BILDTSE PLAATSEN – nr 23 – Ouwedyk 733

Douwe Zwart – Bildtse Post, 8-6-2005

 

Jacob van Wijngaerdenkavel

We hebben de Bouckhorstkavel achter ons gelaten. We hebben de sloot tegenover OBD 740 gepasseerd. Deze lange lange sloot liep voor de ruilverkaveling vanaf de Oudebildtdijk – slechts onderbroken door de Middelweg – helemaal tot aan Wier (nu begint hij ter hoogte van OBD 749 – Hoekstra). Vanaf het westen gerekend is het de eerste sloot onder St.-Jacob die een dergelijke loop heeft. Dat komt doordat de sloten op het Westerbildt, ten noorden van de Middelweg min of meer haaks op de Oudebildtdijk staan, maar niet haaks op de Middelweg, immers het Oud Bildt loopt in het westen taps toe. Ook de Kadal maakt geen rechte hoek met de oude ‘Middelwech’. De Koudeweg doet dat wel en ook de lange lange sloot doet dat (daar kunnen de bouwmeesters van de pyramide van Cheops nog een puntje aan zuigen). De sloot liep en loopt parallel aan de Koudevaart en vormde in 1505 de westelijke begrenzing van de Jacob van Wijngaerdenkavel, die vanaf het begin der Bildtse tijden door de naamgever zelf met zijn pachters werd gebruikt. In het oosten werd de grens van de kavel bepaald door de Koudevaart die met de Oudebildtdijkstervaart voor de ontsluiting van de boerderijen aan de OBD zorgde. In het noorden werd de kavel begrensd door die OBD-vaart en in het zuiden door de voormalige zeewering nabij Wier. De kavel bleek in 1509 ruim 424 morgen groot te zijn waarvan 48 zogenaamde ‘bose blicken’. De gradaties ‘gutslandt, gut blicken, middelbare blicken en bose blicken’ hanteerde men om de hoogte van de pacht te bepalen. Zware gronden lagen en liggen nabij de Kleine Blikvaart. De 48 morgen boze blikken waren dan ook bij die vaart te vinden. Maar wij bevinden ons op ‘gutslandt’ aan de Oudebildtdijk.

De eerste boerderij die we in deze Jacob van Wijngaerdenkavel tegenkomen, is een oudje. Er zijn tongen die beweren dat deze boerderij in 1603 is gebouwd, maar of ze boos zijn… We houden deze week de loep boven: Oudebildtdijk 733.

 

Gebouwd in 1603?

Na de bekaveling van het Oud Bildt werd hier een boerderij gesticht waarbij in 1527 bijna 37 morgen land behoorde. Claes Sijmonsz was de pachter. Tussen 1527 en 1536 ging deze plaats precies in tweeën; bijna 19 morgen hoorde bij deze boerderij en op de andere helft verrees ook een boerenhoeve. Op welke plaats de originele boerderij stond, hier of op de plek van OBD 723, weten we niet.

De vorige week al aangehaalde moordenaar Engel Zeelander vereerde ook Claes Sijmonsz in juni 1535 met een bezoek. Hij trapte hier de deur in en sloeg de ruiten aan diggelen. Vloekend, razend en tierend doorzocht hij het hele huis, maar Claes Sijmonsz had zich op zolder verschanst. Het werkvolk overmeesterde Engel Zeelander. Hij werd berecht en in oktober 1535 werd het vonnis ten uitvoer gebracht: Engel werd onthoofd.

Luitgen Dircks was hier in 1536 de pachter van 18 morgen en 506 roede. Voor 1547 is het pachtrecht overgegaan naar Lenart Claesz en Frans Jansz. De laatste is volgens ons een Van der Meij en hij was in de periode 1536-1574 pachter aan de OBD onder St.-Anna (Stadhoudersweg 80). Dit zou inhouden dat Lenart Claesz hier moet hebben gewoond. We mogen concluderen dat het hier niet om 19 morgen los land ging, want Lenart Claesz kwam rond 1536 nergens anders voor op het Bildt. En wie gebruikte nou zoveel land zonder huis en schuur? Nog een reden om aan te nemen dat hier wel degelijk een boerderij stond, is het feit dat Lenart en Frans ook nog kavel 34 (ruim 41 morgen) pachtten, recht tegenover deze boerderij. In 1554 waren Pieter Jansz en Cornelis Adriaensz de pachters van zowel het Oud- als het Nieuwbildtland. Maar dan veranderde er hier iets drastisch. De pachters van dit land waren in 1566 Steeven Claesz en de weduwe Philips Willemsz, maar zij bewoonden elders een boerderij en nog wel zeer dichtbij ook. Steeven Claesz woonde namelijk op OBD 749 (Hoekstra) en Philips Willemsz op OBD 771 (Hoogterp). Deze beide boeren gebruikten dit land, alsmede kavel 34, bij hun reeds gepachtte plaatsen. Dan kunnen we in een adem stellen dat de boerderij die wij thans bespreken er niet meer was. Want wie gebruikte nou een huis en schuur zonder land? Als we de kaart van 1570 bekijken, wordt deze hypothese bewaarheid; hier stond niks in 1570. In 1574 werd dit land hier nog steeds gepacht door Steeven Claesz en de weduwe van Philips Willemsz, elk 9 morgen en 485 roede.

Van 1574 tot 1629 zijn de Bildtrekeningen er niet meer en tastten we in het pikkedonker. Maar mochten de boze tongen gelijk hebben, dan is hier dus in 1603 een nieuwe boerderij gebouwd. Bewoner was in 1629 Hendrick Claesz. Hij was getrouwd met Jannichie Melisdr en waarschijnlijk waren Claes Hendrix en Jannechie Ariens Scheijffdr zijn ouders. Wie weet zijn die ouders hier eerder pachter geweest. Hoe het ook zij, Hendrick Claesz pachtte 19½ morgen Oudbildtland en de helft van kavel 35 (20 morgen) en kavel 36 in z’n geheel (40 morgen). Het land op het Oud Bildt strekte zich vanaf de boerderij zuidwaarts uit, maar na vijf percelen nam het land dat bij deze boerderij hoorde, een haakse bocht richting Koudevaart. Daar lag namelijk zo’n 24 morgen land uit de voormalige plaats van Lenert Fransz van der Meij die – even onder ons – rond 1573 in de herberg van St.-Annaparochie Jacob Lenerts doodstak. Hij vluchtte Friesland uit. Dat land werd later dus opgeslokt door omliggende pachters.

 

Eigen plaats

We weten dat de Staten van Friesland in 1638 zestien plaatsen op het Oud Bildt aan de OBD verkochten. De plaats die we nu behandelen was er een van. Hendrick Claesz kocht 21 morgen, 300 roede, zeven voet en zeven duim land voor ruim 4.214 caroligulden. Het land in de kavels 35 en 36 kocht hij niet. Dat werd eigendom van ondermeer Jacob Hendriks Hesma te Leeuwarden. Op deze kavels verrezen geen boerderijen. Het land bleef in gebruik bij boerderijen op het Oud Bildt. Uit een hypotheekakte van 1637 blijkt dat Hendrick Claesz de “suijdkant vande 35e kavel” huurde van Isbrandus Frank, medicus te Leeuwarden.

In april 1646 verkocht Hendrick Claesz de boerderij en 21½ morgen Oudbildtland aan Joris Jacobs Lakencoper te Leeuwarden. In 1655 waren zijn erven eigenaar en in 1670 nog. Wie toen de plaats bestierde, is ons helaas niet bekend. Wie die erven waren, is ook niet bekend, althans ten dele. Want in 1687 verkochten Clemensia, Marijcke, Antie, Helena en Dieucke de Vries eenvijfde gedeelte van 21½ morgen Oudbildtland aan Geiske Freerx. Omdat het sinds 1638 eigen land betrof, werd de verkoop geproclameerd. We citeren: “Geiske Freerx weduwe wijlen Poulus Stonebrinck in leven mr. houtcoper binnen Leeuwarden, begeert bode en consent op de coop van de grond en eigendom van de gerechte fijftepart van een heerlijcke stemdragende sathe Landts groot in ’t geheele 21½ morgen met de gerechtigheit van een vijfte part der huisinge, schuire, hovingen cum anexis, gelegen onder Jacobi Parochie, hebbende Jacob Jansen ten oosten, Arien Jansen ten westen & zuiden, de oude dijck ten noorden, bij Dirk Melis als huirder gebruickt ’s jaars voormelde vijftepart vrijgelt te huir doende vijff en seventig gulden vijf stuivers doch beswaert met veertien stuivers floreen ider morgen in elk omslag & twee caroligulden deelscosten int geheel jaer, hebbende voormelde huirder daer aen noch vier jaren huiringe, met actien, serfituten & gerechtigheden daer toe & aenbehorende. Alsoo gecoft voor de somma van vijftien hondert caroliguldens ’t stuck twintig stuivers doende, van Clemensia, Marijcke, Antie, Helena & Dieucke de Vries geadsisteert met haer moeder Bijntie Wouters Bruins (…)”

We zeiden net dat we niet wisten wie de plaats bestierden, maar doordat de naam Melis markant is, kunnen we veronderstellen dat Hendrick Claesz en Jannichie Melisdr een zoon Melis Hendricksz hebben gehad en dat deze Melis hier pachter was (op de door zijn vader verkochte plaats) en dat hij weer werd opgevolgd door diens zoon, de bovengenoemde Dirk Melisz.

 

Boomgaard

Geiske moest in drie termijnen, lopende tot mei 1690, met klinkende munt over de brug komen.

Het is niet onze bedoeling om de vele eigenaars en mede-eigenaars van een aandeel in deze plaats hier allemaal te noemen. Daarom springen we naar het jaar 1697 toen Jacob Meijles solo-eigenaar werd. Hij kocht deze plaats toen voor 468 caroligulden per morgen inclusief het onroerend goed van Wouter Hendrix erven. Dat zullen naar alle gedachten de erfgenamen zijn geweest van de grootvader van bovengenoemde kinderen De Vries.

Eigenaar Jacob Meijles stond ook te boek als gebruiker, maar omdat hij koopman te Harlingen was, liet hij de plaats bemeieren en wel door Bauke Jarigs. Bij de plaats behoorde ook nog de helft van de 40 morgen in kavel 36. In 1718 waren de erven Jacob Meiles eigenaar, in 1728 zoon Meile Jacobs Ollema die ook eigenaar was van het Zwart Kruis (over veertien dagen meer daarover). Hij was in 1716 getrouwd met Anna Tieerds Siverda en bleef eigenaar tot 1758. Zij woonden in Harlingen en kregen een dochter, Geertje. We willen hier opmerken dat volgens de Statenkaart van 1735, direct ten zuiden van de boerderij een boomgaard van een morgen lag.

In 1754 was Pijtter Ruirds hier zetmeier. Geertje Ollema was in 1741 getrouwd met burgemeester Johannes Daniël Toussaint en hij stond van 1758 tot 1778 uit naam van zijn vrouw te boek als eigenaar van deze plaats, inclusief de helft van kavel 36. In 1758 was Feijke Clasen gebruiker, van 1768 tot 1788 Marten Clasen. In 1788 was Folkert Mourits de gebruiker. Moeder Geertje Ollema overleed voor 1778 en daarna waren haar vier kinderen eigenaar: Meile, Johan Daniël jr., Anna en Geertruida Toussaint. Deze kinderen verkochten in oktober 1789 de plaats aan de St.-Annabuurtster Klaas Aarts Aartsma en zijn vijftien jaar oudere echtgenote Jannigje Reinders Wassenaar die hier toen kwamen wonen. Jannigje was van 1769 tot 1784 getrouwd geweest met Boijen Clazes Wassenaar waaruit vijf kinderen waren geboren. Vier van hen overleden jong. De jongste zoon, Klaas Boijens, erfde zijn moeders deel na haar overlijden in 1807. Klaas Aarts Aartsma, nog steeds kinderloos, trouwde daarna met Heiltje Gorrits Fopma. Zij was 27 jaar jonger dan hem. Dit echtpaar kreeg zeven kinderen. Vader Klaas overleed hier op 9 september 1825.

 

Gouverneur van Friesland

Heiltje Fopma bleef hier met haar kinderen tot in 1831 wonen. In maart dat jaar was hier boerenboelgoed van vee, gereedschap en huisraad. Pachter werd nu Pieter Dirks Kuiken die met zijn vrouw Neeltje Reins Kuiken en dochter Baukje van Tzummarum kwamen. In december 1831 werd de plaats verkocht, tegelijk met de plaats van ene Klaas Jacobs Kuiken op het Nieuw Bildt. Beide plaatsen werden gebruikt door bovengenoemde Pieter Dirks Kuiken. In een advertentie in de LC werd de plaats als volgt omschreven: “een zathe en landen met huis no. 57 schuur enz, groot 42-25-52 bunder gelegen o/d St. Jacobi Parochie; en wel 13-54-74 benevens de huizinge c.a. op het Oud-Bildt aan de Oude Bildtdijk en 28-70-59 bunder alles bouwland liggens in 3 halve kavels op ’t Nieuw Bildt nabij de voorschreven huizinge. Te aanvaarden 12 mei 1832.” De erven Klaas Aarts Aartsma verkochten later ook nog zes percelen Nieuwbildtland. Er werd ƒ 351 per morgen of ƒ 16.146,00 totaal geboden. Op de finale verkoping werd dit bedrag verhoogd tot ƒ 17.296,00. Koper werd jonkheer M.P.D. baron van Sijtzama, gouverneur (commissaris van de Koningin) van Friesland, wonende te Friens. In 1849 deden de erven deze plaats (en die op het Nieuw Bildt) van de hand. De LC van 3 februari 1849 berichtte: “Notaris C.W. Semler te Leeuwarden verkoopt na bekomen rechtelijke autorisatie, bij de kastelein J.C. Wassenaar te St. Anna-parochie, 1e: een vruchtbare zathe en landen met huis en schuur no. 57, hornleger, hovinge, etc. aan de Oude Bildtdijk onder St. Jacobi-parochie, groot 44-92-20 bunder (waarvan 2-14-60 greidland) Oud- en Nieuw-Bildt, in gebruik bij Pieter Dirks Kuiken voor ƒ 1825 per jaar; 2e: 34-24-60 bunder Nieuw-Bildt met stelphuizinge (…)”

 

Van der Werf(f)

De plaatsen werden verkocht in respectievelijk 31 en 22 percelen met recht van samenvoeging. Op de eerste werd geboden ƒ 23.731,00. Beide plaatsen waren in mei 1850 te aanvaarden, de bouwlanden reeds herfst 1849. De plaats die we hier beschrijven werd gekocht door Jacob Jans Twijnstra, assessor (wethouder) te Finkum. Zijn dochter Trijntje Jacobs Twijnstra erfde. Zij was in 1847 te Leeuwarderadeel getrouwd met Brand Dirks van der Werf. Na de geboorte van zoon Jacob, overleed de moeder. Dus de plaats was anno 1851 eigendom van de tweejarige Jacob Brands van der Werf.

Tijdens deze verervingen bleef huurder Pieter Dirks Kuiken hier nog wonen. Hij had een gemengd bedrijf. In 1854 had hij 12 runderen op stal staan. Na het overlijden van zijn vrouw en het boerenboelgoed in maart 1857, verhuisde boer Kuiken met zijn dochter Baukje naar elders. Opvolger was toen Brand Dirks van der Werf (geboren te Stiens), de vader van de minderjarige eigenaar. Brand van der Werf was ondertussen in 1856 getrouwd met IJtje Jelmers Miedema (geboren te Cornjum). Zij kwamen in mei 1857 van Cornjum naar hier.

Boer Brand overleed al in december 1860. De weduwe bleef hier met haar stiefzoon wonen en zij trad in 1864 in het huwelijk met Reinder Hobbes van der Laan (geboren te St.-Jacob), die hier toen landbouwer werd. Eigenaar Jacob Brands van der Werff (ja ondertussen met twee effen) vertrok op 19-jarige leeftijd naar Leeuwarden. In 1871 werd door boedelscheiding Dirk Joutes van der Werff eigenaar. Hij was de grootvader van de vorige eigenaar. Razendsnel volgden de Van der Werffen elkaar als eigenaar op: zoon Joute Dirks van der Werff, kleindochter Gerlandtje Dirks van der Werff, achterkleinkinderen Gerrit, Aaltje en Nanne Nannes de Boer.

Reiner Hobbes van der Laan en IJtje Jelmers Miedema kregen vijf kinderen. Moeder IJtje overleed hier in 1887. Vier van de vijf kinderen verlieten het ouderlijk nest en toen vader Reinder op de laatste dag van 1893 overleed, nam de 25-jarige zoon Andries het bedrijf over. Hij trouwde in 1894 met de in Stiens geboren Trijntje Binnes Hiemstra.

Nu was de oostelijker gelegen boerderij (OBD 723) ook in het bezit van de familie Van der Werff (twee neven) en de huurder hier en de meier daar ruilden van boerderij. Het gezin van Andries Reinders van der Laan ging naar het oosten, het gezin van Frans Poppes Wassenaar kwam naar het westen. Hij was hier niet huurder maar net als op de vorige boerderij meier. De bedrijfsleider en zijn vrouw Antje Teunis Sanders en hun kind Poppe zochten niet lang daarna hun heil nog verder in het westen; ze emigreerden in maart 1902 naar Noord-Amerika.

Nanne Nannes de Boer was eigenaar. Er vond een gedeeltelijke sloping plaats in 1879. In 1907 erfde Wijke de Boer. Ook zij was een minderjarige eigenares. Ze bezat huis, schuur, erf en 21,775 hectare waaronder ongeveer 6 hectare Nieuwbildtland. In de jaren 1908 en 1909 werd er andermaal iets gesloopt. Wat weten we niet.

 

Woonboerderij

Terwijl Frans Poppes Wassenaar met zijn gezin op de boot richting VS voer, werd het huisnummer van deze boerderij gesplitst in een a- en b-nummer. En het is niet altijd duidelijk wie waar woonde. Werklieden met hun gezin kwamen en gingen: Doekle Douwes IJntema (van Pingjum) met Neeltje Hendriks Spekman, Jippe Sijbes Keizer (van St.-Anna) met Geertje Watzes de Groot, IJde Cornelis Bil (van St.-Jacob) met IJbeltje Cornelis van der Zee en Pieter Sjoukes van der Leij. Tussen deze lieden kunnen dus best meiers voorkomen die de bedrijfsvoering namens de eigenaars waarnamen. Van de laatstgenoemde weten we zeker dat hij hier landbouwer was. Pieter Sjoukes van der Leij was geboren in 1871 in Berlikum en toen hij hier als werkman (meier) arriveerde, was hij getrouwd met Elisabeth Sijbes de Jong. Zij kregen drie kinderen: Sjouke, Itske en Sijbe.

Na de minderjarige Wijke de Boer werd Michiel Steunebrink, kuiper te Bartlehiem eigenaar van huis, schuur, erf en een perceel bouwland van ruim 2 hectare. Dit alles verkocht hij in 1912 aan de meier van de plaats, Pieter Sjoukes van der Leij, die toen te boek stond als gardenier. Hij zal er land bij gehuurd hebben. In 1936 gingen hij en zijn vrouw Elisabeth van de boerderij. Zij gingen in St.-Jacobiparochie wonen.

In 1957 werd zoon Sijbe van der Leij eigenaar. Hij speelde een puik stukje tuba bij Aurora, maar hier op de boerderij was hij gardenier-voerman. Van der Leij was getrouwd met Siebrigje Hiemstra (kwam van Engwierum) en later met Bettje Schaap.

Het echtpaar Van der Leij verhuisde in 1972 naar St.-Annaparochie. Toen heeft de oude, grote boerderij twee jaar leeg gestaan. In april 1974 kwamen Petrus T.M. van der Velde en zijn vrouw Magda P. van Es als eigenaars hier wonen. Zij verhuisden van Utrecht naar hier. Mede-eigenaar Paulus G.J. IJsseldijk en vrouw woonden er sinds 1975 bij in. Ook zij kwamen van Utrecht. Op de nok van het dak van de woonboerderij stond in de tachtiger jaren van de vorige eeuw een milieuvriendelijke windenergiemolen. De genoemden wonen er thans nog.