BILDTSE PLAATSEN – nr 31 – teugenover Ouwedyk 458-454

Douwe Zwart – Bildtse Post, 3-8-2005

“Strengelijk gegeselt”

We zijn andermaal aangeland bij een boerderij die niet meer bestaat. Tegenover OBD 458 – 454 heeft hij gestaan. Voor 1536 stond hier niks en na 1799 stond hier ook niks. We behandelen hier dus een boerderij die zo’n 260 jaar overeind heeft gestaan.

In den beginne was deze plaats onderdeel van het land dat Georg Schenck van Toutenburg, de stadhouder van Friesland hier in 1527 pachtte. De stadhouder heeft dat natuurlijk niet zelf bewerkt, maar verhuurde op zijn beurt weer aan derden. Wie dat zijn geweest, blijft onbekend. Maar tussen 1536 en 1542 werd van het Toutenburgland 26 morgen en 124 roede afgesplitst. Dit land nu werd destijds gepacht door Frerick Cuijcken, wellicht een broer van Aerrijaen Cuicken die verderop aan de Oudebildtdijk land pachtte (OBD 435 – Ouwe Wassenaar). In 1547 was Frerick Cuijcken hier nog pachter, maar in 1554 zijn erfgenamen. Het is zeker dat dat er destijds ene Gerrijt Freriksz Cuijcken in Friesland rondstapte. Hij werd namelijk op 5 december 1569 door het Hof veroordeeld: “Gerrijt Frericksz Cuijcken geboren te Wesup voorden Hove van Vrieslandt bekent heeft hem voor Groeningen in graeff Lodewijcks leger begeven ender aldaer den tijt van ontrent twee maenden als jonghe een landtsknecht weesende viant (…) bijden scherprechtert opt schavot geleijt ende aldaer strengelijk gegeselt te worden, bant hem voorts ten eeuwige dagen uijt Vrieslandt en te ruijmen die stadt Lewarden binnen ’s daags sonneschijn ende ’t landt binnen den derden daghe.”

Dus zoonlief diende in graaf Lodewijks leger en kon moeilijk pachter van deze boerderij zijn. Wat zeggen de Bildtrekeningen? In 1566 werd deze plaats gepacht door Jan Fransz en Dijeuwer Philipsdr. Volgens een genealogie van de familie Van der Meij waren Jan Fransz en Dijeuwer Philipsdr echtgenoten en kennelijk hebben zij deze plaats van de erven Cuijcken gekocht, of zij zijn op een of andere manier familie (en erfgenaam) van Frerick Cuijcken. Hoe het ook zij, Jan Fransz van der Meij was in 1584 pachter van 67 morgen Oudbildtland; hij pachtte drie boerderijen op rij: OBD 487 (Teun de Jong), OBD 477 (nu huis van M. Stapert) en de verdwenen boerderij die we thans bespreken. We weten dat Jan Fransz van der Meij in 1594 te Marssum bivakeerde. We weten niet wie hier toen boer was.

 

Dagboek

Nu weten we uit het dagboek van Bildtboer Dirck Jansz dat zijn ‘stijffaer’ en ‘moer’ aan de Oudebildtdijk onder St.-Anna hebben gewoond. Moeder Trijn Dirck Gabbesdr was getrouwd met Jan Claesz die in 1583 jong overleed. Trijn hertrouwde later met Claes Heeresz die in 1619 overleed. Zij pachtten destijds 25 morgen Oudbildtland en 40 morgen Nieuwbildtland. In 1629 was ene Olphert Heeresz pachter van deze verdwenen boerderij en hij was een broer van de stiefvader van Dirck Jansz. Met andere woorden: dit is een van de weinige boerderijen aan de Oudebildtdijk die in aanmerking komt voor de woonplek van de ouders van onze dagboekschrijver. Mocht dat zo zijn, dat hebben we een schat aan informatie over deze plaats rond 1600, maar doordat we niet zeker zijn van onze zaak, gaan we er hier niet al te diep op in. Nader onderzoek moet in de nabije toekomst uitwijzen of ‘Jan Klasen en (Ka)Trijn’ hier inderdaad hebben gewoond.

Dirck Jansz was de eerste boer(enzoon) die de weilanden op het Nieuw Bildt ploegde: “Int jaer anno 1600 den 25 marcius heb ick Dirck Janszoon buijten die zee dick den eersten steck greijdtlants begijnen te ploeghen, dwelck dattet den eerste was datter oeijt gheplocht buiten hadde ghewest, ende Ian Hendrecks mijn plochdrijwer. Dwelck beghen was op paessens dinsendach dwelcke tijt wasser quade tijdighe van vribuiters, so dat die lijeden wachthijelden die sint Iacops kersters met eender trom van buiten op quamen. Dit was den ersten avont doen wij met groter ghenuchten op quamen. Dat stuck was vierdehalf morghen groet gheent.”

Ook verhaalt Dirck Jansz heel veel over zon, regen en wind: “Inden Jaere 1603 waest eenen soe droeghen soennescijnennende groeijsaemen maert oft iennes hadde ghewest. Die leste 4, 5 daeghen waeijt een heldere sijdeweste weent tot den 3 april. Omtrent 10 uren, doe begoendt eenen al reschrickelijcken wiendt ut den suijdewesten te waeijien dat gheen oewde lieden van selcken windt mochten dencken ende het dierde tot omtrent 3 ofte 4 uren nae meddage. Toe liep die windt west ende stelde veel ghelick te voeren. Doe waerren in die tijt wel soe veel huijsen, schueren, berghen, mellennen, scoorstenen, voergewelen, sijmueren ter neerder ghewaeijt ende dat gheen heel niije dack en waer, waer mest al of gewaeijt soe dat de faerten waeren stoept met stroe.”

 

De familie Tamboeser

Zoals gezegd was Olphert Heeresz in 1629 hier pachter en wel van 27 morgen en 144 roede op het Oud Bildt en van de helft van 27 morgen en 15 roede Nieuwbildtland in kavel 27 (lag tegenover OBD 477 – M. Stapert). Hij was in 1613 voor het gerecht getrouwd met Lutger Hendricksdr. In 1638, toen de Staten van Friesland 16 Oudbildtplaatsen aan de OBD verkochten, werd Lutger Hendricksdr als weduwe van Olphert Heeresz koper van 29 morgen en 144 roede voor 9.824 caroligulden en 8 stuivers. De jaarpacht bedroeg toen ruim 248 caroligulden. Kavel 27 werd gekocht door Philip van Boshuizen en Abraham Schuurmans. De weduwe Olphert Heeresz pachtte in 1638 ook nog kavel 26 (ruim 27 morgen).

In 1655 presenteerden de erven Lutger Hendricksdr “na 3 proclamatien over de kercke van Anna gebuijrte en over ’t gerechte deser grietenij, eerst bij ’t uijtgaen vande brandende keerse en dan bij ’t lichten der segels uitten wasse om alsoo te becomen decreet vanden gerechte, de heerlijcke sathe lands groot 29 morgen eijgene olde Billanden met huis en schuir cum annexis, gelegen aende olde seedijck.” Koper werd Hessel Selis, burger te Leeuwarden voor 721 caroligulden per morgen. Hij was in januari 1618 getrouwd met Hittie Hanses. De Leeuwarder koopman verhuurde de plaats, volgens een bewaard gebleven hypotheekakte van mei 1667 tot mei 1674 aan de echtelieden Dirck Steven Cornelisz en Lijsbet Claesdr voor 23 caroligulden en 10 stuivers per morgen. In 1698 was Dirck Stevensz nog steeds pachter van deze plaats. Tussen 1675 en 1679 is zijn vrouw Lijsbet Claesdr overleden. In 1708 verhuisde Dirck Steven Cornelisz met zijn tweede vrouw Maartie Cornelisdr naar Harlingen. Hij was een Wassenaar.

In 1670 reeds waren de weduwe en kinderen van Hessel Selis eigenaar. Een van de twee kinderen heette Rintie Hessels en noemde zich Tambuser. Hij trouwde in maart 1697 te Leeuwarden met Lutske Botes Schanstra en zij kregen twee zonen: Hessel en Bote. De andere was een dochter en trouwde met bouwmeester Jan Cornelis Wiersma. In het stemregister van 1708 vinden we hen terug als stemhouder van deze plaats: Johannes de Haan als curator over Hessel en Bote Tambuser, nagelaten kinderen van Lutske Botes voor 2/3 deel en Aaltje Wiersma, weduwe Hans Jurrien Schroot voor 1/3 deel. Gebruiker was in 1708 Cornelis Abes, die destijds ook gebruiker was van de boerderij waar nu Staperts huis staat. In 1718 waren de eigenaars nog eender, de gebruiker was toen Obbe Jetzes. Hij was getrouwd met Grietje Hoijtes en zij hadden toen zeven kinderen. Obbe Jetzes was kerkvoogd van St.-Annaparochie.

Op de Statenkaart van 1735 staat deze boerderij mogelijk als winkelhaak getekend, maar het kan met evenveel fantasie als een kop-hals-rompboerderij worden gezien. Het huis was naar het oosten gericht. Het land lag ten oosten van de kaarsrechte sloot, ongeveer tegenover OBD 458.

In 1738 was Jan Oebles huurder van deze plaats. Hij woonde hier met zijn vrouw Grijtje Crelissen en zoon Tjalling. Tien jaar later waren Bote Tamboeser (2/3) en de erven Aaltje Wiersma (1/3) eigenaar van 29½ morgen Oudbildtland met huis en schuur. Pachter was Alle Jacobs. Hij was een van de vier erfgenamen van Aaltje Wiersma en getrouwd met Goijke Sijmens. Zij kregen zes kinderen, onder wie dochter Elske Alles die later uitbaatster van het grote café in St.-Anna werd (nu Tjerk de Jager, Van Harenstraat 16). Alle Jacobs bezat 2/5 deel van 1/3 eigendom en kocht het resterende deel van de mede-erfgenamen, zodat hij in 1778 voor 1/3 eigenaar was. Het resterende 2/3 deel was nog altijd in bezit van Bote Tamboeser. Hij was in 1735 getrouwd met Hijlkjen Jelkes van Kollum. Onderwijl overleed Bote. De erven waren de zonen Ielke, wagenmaker te Ferwerd en Hessel, molenaar te Ee. In 1782 besloten beide zonen, alsmede de weduwe en kinderen van Alle Jacobs de plaats te verkopen.  Cornelis Pieters meesterbakker en Brechtje Clazes Wassenaar, echtelieden te St.-Annaparochie maakten gading, maar de koop ging niet door, want de plaats werd geniaard door Arjen Boijens Wassenaar en Claasje Clazes Kuik voor de ene helft en dr. Cornelis Wassenaar voor de andere helft. Zij waren reeds eigenaar van de oostelijker gelegen plaats (OBD 435).

 

Niaarrecht

In de tijd van de Republiek werd de koop van een huis, een stuk land of een plaats met huis en schuur pas definitief wanneer deze driemaal voor het rechthuis en in de plaatselijke kerk was afgeroepen, geproclameerd, zonder dat iemand bezwaar maakte. Dat bezwaar vertaalde zich in het leggen van het niaar. Bloedverwanten, naastliggers en mandeligen hadden de mogelijkheid op een verkoop het niaar te leggen. Dit betekende dat familieleden, buren en mede-eigenaars het recht van eerste koop hadden. De niaarlegger of -nemer betaalde dan het door de beoogde koper gebodene bedrag plus de onkosten. De eigenaars van de naastliggende boerderij (OBD 435 – Ouwe Wassenaar), de hierboven genoemde Arjen Boijens Wassenaar met zijn vrouw, en dr. Cornelis Wassenaar beriepen zich op dit recht en werden dus koper van de verdwenen boerderij met 29 morgen Oudbildtland.

In 1787 verrees er ten oosten van de verdwenen boerderij een gloednieuwe (volgende week meer hierover) en werd 15½ morgen van de plaats die we hier behandelen naar die gloednieuwe overgeheveld. Hier bleef dus 13½ morgen over.

Zoals we reeds bij de historie van OBD 487 (Teun de Jong) zagen, had mede-eigenaar dr. Cornelis Wassenaar schulden en verkochten zijn crediteuren de boedel. OBD 487 werd verkocht, maar geniaard door Jan Aarts Wassenaar, het restant van de hier beschreven verdwenen boerderij werd op 1 december 1788 voor 5.807 caroligulden en 4 stuivers gekocht door Arjen Boijens Wassenaar, die dus reeds eerder 15½ morgen had gekocht. Pieter Harmens (ook huurder van OBD 487) had recht van huur tot mei 1799. Nu waren dus deze verdwenen plaats en die ten oosten hiervan (OBD 435) in een hand verenigd. Toen – kennelijk in 1799 toen het pachtcontract van Pieter Harmens afliep, maar waarschijnlijk al eerder, immers Pieter Harmens woonde op OBD 485 waar Teun de Jong nu woont – is deze boerderij gesloopt, verdwenen.

Mocht het boerenhuis na 1799 toch nog dienst hebben gedaan als woning voor veldarbeiders, dan heeft dat stellig niet lang geduurd. In de huisnummergids van 1811 wordt geen melding gemaakt van ontbrekende nummers tussen OBD 477 (Stapert) en OBD 435 (Wassenaar) en dus was het boerenhuis ook tot puin gebikt. Voltooid verleden tijd.

Verdwenen.