmema eigenaar “vande grond en eigendom van ongeveer vijff en twintich morgen old Bildtland met de heerlijcke huisinge, schuire, hovinge, bomen en plantagie met de grond ende eigendom van ongeveer vijff en twintich morgen old Bildtlandt staande ende gelegen aan de olde dijk onder Anna parochje, hebbende de raadtsheer Burum cum sociis ten oosten, Jan Arien ontvanger wedu en kinderen ten zuiden, Jacob Pieters erven ten westen, de oude dijk ten noorden, ider morgen belast met een floreen, sampt gemeentsomslagen als andere olde naastgelegene Bildtlanden, doch sullen de vercopers tot haar laste houden het gene per morgen tot opbouw vande nieuwe kerk is omgeslagen, voorts met sodane actien ende gerechtigheden als daar aan behoren, alsoo gecoft van Heert Jans nomme liberorum voor d’ene helfte ende vande kinderen van Amerens Sioerds voorde andre helfte, ider morgen voor vier hondert en tachtigh carolgulden van twintigh stuiver vri en gereed gelt, breder vermogens coopbrief ter secretarie berustende waar na gereguleert sal werden.”

N.B. Nomme liberorum betekent in naam van de kinderen.

 

Pachtcontract

In 1708 stierf Willem van Haren, grietman en ontvanger van het Bildt en erfde zijn achterneef Adam Ernst van Haren deze plaats en kavel 14. Hij was ook grietman van het Bildt en overleed in 1717 en zo stonden een jaar later de kinderen en erven van wijlen A.E. van Haren als stemhouder te boek. Dat waren de dichters Willem van Haren en Onno Zwier van Haren. Na 1738 maar voor 1748 hebben de gebroeders Van Haren de plaats inclusief kavel 14 verkocht aan Gijsbertus Nauta en zijn vrouw. Hij was landsfiscaal en advocaat van het Hof van Friesland en tevens burgemeester van Leeuwarden en in 1719 getrouwd met Geertruida Beukens die van Sloten kwam. Nauta en zijn vrouw hebben hier een uit de kluiten gewassen schuur gebouwd. En hier houden we even halt met de eigenaren en gaan we eerst de pachters in kaart brengen.

Toen in 1686 de familie Van Haren eigenaar werd, was Hendrick Willem Jansen hier pachter. Hij was getrouwd met Neeltie Stevens, een dochter uit het eerste huwelijk van oud-eigenaresse Amerens Sioerds met Steven Pieters. Hun pachtcontract liep in mei 1687 af. Toen werd Johannes Jacobs pachter. Hij betaalde 24 caroligulden per morgen per jaar.

Er is een pachtcontract bewaard gebleven. Grietman Willem van Haren verhuurde daarbij voor zeven jaren, van mei 1687 tot mei 1694 aan “Johannes Jacobs en Geertie Ritskes echteluiden aan Anna parochie een heerlijcke sathe landts bestaende in huisinge en schuire cum annexis met 50 morgen en 426 roeden land, waervan ongeveer d’helfte op ’t Oude en d’andere helfte daernevens op ’t Nieuw Bildt onder Anna parochie is geleegen (…) De huisinge en schuire sal wand en vensterdight gelevert worden, alwaarom hij huirder ook gehouden sal sijn deselve geduirende de huirjaren alsoo te onderholden, doch soo daer enigh groot gat in de schuir mochte waeijen ofte enige andere grote reparatie vallen, sal comen tot laste van de heer verhuirder, des dat deselve alleen de meterialen en arbeitsloon en de huirder de cost en drank aen de arbeiders sal moeten verschaffen sonder daervoor enigssins te genieten. Huirder sal ook de materialen moeten aanrijden.

De verhuirder sal geneten de helft van ’t coolsaad en wintergarst, als sijnde braakland, en de darde schoof van de andere vier morgen tegenwoordigh op de verhuirde landen uitgesaeijt, des dat hij bij ’t eijndigen der huirjaren weder vier morgen gebraakt land sal moeten besaijen alsmede van de andere welcke bequaem sijn om te saeijen en daeraf genieten na lands costume.

De huirder sal gehouden sijn alle jaren ten minste 3½ morgen te braken, alsmede tot sijn eigen costen sloten, eerdrijden en greppelen na landts costume. Hij sal ook geen dongh mogen vervoeren, maer wel over de gehuirde landen brengen, van gelijcken sal het sluijk op de landen comende te wassen bij de sathe verblijven om de schuir te repareren en sal de huirder het hof behoorlijck moeten snoeijen en sonder consent van de heer verhuirder geen bomen afhouwen ofte uijtroeijen, alsmede geen beesten in ’t hof te weiden.” N.B. Sluijk is stro voor het dakbedekken (men gebruikte destijds geen riet).

Johannes Jacobs kwam van Oudebildtzijl en trouwde in 1681 met Geertie Ritskes. Zij lieten tien kinderen dopen in de kerk van St.-Annaparochie onder wie Creelis op 17 augustus 1690. Tussen 1718 en 1728 volgde die zoon zijn vader op. Creelis Johannes (Cornelis Johannes mag ook) trouwde op 12 september 1714 met Fokeltie Louwrens en zij kregen acht kinderen. Nu was er in 1728 nog een pachtboer aan de Oudebildtdijk met de naam Cornelis Johannes. We kwamen hem reeds tegen op OBD 251 (nu T. van der Zee). Of dit nu dezelfde persoon is, weten we niet. De naam Cornelis met het patroniem Johannes is zo algemeen dat zij wellicht twee verschillende pachters zijn geweest.

In 1738 stonden de acht kinderen van Creelis en Fokeltie nog als pachters te boek, maar toen de plaats tussen 1738 en 1747 verkocht werd aan Gijsbartus Nauta, was Bente Walings hier pachter. Hij was een zoon van Waling Daams die met zijn broer Steven Daams eigenaar en gebruiker van OBD 287 (nu Sijbe Stapert) was. Bente Walings was getrouwd met Lijsbeth Johannes Kuik die mede-eigenaresse was van de boerderij Middelweg-oost 116 (nu Ane Wop Anema). Bente en Lijsbeth kregen zes kinderen. Bente was van 1748 tot 1778 ook eigenaar en gebruiker van boerderij Zeldenrust onder Oudebildtzijl (nu Roodpad 7, H. Stienstra). Vijf van de zes kinderen werden in St.-Annaparochie gedoopt, een dochter in Vrouwenparochie. Dat geschiedde in 1745. Kennelijk heeft het gezin een poos op Zeldenrust gewoond. In 1778 overleed boer Bente en twee jaar later hield de weduwe hier boerenboelgoed.

 

“Voorsien van heerlijke vrugtboomen”

Dan werd er weer geproclameerd. Geertruida Beukens verkocht de plaats. We citeren. “De 1ste proclamatie gedaan den 4 maij 1750 – Feddrik Aijses Mahiu en Willem Pijtters Mouter, cooplieden binnen Harlingen begeeren bode en consent op de coop van een heerlijke sathe landts en nieuw gebouwde huisinge, schuire en wagenhuis met een schoone en nieuwaangelegde hovinge voorsien van allehand heerlijke vrugtboomen, welke alles in de coop der landen zal versmelten, staande en gelegen onder het behoor van Anna Parochie aan de oude Dijk, groot na naam en faam vijftig morgen en vierhondert roeden waarvan 25 morgen op ’t oude en 25 morgen 400 roeden op het nieuwe Bildt zijn geleegen, begeregtigt met een vrije stem en belast met 25 floreen 6 stuivers 18 penningen op ’t oude en 21 floreen 3 stuivers veertien penningen op ’t nieuwe Bildt, voorts met Dijks deels en dorpslasten, actien, servituten en geregtigheeden als daar toe en aanbehooren (…) wordende de huizinge en de landen bij Bente Walings cum uxore als huirders bewoont en gebruikt die op maij 1750 daar aan nog seven jaaren huirnge competeeren, mits ’s jaarlijks van ijder morgen te huir betalende 23 caroliguldens vijff stuivers, en alzoo voor ’t geheel een duisent een hondert agt en twintig caroliguldens (…) alzoo gekogt van juffrouw Geertruit Beukens, huisvrouw van de heer Gijsbartus Nauta, fiscal general en oud burgemeester gesterkt met deselve haar man, ijder morgen voor de somma van drie hondert een en seventig caroliguldens.”

Mahui en Mouter mochten 18.797 caroligulden in drie termijnen, mei 1750, 1751 en 1752, betalen. Mouter heeft daarna de helft van Mahui gekocht en voor 1758 erfden dr. Goijtien Stinstra en ds. Jacobus Hesseling beiden uit naam van hun vrouw de plaats. Dr. Stinstra was afkomstig van Harlingen was getrouwd met de Leeuwardense Anna Mouter. Ds. Hesseling kwam van verder, van Vlissingen, was doopsgezind predikant te Leeuwarden en was getrouwd met IJtske Mouter. Ze bleven tot in 1778 eigenaar. Tien jaar later stond het stemrecht van de plaats op naam van de kinderen van Jan Zeper en de vrouw van Jelle Wildschut, elk voor de helft. Zeper was in 1758 getrouwd met Nieske Tichelaar (kennelijk een erfgenaam van de predikant) en zij woonden te Leeuwarden. Wildschut was getrouwd met Baudina Stinstra. Zij woonden te Harlingen. Na het reeds gememoreerde boelgoed van de weduwe Bente Walings op 23 maart 1780 werd Gerrit Jans pachter. Hij overleed echter spoedig waarna zijn weduwe het bedrijf voortzette. Voor 1798 was Tjerk Gerbens Plat hier pachter. Nog altijd was kavel 14 in gebruik bij deze boerderij.

 

100 voet in de draaghouten

Tjerk Gerbens Plat was in 1789 voor de kerk te St.-Anna getrouwd met Sijbrigje Sijbrens. Lang hebben ze hier niet gewoond want de plaats werd in januari 1802 in percelen verkocht. Verkopers waren “Baukje Stinstra huisvrouw van den heer Jelle Wildschut te Harlingen voor de eene helfte, en de heer Pier Zeeper te Leeuwarden voor zich zelve en als gelastigde van zijnen broeder Claas Zeeper woonachtig te Oldenburg, Magdalena Zeeper, huisvrouw van den heer Ludolph Reinier Wentholt te Franeker; Ida Zeeper wede wijlen den heer Willem Cornelis Bergsma woonachtig te Leeuwarden; Anna Zeeper huisvrouw van den heer Folkert Meijer; Baukje Zeeper huisvrouw van den heer Jacob Johan Bergsma woonachtig te Dronrijp voor de andere helfte, en alzoo te zamen voor ’t geheel”. Koper van “zeekere huisinge, schure, hovinge, bomen en plantagie” met een stuk “greidland” ten oosten plus vier morgen land was Beert Gerrijts Gelder van Vrouwenparochie die reeds in 1779 te Vrouwenparochie was gehuwd met IJetske Teunis. Beert Gerrijts Gelder had geen belang bij een grote schuur. Vandaar dat op 13 april 1802 de St.-Annabuurtster notaris Everhardus van Loon “bij afbraak en boelgoed verkocht op deze zathe een extra grote boereschuur van 100 voet in de draaghouten, met 6 bijnten, hoog op de stijlen 24 voet, 28 voet in de legers, de stijlen van 13 en 16 duim kantig, bijna zo goed als nieuw, voorts extra hoge balken, etc. Zullende als dan publiek worden besteed het opbouwen van een kleinere schuur aldaar.” Dat was dus geen kleintje!.

 

Familie Gelder

In 1811 woonde een zoon van Beert en IJetske in het huis met de gekortwiekte schuur. Hij heette Gerrit Beerts Gelder Hij was in 1803 getrouwd met Lipkje Everts Siderius en zij kregen hier vijf kinderen. Er stierven ook kinderen. We citeren een akte uit de Burgerlijke Stand: “In het jaar een duizend acht honderd en twaalf, den agtsten dag der maand Januarij zijn voor ons Maire Officier van den Burgerlijken Stand der Gemeente van St. Annaparochie, Departement Friesland, Canton Hallum gecompareerd Gerrijt Beerts Gelder geadsisteerd met Jarig Johannes Gorter en Dirk Jans van der Laan getuigen, welke ons verklaard hebben dat, een ongedoopt kind, zoontje van Gerrit Beerts Gelder en Lipkje Everts Siderius egtelieden te St. Annaparochie op den agtsten der maand Januarij des voordemiddags ten elf uren, in het huis no. 29 te St. Annaparochie is overleden.” Gerrit Beerts Gelder blies in 1815 hier zijn laatste adem uit. Boerinne Lipkje Everts Siderius bleef er wonen met haar kinderen en trouwde in 1817 met Fokke Eekes de Wal. Hij bezat bij de instelling van het kadaster in 1832 en volgens de kadastrale leggers huis, schuur, erf en ruim 8 hectare Oud- en Nieuwbildtland. Dat zal niet kloppen; de erven Gerrit Beerts Gelder was natuurlijk eigenaar. In januari 1840 verkocht notaris Oebele Braunius Oeberius in ’t Koffijhuis te St.-Annaparochie en in de herberg van Joh. C. Wassenaar aldaar finaal: “huis no. 29 met schuur, hornleger, hovinge en zo voort, groot 80,7 roede, gelegen op ’t Oud-Bildt onder St. Anna-parochie en 4 perceelen land hierbij gelegen alles behoorende aan de erven Gerrit B. Gelder en bij Fokke Eelkes de Wal in gebruik; te aanvaarden mei 1840.” Op het huis werd ƒ 1400,– geboden en op het land ƒ 505 à ƒ 655 per hectare. Koper was Evert Gerrits Gelder, een zoon van Gerrit en Lipkje. In april dat jaar volgde er boelgoed (6 koeien, 5 paarden, 6 schapen, boerewagens, chais, gardeniersgereedschappen). Fokke Everts de Wal en Lipkje Everts Siderius verhuisden 12 mei 1840 naar de Warmoesstraat te St.-Anna en overleden daar respectievelijk in november 1840 en augustus 1841.

Evert Gerrits Gelder werd in oktober 1806 aan de OBD geboren en was getrouwd met Bewke Pieters van der Meer. In 1832 woonde dit gezin onder Hallum en drie jaar later onder Oude Leije. Moeder Bewke overleed in 1837 in Ferwerderadeel. Op 12 mei 1840 verhuisde vader Evert met drie kinderen van Hallum naar de boerderij die we nu bespreken. Hij was hier gardenier, had in 1852 twee, in 1853 vijf en in 1854 vier runderen op stal staan. Evert Gerrits Gelder overleed hier in 1883. De erfgenamen verkochten een jaar later huis, schuur, erf en ruim acht hectare Oud- en Nieuwbildtland aan Baukje Palsma, de vrouw van Simon Berkhout wonende te Twisk en later te Leeuwarden. Dit echtpaar was ook eigenaar van de oostelijker gelegen boerderij (OBD 201, Jan C. Hoogland). We weten niet wie dit huis in de jaren 1884–1888 bewoond heeft, maar kennelijk heeft het toen al gediend als onderkomen van arbeiders die werkzaam waren op de zonet genoemde oostelijker gelegen boerderij.

 

Atelier Ebbing Sipma

In 1889 kwam werkman Sijbe Arjens Reitsma hier wonen met zijn vrouw Janke Arjens Bokma. Rond 1900 woonde hier Uilkje Gerrits Kuik, de weduwe Sijbe B. Grond met haar kinderen, in 1918 opgevolgd door werkman Klaas Jans Dijkstra die getrouwd was met Leentje Paulus Braaksma. Zij vertrokken in 1921 naar Leeuwarden. We sommen nu in TGV-tempo de verdere hoofdbewoners op: Adam Krottje (1921-1924), Jan B. Hoogland (1924-1928; volgde zijn vader als landbouwer op op OBD 201 – volgende week meer daarover), Gerrit Boersma (1928-1929), Willem Riemersma (1929-1930), Johannes de Vries (1930-1931), Broer Kamminga (1931-1933), Dirk Sloterdijk (1933-1936), Sijmen Meijer (1936-1937), Frederik Soorsma (1937-1942), Pieter Haanstra (1942-1943), Frans Oosterbaan (1943-1944), Gerben Brouwer (1944-1947), Marten Postma (1947), Alle Boomsma (1947-1948), Joost de Jong (1948-1952), Gerrit Groenewoud (1952-1957), en Fokke de Haan (1958-1962). Daarna heeft het huis leeg gestaan en het werd in 1964 een bergplaats die, net als het schuurtje al eerder, in gebruik was bij de oosterlijker gelegen boerderij (OBD 201). Ten tijde dat Joost de Jong er woonde en wel in februari 1950 is het dak van het schuurtje ingewaaid. Het werd hersteld. Het pand stond toen bekend als ‘de klaine plaats’.

Zoals we al hebben gelezen waren huis, schuur en erf eigendom van Baukje Palsma en haar man Simon Berkhout. Later erfde hun dochter Christine Epine Berkhout. In 1949 kocht Jan Bienses Hoogland de bebouwing, die de nieuwkoop niet lang daarna verkocht aan de Stichting Pensioen- en Ondersteuningsfonds der Nederlandsch Indische Handelsbank N.V. In 1967 verkocht deze stichting dit op 16 mei 1967 onbewoonbaar verklaarde huis aan Wijnand Marie Pon, wonende aan het Rembrantsplein in Amsterdam. Hij was importeur van Volkswagen. OBD 219 stond destijds omschreven als een “zeer oude boerderij van het kop-hals-romptype. Voorhuis tussen topgevels; kelder aan de buitenhoek.” Via J.M. Kooistra en J.A. Copini, horecaexploitanten te Harlingen kwam het oude boerenhuis met het kleine schuurtje in 1983 in bezit van Johannes M.L.M. Daniëls, wonende te Antwerpen. Hij liet het oude huis afbreken en bouwde het schilderachtige huis dat er thans nog staat. Het lijkt aan de tekentafel van Maarten Toonder te zijn bedacht. In augustus 1990 kwam Daniëls hier zelf wonen. Hij verhuisde in november 1998. Sindsdien zijn Sipma en Hooijschuur de bewoners. Zij hebben er heden ten dage een atelier en is opgenomen in de Slikwerkersroute.

 

 

d.zwart@hetbildt.nl